Ministerraad op Vrijdag

Boy Trip (1921-1990) was tussen 1973 en 1977 minister van Wetenschapsbeleid. Veel mensen zullen zich hier niet van bewust zijn, want Trip was de minst bekende minister van het kabinet-Den Uyl, in een arena van prominenten als Ruud Lubbers, Dries van Agt, Marcel van Dam en Jan Schaefer. Van deze PPR-politicus zijn nu de memoires uitgekomen.

Trip was lid van de Politieke Partij Radikalen (PPR), één van de voorlopers van GroenLinks. Daarmee was Trip één van drie bewindspersonen die GroenLinks en haar voorlopers hebben gehad. (De andere twee, Van Doorn en Van Hulten, waren ook PPR-politici en zaten in dezelfde kabinetsploeg als Trip.) Trips persoonlijke herinneringen aan de tijd in het kabinet zijn nu gebundeld en samen met interviews met andere, nog levende, ministers gebundeld in Ministerraad op Vrijdag.

Trip lijkt vanuit het politieke perspectief een opmerkelijk keuze als minister. Hij had zich niet langzaam naar de politieke top gevochten door de rangen van de partij. Hij had carrière gemaakt als bestuurder bij een geurproducent en was daarna voorzitter van het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Utrecht. Na de universiteitsbezettingen van de jaren zestig komt hij in contact met de politiek. Een post in het schaduwkabinet-Den Uyl had hij nog geweigerd, omdat hij zich politiek niet te zeer wilde uitspreken. De toenmalige leider van de PPR, Bas de Gaay Fortman, toonde begrip en zei: ‘Als het menens wordt, kom ik wel terug’. Welke lessen zou Trip hebben voor anderen die net als hij van buiten de politiek bewindspersoon worden?

Trip zelf – maar ook de geïnterviewden – maken duidelijk dat politiek mensenwerk is. Wat partijen bij elkaar houdt in een kabinet zijn niet alleen maar de gemaakte afspraken, maar ook een gevoel van verwantschap door partijen heen. Een persoon zoals Jan Pronk, bekend door zijn contraproductieve neiging om met het verkiezingsprogramma van de PvdA, PPR en D’66, ‘de Bijbel’, te wapperen tijdens kabinetsvergaderingen is niet bevorderend voor de sfeer. Ook speelt bijvoorbeeld de scheidslijn tussen de heren en straatjongens die Marcel van Dam maakt. Bijvoorbeeld die tussen de mensen die in de pauze van de kabinetsvergaderingen gingen voetballen en mensen die binnen bleven. Trip, hoewel een vertegenwoordiger van de linkse PPR, behoorde duidelijk tot de heren. De sfeer in de ministerraad was tijdens de eerste jaren van het kabinet meestal goed, vooral door humor tijdens de vergaderingen. Maar aan het einde van de periode wordt de sfeer grimmiger.

Als nieuwe minister kreeg Trip, net als zijn collega’s, een zestig pagina’s tellende nota mee. In deze nota legde de secretaris van de ministerraad Middelburg, die toen al zo’n vijfentwintig jaar in functie was, uit wat wel en niet kon. Uiteraard stond een minister boven zo’n ambtenaar, maar het gaf de bestaande afspraken weer. Voorbeelden uit deze nota waren kledingkeuze, wat wel en wat niet aan te nemen en de etiquette dat de minister, als hoogste gast, als eerste moet vertrekken, omdat hij anders de andere gasten dwingt om te blijven.

Trip maakt net als een aantal anderen snel promotie. Hij kwam van buiten de politiek. Dat betekende dat relaties soms radicaal omdraaiden. Als lid van een college van bestuur kon hij niet zomaar binnenlopen bij de directeur-generaal hoger onderwijs. Nu was dit zijn ondergeschikte. De nieuwe generatie politici kwam binnen met hooggestemde idealen: niet alleen over de politieke inhoud, maar ook over de manier waarop er politiek bedreven moest worden. De hoogste ambtenaren, in die tijd nog jonkheren met dubbele namen, zagen in de nieuwe ministersploeg allerlei parvenu’s. Ze weigerden daarom de nieuwe omgangsvormen te gebruiken en spraken de ministers aan met excellentie, volgens Laurens Jan Brinkhorst ‘om te pesten’. Ook zaten de nieuwe ministers tijdens staatsbezoeken plotseling naast dames en heren die al jaren ervaring hadden. Volgens Trip was het dom voordoen de beste manier om die mensen zich op hun gemak te laten voelen, omdat ze zich dan niet bedreigd voelden.

Trip was minister zonder portefeuille op een betrekkelijk klein onderwerp, wetenschapsbeleid, dus voor de zichtbaarheid hoefde hij het ministerschap niet aan te nemen. Wat wel opvallend was, was dat hij in een zeer gepolariseerde periode als minister beleid wist te maken dat breed werd gedragen in de Kamer. Trip bespeelde de Kamerleden gemakkelijk en wist interventies uit te lokken en te voorkomen door de manier waarop hij zijn bril opzette. De reden voor het succes van Trip was zonder meer ook dat de woordvoerders in de Tweede Kamer allemaal het belang van wetenschapsbeleid deelden. Zo werd deze portefeuille betrekkelijk technocratisch bestuurd, met grote overeenstemming tussen de partijen. Dezelfde verwantschap was ook op internationaal terrein zichtbaar, wanneer Trip mocht spreken met ministers en staatshoofden die zijn interesse voor het wetenschapsbeleid deelden.

Trip werd nooit een echte raspoliticus. Daarom geeft het boekje met zijn herinneringen een interessante kijk in het functioneren van het kabinet in de roerige jaren ’70.

Straatcoach en strateeg. De Opkomst van Diederik Samsom.

Nederlandse politiek verschilt sterk van andere landen. Een opvallend patroon in Nederland is dat politieke carrières steeds korter duren. De politiek lijkt een tussenstop voor mensen met meer ambitie. Politiek leiders zitten kort en worden snel afgebrand. Job Cohen is hier misschien het meest extreme voorbeeld van: in een paar weken veranderde hij van de verlosser in de hakkelaar. Voor lange geplande politieke loopbanen is geen ruimte.

Een uitzondering in dit patroon lijkt Diederik Samsom, de leider van de PvdA. In Straatcoach en strateeg. De Opkomst van Diederik Samsom beschrijft NRC-journalist Stokmans de politieke carrière van de sociaaldemocraat.

De lange adem

Wat hierin het meeste opvalt is hoe planning en toeval door elkaar heen lopen. Gepland is Samsom’s politieke loopbaan. Hij begint in 2003 in de PvdA en besluit al in zijn eerste Kamerperiode dat hij partijleider wil worden. Hij ontwikkelt een verstandhouding met de zittende leider Wouter Bos en neemt de ruimte om alle PvdA-afdelingen te bezoeken om daar zijn verhaal te oefenen en leden te leren kennen. In 2008 toonde Samsom voor het eerst zijn ambitie toen hij Tichelaar wilde opvolgen als PvdA-fractievoorzitter. De PvdA-fractieleden kozen voor de moederkloek, Mariëtte Hamer. In 2010 wordt Cohen door Bos naar voren geschoven. De komeet van Cohen brandt snel op. Ondertussen loopt Samsom zich warm. Hij neemt afstand van de fractie en gaat op maatschappelijke stage als straatcoach om te voelen wat het verhaal van de PvdA op veiligheid betekent. Als Cohen in 2012 aftreedt, komt alles voor Samsom samen: hij heeft de ambitie, hij kent de partij en hij heeft een verhaal. Hij wordt partijleider.

De eindsprint

Maar voor wat er daarna gebeurt, lijkt Samsom niet gereed. Als het kabinet valt klitten constructieve oppositiepartijen in het centrum, GroenLinks, ChristenUnie en D66, samen zonder de PvdA. Zij steunen een begrotingsakkoord met het kabinet. Het hele akkoord lijkt erop gericht te zijn Samsom buiten te houden. Hij wordt uitgenodigd om mee te tekenen maar weigert dat. Dat is het eerste moment van twijfel. Snel zal blijken dat het een meesterzet is. Het begrotingsakkoord is in een hogedrukpan geschreven en zit vol met punten die de kiezer niet zint.

De strategie voor de PvdA is vanaf dat punt helder voor de peilers en adviseurs van Samsom: de PvdA kiest een paar zwakke punten uit uit het begrotingsakkoord en voert daar campagne tegen. Daartegen over stelt de PvdA een eigen agenda van groei en banen. Posters met die boodschap hangen al snel door heel Nederland.

Samsom twijfelt. Tijdens een oefenweekend voor het lijsttrekkersdebat Samsom zijn cijfers van het CPB over het PvdA programma de druppel die de emmer doet overlopen. De PvdA was niet de partij van groei en banen maar van krimp en werkloosheid. Voor Samsom die de doorrekeningen van voorgaande jaren uit zijn hoofd kende en die voor zijn plezier aan CPB-cijfers zat te rekenen, een grote blamage. Tijdens het ontbijt stormde Samsom onverwacht luid vloekend de eetzaal uit en het nabijgelegen bos in. Als Samsom uitgeraasd is, wordt besloten een nieuwe strategie in te zetten. Niet een die gebaseerd is op peilingen of de wijsheid van campagnebureaus maar op het gevoel van Samsom: dit wordt Samsom’s eerlijke verhaal. Tijdens de vele bijeenkomsten in het land oefent en scherpt Samsom zijn verhaal. Tijdens het RTL-debat overtuigt Samsom hier Nederland mee, door niet een mooie belofte te maken over het geld dat Nederland aan Griekenland heeft geleend maar eerlijk te zijn dat het geld niet terugkomt.

Bij het oefenen van het tweede grote debat, bij Knevel en Van den Brink valt een katheder op Samsom’s teen. Uitermate pijnlijk. Gebroken is de diagnose. Maar Samsom heeft geen tijd om twee weken met zijn benen om hoog te zitten. Pijnstillers zijn natuurlijk ook uitgesloten want Samsom moet scherp zijn. En juist in het tweede debat versterkt Samsom zijn eigen ‘eerlijke verhaal’ door Rutte aan te pakken over het verdraaien van de waarheid. Hij kopieert daarbij Ronald Reagan’s ‘there you go again‘. Dat is opnieuw niet een beslissing die genomen is op basis van kiezersonderzoek en tegen de lijn van de adviseurs in gaat. Tijdens het laatste debat laat Samsom zijn eerlijke verhaal nog één maal door op de vraag van een kiezers: ‘aan welk punt houdt u vast?’ Niet zijn hele programma af te draaien maar eerlijk te zeggen dat zoals ook bleek tijdens de formatie je uiteindelijk compromissen moet sluiten met je politieke tegenstanders.

Daarmee deed Samsom uiteindelijk wat iedereen voor onmogelijk had gehouden. Hij won de kiezers terug van de SP en haalde het beste verkiezingsresultaat van de PvdA in 10 jaar. Niet op basis van een langgeplande strategie of zelfs maar geïnformeerd door het best onderzoek maar op basis van zijn eigen politieke intuïtie.

De politieke carrière van Samsom is altijd gericht op die ene plek, leider van de PvdA. Maar als hij dat een maal is hangt veel van toeval af: had Samsom zijn eigen intuïtie gevolgd en het begrotingsakkoord wel getekend, dan was hij net als de begrotingsakkoordpartijen in de verdediging gekomen. En als de CPB-cijfers later waren gekomen, dan had Samsom misschien niet zijn strategie bij gezet en had hij het eerste debat niet gewonnen en dan had hij geen zegetocht ingezet.

Is de Partij voor de Dieren populistisch?

Als één partij in de Tweede Kamer niet populistisch zou kunnen zijn, is het de Partij voor de Dieren. Immers deze partij verzet zich tegen de dominantie van menselijke belangen in de politiek. Beleid zou niet gebaseerd moeten zijn op wat mensen vinden maar op wat in het belang van alle dieren is. Iedere debatbijdrage wordt daarom afgerond met de ze zin ‘tevens ben ik van mening dat de bio-industrie moet worden afgeschaft’. Maar de recente bijdrage van Thieme aan het debat over het burgerforum EU had een aantal opvallende populistische kenmerken.

Laten we populisme definiëren als een (dunne) ideologie die

  1. een tegenstelling ziet tussen (a) een deugdzaam en ondeelbaar volk en een (b) kwaadaardige elite;
  2. stelt dat de elite het volk haar vermogen om haar soevereiniteit uit te oefenen ontnomen heeft;
  3. en stelt dat dat moet worden hersteld.

Het is belangrijk om op te merken dat populisme geen negatieve kwalificatie is. Volgens één van de indieners van het burgerforum EU, Ewald Engelen, die toch zelf aardig kwalificaties kan uitdelen en incasseren, zou populisme ‘in het woordenboek van nette mensen [staan] voor grof taalgebruik, redeloze onderbuikgevoelens, argumentenhaat en vijanddenken.’ Dat is in elk geval deze definitie niet het geval: het streven naar volkssoevereiniteit en een gezonde afkeer van autoriteit is regelmatig ‘the right side of history’ gebleken.

De kernredening van de debatbijdrage van Thieme is de volgende:

  1. De Nederlandse kiezer wil een pas op de plaats in Europese integratie. Dit blijkt uit de uitslag van het referendum over de Europese Grondwet en recente peilingen: “twee derde van de burgers geeft aan geen verdere overdracht van bevoegdheden te willen zonder referendum.“
  2. De Europese politieke elite wil dat Europese integratie verder gaat. De elite heeft de voorkeur voor besluitvorming in instituties die buiten het bereik van kiezers liggen, zoals de EU, de G8 en internationale handelsverdragen. Thieme zelf neemt afstand van die elite: “[i]k wens (…) geen deel uit te maken van een politieke elite die op dit moment de democratie aan het uithollen is.“
  3. De Europese politieke elite luistert dus niet naar kiezers. Ze gaan door met geforceerde Europese integratie tegen de wil van het electoraat. De kiezer is voor de Europese politieke elite een hindermacht, die ontwapend zou moeten worden: “[e]lke wijze waarop de bevolking aangeeft [met verdere Europese integratie] niet akkoord te kunnen gaan, wordt gezien als een ongewenste vertraging van de Brusselse trein, die hoe dan ook verder moet.”
  4. Dit is onjuist want niet de elite maar het volk mag soevereiniteit overdragen. Zo wordt de democratie uitgehold: “het [is] niet aan de volksvertegenwoordigers maar aan het volk om bevoegdheden over te dragen, de soevereiniteit op te geven en de macht van het parlement te verminderen.”
  5. Thieme pleit voor een ander Europa zonder landbouwsubsidies en met meer democratie. “Ook in dat kader ben ik voorts van mening dat er een einde moet komen aan de Nederlandse en de Europese bio-industrie.”

De redenering van Thieme komt op een aantal punten dicht bij populisme:

  • ze neemt afstand van ‘de’ politieke elite (punt 1b);
  • in haar ogen heeft die politieke elite het volk het vermogen zijn soevereine macht uit te oefnene ontzegt (punt 2 van het populisme);
  • en in plaats daarvan moet er een pas op de plaats gemaakt worden met Europese integratie en moet de Europese Unie gedemocratiseerd worden (punt 3).

Wat dus mist is een positieve invulling van het begrip volk. Het volk heeft in de ogen van Thieme gelijk en zou zelf moeten kunnen beslissen over de Nederlandse onafhankelijkheid. Maar is het ook ondeelbaar? En deugdzaam? Dat wordt hier in elk geval niet duidelijk. Daarmee zouden we moeten stellen dat Thieme’s redenering niet populistisch is, alhoewel het er veel kenmerken van heeft.

Maar dit punt is in mijn ogen wel het meest belangrijk voor een partij die een niet-antropocentrisch wereldbeeld zegt te hebben. In debatbijdrage was dit element van Thieme’s eigen visie gemarginaliseerd tot een verwijzing naar landbouwsubsidies en een obligate slotzin. In elk geval in het geval van Europese integratie, is voor de Partij voor de Dieren de wil van mens alles wat telt. Niet de argumenten die ze gebruiken, niet de eigen visie van de Partij voor de Dieren en niet de belangen van niet-menselijk leven: het volk wil geen verdere Europese integratie. Daarmee is de kous voor Thieme af.

In dit debat had Thieme vast kunnen houden aan haar eigen idealen en een consequent niet-antropocentrische redenering kunnen neerzetten. Deze had er als volgt uit kunnen zien:

  1. Europese integratie is slecht voor dieren want een interne markt betekent dat dieren het hele continent over gesleept moeten worden, het gemeenschappelijke landbouwbeleid bevordert grootschalige bio-industrie en, bovendien, de Europese verdragen staan stierenvechten toe.
  2. De Europese Unie moet worden gestopt. Daarvoor zijn alle middelen geoorloofd. Ook dat van het referendum, waarin het Nederlandse volk vast weer tegen uitbreiding van Europese bevoegdheden zal stemmen.
  3. Daarom is de Partij voor de Dieren voor een referendum niet omdat de wil van mensen maatgevend is maar het belang van dieren.

Want zou Thieme echt willen dat stem van het volk alles zou bepalen? Iedere dag spreekt het Nederlandse volk zich in de supermarkt uit over de vegetarische idealen van Thieme; en iedere dag stemt een kleine minderheid op ‘gehacktbal’ en grote meerderheid op gehaktbal.

Het Dierloze Gerecht

Dirk-Jan Verdonk schreef een vegetarische geschiedenis van Nederland. Een mooi kijkje in de geschiedenis van groene politiek, activisme en het dagelijks leven.

Het boek bestaat uit zes casussen, die chronologisch worden gepresenteerd. We beginnen bij de eerste idealistische vegetariërs als Domela Nieuwenhuis en Felix Ortt. Bij Domela Nieuwenhuis zien we hoe vegetarisme al vroeg verbonden is met andere linkse idealen. Bij Felix Ortt, die probeerde een vegetarische landbouwcommune te stichten zien we hoe idealisme het verliest van de realiteit. Vervolgens bezoeken we het succesvolle vegetarische restaurant Pomona uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Dan slaan we ongeveer 25 jaar over en kijken we naar de kabouterrevolutie en de groei van de alternatieve winkeltjes, met hun ongeorganiseerde gezelligheid. Daarop volgen twee hoofdstukken over dierenrechtenactivisme: dat begint bij Wakker Dier en eindigt bij het dierenterrorisme van de jaren ’00.

De eerste drie delen zijn de sterkste delen omdat ze meer dan een geschiedenis van dierenrechtenactivisme, een geschiedenis zijn van het vegetarische dagelijks leven. Het biedt een antwoord in de vraag wat vegetariërs aten voordat er gehacktballen in de schappen van de supermarkt lag: rauwkost, schijngehakt gemaakt van linzen en allerhande kroketten. Maar hierachter ligt een hele discussie over wat gezond voedsel is en of vlees daarvoor nodig is. Want aan het einde van de negentiende eeuw wordt er voor het eerst systematisch onderzoek gedaan naar voedsel, voedingswaarden en gezondheid. Groenten worden eerst weggezet als ‘genotsmiddel’ zonder voedingswaarde maar ook de eerste schandalen over bedorven vlees komen naar buiten. Als vlees tijdens de Eerste Wereldoorlog op de bon moet, moeten huisvrouwen leren om gebalanceerd vegetarisch te koken. Door het restaurant Pomona wordt vegetarisch eten hip.

In het derde hoofdstuk, over Pomona, zien we de hoe vegetarisme populairder wordt, maar daarna volgen we meer kleine groepen buiten de mainstream. We eindigen met verhalen over geweld en inbraak. Alsof dat de kern zou zijn van vegetarisme. Alsof na de Kabouterrevolutie vegetarisme eerder kleiner en sektarischer werd en met name verbonden was met buitenparlementair activisme. Vegetarisme wordt steeds groter: Jort Kelder is gezicht van een soort VVD-vegetarisme, de vegetarische slager verkoopt vleesvervangers bij de Jumbo en ook juist parlementaire politiek loopt harder voor dierenrechten, dankzij de Partij voor de Dieren.

Wat zich hier wreekt is dat het boek verschenen is in 2009 en waarschijnlijk in de 5-6 jaar daarvoor geschreven is, in een periode na de moord op Fortuyn dat terrorisme van dierenrechtenactivisme een ding leek. Tien jaar daarna blijkt, gelukkig, dat gewelddadig dierenrechtenactivisme een vrij marginaal fenomeen is gebleven maar daarmee is het boek wel meteen verouderd.

Hoe hangen welvaart en sociale voorzieningen samen?

Heleen Dupuis is een vooraanstaand lid van één van onze regeringspartijen. Filosoof, emeritus professor emeritus, liberaal, senator. Daarvan kunnen we alleen maar scherpe redeneringen verwachten. In Trouw werpt zij haar licht op de verzorgingsstaat. Daarin zegt zij het volgende.

“Nederland is een van de rijkste landen ter wereld, maar tegelijk maakt zowat iedereen gebruik van sociale voorzieningen. Dat is voor mij een aanwijzing dat we het systeem verkeerd hebben ingericht.”

Het is mij niet duidelijk hoe uit het feit dat [1] Nederland rijk is en [2] mensen gebruik maken van sociale voorzieningen volgt [3] dat het systeem verkeerd is ingericht. Als we welvaart als belangrijk goed nastreven, dan laat professor Dupuis zelf zien dat er geen probleem is. Immers: alhoewel bijna iedereen gebruik maakt van sociale voorzieningen, is Nederland één van de rijkste landen ter wereld.

Sterker nog. Misschien is deze redenering is bijziend. Het gaat er vanuit dat er een directe causale relatie is tussen welvaart en verzorgingsstaat. Je kan ook zeggen: Nederland is een open economie, die haar geld verdient door handel. Dat betekent dat Nederland sterk afhankelijk is van de schokken van de internationale markten. Om die schokken op te vangen hebben we een verzorgingsstaat die spaart in goede tijden en uitgeeft in slechte tijden. Zo kunnen we welvaart (door de open economie) en stabiliteit (door de dempende werking van de verzorgingsstaat) combineren. Het minste wat je dan zou kunnen zeggen is dan Nederland is één van de rijkste landen ter wereld en bijna iedereen maakt gebruik van sociale voorzieningen. Dat is voor mij een aanwijzing dat het een niet onverenigbaar is met het ander.

Maar misschien is er wel een causaal verband tussen de door professor Dupuis geobserveerde grote welvaart en het niveau van sociale bescherming: Nederland krijgt haar welvaart ook vanwege haar goed opgeleide beroepsbevolking. Dit komt omdat Nederland een van de beste onderwijssystemen van de wereld heeft dat op het basis- en middelbaar niveau gratis ter beschikking wordt gesteld en door toegankelijk beroeps- en hoger onderwijs van hoge kwaliteit. Dat kost natuurlijk wat, maar daar betalen we samen aan mee. Immers iedereen heeft er voordeel van als er artsen zijn (want die maken ons gezond), ICT’ers (want die verdienen geld) of emeritus-professoren medische ethiek (want wat zouden we anders moeten doen op een druilerige woensdagmiddag). Misschien moet de redenering wel zijn, dus: Nederland is één van de rijkste landen ter wereld, dat komt omdat zowat iedereen gebruik heeft gemaakt van onze sociale voorzieningen waaronder scholen, ROCs, hoge scholen en universiteiten. Dat is voor mij een aanwijzing dat we het systeem goed hebben ingericht.

Dupuis beroept zich later op Rawls. En dat brengt mij op de laatste manier waarop verzorgingsstaat en welvaart zouden kunnen samenhangen: een rechtvaardige samenleving waarin iedereen naar school kan, niemand zich zorgen hoeft te maken of hij de rekening van de medische zorg wel kan betalen en iedereen een dak boven zijn hoofd heeft is een groot goed. Verschillen in inkomen zijn gerechtvaardigd en een dynamisch bedrijfsleven is waardevol zolang ze bijdragen aan het in stand houden van een systeem van sociale rechtvaardigheid. Dat betekent het volgende: Nederland is één van de rijkste landen van de wereld. Het is voor mij een aanwijzing dat we het systeem goed hebben ingericht dat er goede sociale voorzieningen zijn waarvan iedereen gebruik kan maken.

Was 2013 inderdaad een ***-jaar?

Eind 2012 voorspelde ik dat 2013 een ***-jaar zou worden. Wat is er uitgekomen van deze voorspelling?

Zes voorspellingen die ik in 2013 deed hingen samen met de verkiezingsuitslag in Italië. Ik voorspelde dat er geen heldere verkiezingsuitslag zou zijn. Dat klopte!
Maar de gevolgen die ik voorspelde, klopten niet. De uitslag leidde niet tot een economische crisis, tot het uitkomen van corrupte Italiaanse bankpraktijken of een radicale uitbreiding van de macht van de Europese Commissie die nieuwe Nederlandse bezuinigingen eiste. De corrupte bankpraktijken kwamen voor in Cyprus. De economische macht van de Europese Commissie blijft wel groeien. Nederland moest weer verder bezuinigen. Anders dan ik voorspelde profiteerden niet zo zeer de linkse anti-bezuinigingspartijen van de verdere bezuinigingen maar juist de rechtse partijen, zowel D66 (pro) en de PVV (anti). Maar de PvdA kreeg het wel lastig met het anti-illegalenbeleid van het kabinet, die leidde echter nog niet tot Razzia’s.

Daarnaast voorspelde ik dat non-nieuws de media zou domineren: over het Koningshuis (dat werd de abdicatie), een rel over Rusland en het milieu (dat werden de Arctic 30 die aandacht vroegen voor milieuvervuiling maar met name wezen op het sinistere karakter van de Russische regering) en aan het eind van het jaar Zwarte Piet (en niet The Hobbit).

Dat non-nieuws zou het echte nieuws verbloemen: klimaatverandering (nog steeds een probleem volgens de wetenschappers), een ingrijpende verandering van de financiering van de Amerikaanse wetenschap (die in werkelijkheid alleen politieke wetenschap betrof) en de Syrische burgeroorlog (waarbij Assad in elk geval een Amerikaanse inval wist te voorkomen).

In alle eerlijkheid is maar één voorspelling echt uitgekomen. Maar de voortslepende economische crisis, de dominantie van non-nieuws en een overwinning voor de Bad Guys in het Midden-Oosten klopten werden deels bewaarheidt, maar ja dat zijn niet echt kritische voorspellingen.

Voor 2014 sluit ik me aan bij John Green: 2014 wordt misschien wel het beste jaar ooit!

Is de SP homofoob?

De laatste weken is er veel debat over de grenzen van de humor. Maar anders dan komieken en zangers heeft de politiek een voorbeeldpositie. Daarom viel mij dit spandoek van de SP-jongerenorganisatie ROOD, op, twee weken geleden bij de FNV-demonstratie tegen de bezuinigingen. Op de poster staat de tekst ‘Samsom bij Rutte in bed, VVD’s bezuinigingsslet’ en toont expliciete beelden van stokfiguur Rutte en stokfiguur Samsom.

Samsom wordt hier neergezet als de receptieve partner bij geslachtsgemeenschap tussen twee mannen. Dit staat er symbool voor dat volgens ROOD, de PvdA op belangrijke onderwerpen toegeeft aan de VVD. Schijnbaar is een receptieve partner een passief en willoos object. Schijnbaar kan iemand die zich laat penetreren geen krachtige politiek leider zijn. Schijnbaar is er volgens ROOD iets verkeerds aan om op zo’n manier gestimuleerd te worden. Schijnbaar is receptieve homoseksualiteit volgens ROOD iets abjects, iets walgelijks. En dit komt van een partij die zegt: ‘discriminatie van homo’s, lesbo’s, biseksuelen, transseksuelen etc. tolereren we niet.’

Nou zou ROOD zich kunnen verdedigen door te stellen dat het beeld niet homofoob is, immers Samsom wordt neergezet als een ‘slet’ en een slet is een ontuchtige vrouw. Maar daar wordt de zaak niet beter van. Want dan is het schijnbaar vernederend voor een man om neergezet te worden als een vrouw. Want een vrouw is minder dan een man? Is dat wat ROOD wil uitstralen?

Nee, Samsom is niet zo maar een vrouw, hij is een slet: een vrouw die gemakkelijk seks heeft met verschillende mannelijke partners. Het is namelijk verkeerd als een vrouw vrijwillig seks heeft met verschillende partners. Een man die dat doet is stoer. Een vrouw die dat doet is een slet. Want voor mannen en vrouwen gelden verschillende standaarden. Is dit echt de visie op vrouwelijke seksualiteit die de ROOD wilt uitdragen? Staat er in het programma van de SP niet: ‘Nederland hoort pal te staan voor het recht op vrije seksualiteit’?

Ik ken mensen die zich druk maken over Mario seksistisch is en of Gordon of Zwarte Piet racistisch zijn. Ik denk niet dat het de rol van de politiek is om hier meteen wetten en regels over te maken. Maar het minste wat je van de politieke partijen kan vragen is dat ze zelf niet uitgaan van discriminatoire opvattingen over mannen en vrouwen of het idee dat homoseksualiteit abject is. Zeker een partij die in haar programma zegt te hechten aan seksuele vrijheid en gelijkberechtiging.

Is alles te koop?

Sandel is één van de meest prominente linkse filosofen van onze tijd. In Niet alles is te koop analyseert hij de corrumperende werking van de markt op de samenleving. Daarbij verzint hij allerlei problemen die er niet zijn en negeert hij centrale problemen

Sandel’s karakteristieke stijl, die we kunnen zien in zijn wereldberoemde lezingen aan Harvard University, is socratisch. Hij valt niet aan, maar hij stelt vragen, zet je aan het denken. Toch is zijn eigen perspectief helder. Hij is aristoteleaan. Dat betekent dat hij denkt dat er allerlei maatschappelijke sferen zijn die hun eigen principes van rechtvaardigheid hebben. De markt is daar maar een van, maar niet de enige. Hij illustreert dit vrij simpel: wat als we Olympische gouden medaille niet geven aan de snelste zwemmer maar aan diegene die er het meest voorbetaalt. Dat voelt toch onrechtvaardig? Een sportwedstrijd heeft een eigen verdelend principe, dat van merite en dat is een ander principe dan dat van de hoogste bieder.

Een ander bezwaar dat hij benoemt, is ongelijkheid. Het is de vraag of het rechtvaardig is dat als we alles verkopen als op een markt, rijke mensen meer kunnen krijgen dan arme mensen. Laten we als eerste observeren dat dit logica’s zijn op twee verschillende niveau’s. Het eerste is de stelling dat er fundamenteel verschillende verdelingslogica’s zijn: het recht van de eerste (in een rij), de sterkste (in een wedstrijd), van de slimste (op een school), de van de rijkste (op de markt). Het tweede formuleert een ander universeel verdelingsprincipe, namelijk dat van gelijkheid: iedere burger moet een gelijke toegang hebben tot goederen en diensten. 

Geheel volgens de socratische traditie kijkt Sandel naar verschillende gevallen, om te kijken of het marktprincipe hier rechtvaardig wordt toegepast. Het boek zit vol sprekende voorbeelden. Ik wil hier naar drie voorbeelden kijken en naar een voorbeeld dat Sandel niet of nauwelijks bespreekt.

In de rij voor zorg

In China is zorg door de overheid georganiseerd. Als je naar een dokter wil dan moet je urenlang in de rij staan. Mensen waarvan de tijd waardevol is, betalen andere mensen om in de rij te staan. Dit is illegaal maar vrij normaal. Zo kunnen mensen die naar de dokter willen met geld zorg krijgen zonder daarvoor eerlijk in de rij te staan.

Dit geval stuit hem tegen de borst. Gezondheidszorg zou niet verdeeld moeten worden naar inkomen, maar naar een ander principe. Sandel toont zich regelmatig een aanhanger van het principe van wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Dit heeft volgens hem egalitaire eigenschappen. Dit lijkt me absurd. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt, heeft arbitraire eigenschappen. Bij gezondheidszorg zou uiteindelijk noodzaak bovenaan moeten staan. Mensen die zorg nodig hebben, moeten dat krijgen. Is rechtvaardig dat persoon A dood bloedt maar persoon B eerder wordt behandeld omdat hij eerder in de spreekkamer is? Of omdat hij meer betaalt? Volgens mij niet.

Markten voor leven en dood

In de VS kunnen bedrijven een levensverzekering nemen tegen het overlijden van hun medewerkers. Als er een medewerker overlijdt, krijgt het bedrijf een uitkering en de familie niet. Bedrijven die dit doen zeggen: ik heb veel geïnvesteerd in mijn medewerkers om weer zo’n goede werknemer te krijgen moet ik veel geld investeren. De familie krijgt niets.

Sandel beroept zich op gevallen waarbij de familie na het overlijden van de vader met lege handen achterbleef. Natuurlijk is het tragisch als een familielid overlijdt. Zeker als een familie dan lastig rond kan komen. Maar moeten bedrijven verboden worden om voorzorgsmaatregelen te nemen? Net als een machine is een werknemer voor een bedrijf een productiemiddel. Een productiemiddel waarin ze veel investeren. Is het onrechtvaardig om de kosten van die investering te verzekeren?

Wat volgens mij op de achtergrond onrechtvaardig is, is dat in de Verenigde Staten er een beperkte verzorgingsstaat is: en dat als de kostwinner overlijdt, gezinnen op weinig terug kunnen vallen, bovendien is middelbaar onderwijs en zorg ongelofelijk kostbaar. De dood van een ouder is niet alleen een tragische gebeurtenis maar veroordeelt het hele gezin tot armoede en achterstand.

Te laat opgehaalde kinderen

Een voorbeeld dat Sandel een aantal keer aanhaalt, is een Israëlische kinderopvang. Om ouders te stimuleren hun kinderen op te halen zetten ze een boete op het te laat ophalen van kinderen. Ouders zagen dat echter niet als een boete maar als een prijs. Meer ouders haalden hun kinderen later op en betaalden daar grif voor. Volgens Sandel laat die de perverterende werking van markten zien: mensen houden zich niet meer aan de afspraak hun kinderen op tijd op te halen, maar zien het als een dienst.

Ik zie eigenlijk het probleem niet: Een kinderopvang is een bedrijf. Ouders  betalen geld, veel geld, voor een dienst. Als kinderen te laat op worden gehaald maakt dat bedrijf kosten. Kosten waarvoor door de boetes, de ouders die hun kinderen te laat ophalen opdraaien. Wat is het probleem precies? Dat mensen gebruik maken van een mogelijkheid die er eerst niet was?

Geld en politiek

Heel eventjes raakt Sandel aan het onderwerp geld en politiek, als hij heeft over bedrijven die mensen betalen om in de rij te staan voor congressional hearings. Die zouden volgens Sandel ook arbitrair verdeeld moeten worden volgens first come first served.

Maar de rol van geld in de politiek is een waarbij zowel de corrumperende werking van geld als ongelijkheid in beeld kunnen worden gebracht. In de Amerikaanse politiek gaat veel geld om. Een deel van de politieke strijd wordt namelijk uitgevochten in televisiereclames. Omdat te financieren gaat, zijn politici afhankelijk van giften van bedrijven, rijke individuen en maatschappelijke organisaties die veel geld hebben. Daardoor luisteren politici sterker naar deze belangen dan naar de belangen van de gemiddelde burger.

Hier zien we de corrumperende werking van de politiek, omdat geld politici een incentive geeft om niet te luisteren naar de meerderheid van het volk maar naar deze belangen. En we zien de ongelijkheid om dat belangen met geld tijd en aandacht kunnen kopen van politici.

Pluralisme of monisme
Sandel en ikzelf verschillen fundamenteel in onze aannames over rechtvaardigheid. De Gouden medaille gaat misschien niet naar de hoogste bieder, maar we kunnen niet ontkennen dat succes ook in sport in hoge mate afhankelijk is van inkomen. Dan kan je als oplossing muur om de sport zetten en commercie niet toe laten. Het verschil tussen een talent en winnaar is duizende uren oefenen. Dat kan je niet als je gewoon moet werken om je gezin te onderhouden. Dat geldt ook in de wetenschap: je kan nog zulke mooie ideeën hebben over kernfysica maar een deeltjesversneller kost gewoon geld.

Het pluralisme klinkt mooi, maar het is uiteindelijk een conservatieve strategie. Het probeert de macht van geld in te dammen en tegen te gaan. Met morele bezwaren en misschien met wetten. Maar daarmee lost het fundamentele ongelijkheden niet op: het zorgt er niet voor dat een kind in de Derde Wereld ooit de kans gaat krijgen om een Nobelprijs te winnen. Wat daarvoor nodig is, is herverdeling van inkomen: we moeten erkennen dat geld een rol speelt. Je moet alleen proberen, de vrijheid, kansen en mogelijkheden die geld geeft, zo eerlijk mogelijk te verdelen tussen rijk en arm.

Der Unvollendete

Ik heb Peter Mair altijd een heel inspirerende politicoloog gevonden: erudiet, kritisch, doordacht. Twee jaar geleden overleed hij. Hij was bezig met een boek. Wat er al als manuscript lag, is nu verschenen onder de onheilspellende titel Ruling the void. The hollowing of Western Democracy. Het is natuurlijk onmogelijk om een onvoltooid boek te beoordelen alsof het een afgerond boek zou zijn, maar wat vertelt Mair in zijn boek?

Mair richt zich op het falen van de partijen, van het vermogen van partijen om kiezers te betrekken bij de politiek en het vermogen van de partijen om te fungeren als uitvalsbasis voor politici. Het falen van partijen is volgens Mair een groot probleem omdat representatieve democratie alleen maar kan functioneren in termen van politieke partijen.

Verwijdering tussen kiezers en partijen

De eerste these is wel bekend. En Mair toont dezelfde getallen die we allemaal kennen. Teruglopende ledenaantallen, grotere electorale volatiliteit.  teruglopende opkomstcijfers. Hij verwijst hierbij veelvuldig naar studies uit het begin van 2000s. Dat leidt, in mijn ogen, tot twee vragen: ten eerste, is sinds 2000 de situatie fundamenteel verslechterd. En zijn volatiliteit, lage opkomst en lage ledenaantallen een probleem?

Ten eerste, de situatie lijkt sinds de jaren ’90 niet fundamenteel verslechterd te zijn. Ledenaantallen, opkomstcijfers, volatiliteit zijn niet sterk verslechterd. Mair laat zelf zien dat de jaren met de laagste opkomst en sterkste volatiteit geconcentreerd zijn in de jaren ’90.

Ten tweede, is dit echt een probleem? Is volatiliteit, bijvoorbeeld, niet een teken van een kritisch electoraat. Is het niet goed dat kiezers weglopen als partijen hun beloften niet nakomen, slecht besturen of onderling ruzie maken? Is een democratie gezonder als kiezers dat allemaal slikken en op een partij blijven stemmen omdat ze luisteren naar priesters of vakbondsleiders?

Opkomst, is in mijn ogen, wel een zorgwekkende trend: dit zijn burgers die niet betrokken zijn bij de politiek. Daarbij wil ik wel opmerken dat de systemen die de meeste alternatieven hebben voor de partijendemocratie, de Verenigde Staten en Zwitserland, lagere opkomst hebben. In de VS worden meer ambtsdragers direct verkozen en vaak meer vanwege hun individuele reputatie dan vanwege hun partijlidmaatschap. En in Zwitserland kunnen groepen burgers vragen om referenda. Je moet je daarom afvragen een lage opkomst het gevolg is van het falen van partijen.

Verzwakken van partijendemocratie

De tweede trend die Mair observeert is dat het fenomeen ‘party government’ is verzwakt. Onder ‘party government’ bepaalt de de verkiezingsuitslag welke partij in de ministerraad komt, worden politici geselecteerd uit partijen, bieden partijen heldere beleidsalternatieven en zijn ministers verantwoordelijk door partijen. Volgens Mair zijn partijen op al deze punten verzwakt, behalve de eerste. Maar met echt overtuigend bewijs komt hij niet: in de strijd tussen Blair en Brown speelde het een rol wie het goed deed op televisie. Maar dat is een anekdote geen bewijs van een fundamenteel falen van partijen: Mair gaat er aan voorbij dat meer dan ooit hebben partijleden door interne verkiezingen direct grip op wie er partijleider wordt.

Partijen bieden ook geen beleidsalternatieven maar volgens Mair, omdat de links/rechts-dimensie verzwakt is en partijen naar elkaar toegegroeid zijn. Maar dat juist op allerlei thema’s (zoals immigratie en integratie) voor het eerst echt politieke competitie is wordt door Mair niet benoemd.

Partijen zijn, ten slotte volgens Mair ook minder verantwoordelijk voor beleid. Hij verwijst hierbij naar delegatie van verantwoordelijkheden naar niet-majoritaire instituties. Dit is een trend naar depolitisering. Voor een Nederlander klinkt dit maar al te bekend in de oren. Een van de hoofdregels van onze consensusdemocratie is depolitisering: de manier om politieke conflicten te voorkomen. En denk maar aan het idee van publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie uit de jaren ’50, waar politici werknemers en werkgevers samen verantwoordelijk maakten voor beleid. Dit is volgens mij niet onverenigbaar met partijendemocratie.

Onthechting, Europeanisering en Populisme

Dan zijn er drie opmerkelijke ontwikkelingen die Mair ziet: ten eerste de onthechting van partijen van hun maatschappelijke banden. Dit was de kernthese van zijn zeer invloedrijke artikel samen met Katz uit 1995. Dit vermindert het vermogen van partijen om verschillende maatschappelijke belangen te integreren en de eisen van burgers te articuleren. De beweging van partijen van de maatschappij naar de overheid leidt tot een verandering in de rol van partijen: van vertegenwoordiger van het volk bij de overheid naar de vertegenwoordiger van de overheid bij het volk. Partijen zijn de PR-bureau’s van de overheid, citeert Mair Andeweg.

Ten tweede, is er de Europeanisering. In de Europese Unie komen een boel problemen die Mair observeert samen: burgers zijn niet betrokken bij het Europese project, komen niet op bij verkiezingen. Europese instellingen zijn bij uitstek niet-majoritaire instellingen, waarbij vaak besloten wordt door experts in plaats van door politieke meerderheden. Bovendien hebben Europese partijen nauwelijks worteling in maatschappelijke organisaties of onder burgers.

Maar in dat zelfde hoofdstuk observeert Mair de opkomst van populistische partijen in Europa. Hierin zien we volgens mij juist de kracht van partijendemocratie. Want de onvrede die Mair observeert, tegen een elite die geen contact meer onderhoudt met de maatschappij, die geen verschillende oplossingen biedt, tegen een Europees democratisch deficiet en die beleidsmaker probeert te isoleren van de samenleving, vindt uiting in populistische partijen. En zo organiseert de partijendemocratie haar eigen correctiemechanisme. Ook populisten doen met partijen mee aan verkiezingen om zo de stem van het volk te laten horen. Partijendemocratie betekent niet de organisatie van de politiek door de huidige partijen, juist de opkomst van nieuwe partijen en de ondergang van oude partijen is een belangrijk onderdeel van haar zelfcorrigerend vermogen.

Eindoordeel

Het is eigenlijk onmogelijk om een eind oordeel te geven voor een onvoltooid boek, maar het is mijn indruk dat Mair te cynisch is over de ontwikkelingen in de partijendemocratie. De ondergang van politieke partijen, kortom die Mair observeert, is volgens mij onterecht. We zien kritische burgers die misschien minder hebben met de huidige partijen, maar een partijenstelsel dat ruimte biedt voor nieuwe partijen.

Wilders moet tot zeven tellen

Gisteren bezocht Marine Le Pen Geert Wilders in Den Haag. Ze kwamen bij elkaar om te werken aan een Europese beweging die een vuist moest maken tegen Brussel.

Naast het Front National, is Wilders langs geweest bij het Vlaams Belang, die al langer goede contacten onderhoudt met zowel de FN als de PVV. Eerder bezocht Widers Heinz-Christian Strache van de Freiheitliche Partei Österreichs en Robert Maroni van de Italiaanse Lega Nord. Deze rechts-populistische partijen hebben allebei al eerder geregeerd. Het meest opvallende bezoek tot nu toe was dat aan Jimmie Åkesson van de Sverigedemokraterna. Deze partij heeft namelijk tot midden jaren ’90 banden gehad met nazistische organisaties.

Dit lijkt een veel belovend begin van een extreem-rechtse fractie in het Europees Parlement. Er is alleen één probleem: de regels van het Europees Parlement vereisen dat een fractie bestaat uit ten ten minste vijfentwintig leden uit ten minste zeven deelstaten.

Dat eerste is waarschijnlijk geen probleem: Het Front National zou volgens de laatste peilingen misschien wel 24% van de Franse stemmen halen voor het Europees Parlement. Dat betekent ongeveer 18 zetels. Tel daarbij de zetels op van Wilders op: die volgens de laatste landelijke peilingen genoeg stemmen zou halen voor vijf zetels. De FPÖ laatste landelijke uitslag vorige maand zou doorvertaald vier zetels opleveren. Het Vlaams Belang heeft het wat lastiger maar hun 7% in de laatste landelijke peilingen levert één zetel op. De 4% die de Lega Nord in peilingen haalt is goed voor drie zetels. De SD halen ongeveer 9% in de laatste landelijke peilingen: genoeg voor twee zetels. Samen is dat 33 zetels.

Het probleem zit hem in de zevende partij. Niet dat er niet genoeg rechtse Euroskeptische partijen in Europa zijn, maar het is de vraag of zij met Wilders en Le Pen in een groep willen. Naast de groep van de PVV en FN zal er namelijk ten minste een andere groep op zoek zijn naar leden: de Europese Conservatieven en Hervormers rondom de Britse Conservatieve Partij. Deze Euroskeptische club moet ook uit zeven landen leden halen -dat haalde ze in 2009 ook, maar een aantal van die deelnemende partijen zal nu uit het EP verdwijnen. De ECR is voor veel partijen aantrekkelijker omdat deze groep bestaat uit gevestigde regeringspartijen. Welke mogelijkheden zijn er voor Le Pen en Wilders? Laten we eens kijken:

  • De Dansk Folkeparti is de meest waarschijnlijke zevende partij. De Denen zijn waarschijnlijk goed voor twee zetels. Deze partij is al jarenlang een voorbeeld voor de PVV maar ook voor de Sverigedemokraterna. De Nederlandse gedoogconstructie was ‘made in Denmark’. In het verleden speelde de PVV al eerder met ideeën over samenwerking met deze partij. Tegelijkertijd hebben de Denen wel afstand gehouden van radicaal-rechtse partijen: ze weigerden om hun Zweedse zusterpartij te steunen. Wil deze Deense partij zich definitief vestigen in het centrum van de politieke macht dan kan zij geen band met extreem-rechts hebben.
  • Dan zijn er de Perussuomalaiset, de Ware Finnen, die waarschijnlijk kunnen rekenen op 2 of 3 zetels. Deze populistische partij heeft in de laatste jaren sterk geprofiteerd van de weerstand in Finland tegen de steun aan de Griekse economie. Deze partij deelt echter de anti-Islam en anti-immigratiestandpunten van de PVV en FN niet.
  • De Duitse anti-Europartij Alternative für Deutschland stond bij de Duitse parlementsverkiezingen op de drempel van het Duitse parlement. Ook bij de Europese verkiezingen hanteert Duitsland een 5% kiesdrempel, maar die zou de AfD bij Europese verkiezingen nog best kunnen doorbreken. Het taboe op extreem-rechts is in Duitsland alleen zo groot dat ik het onwaarschijnlijk acht dat deze fractie zich bij een fractie aansluit die rechtser is dan de ECR.
  • Net als Duitsland heeft ook Griekenland een partij die ontstond door de Griekse begrotingscrisis. De rechtse anti-bezuinigingspartij, Ανεξάρτητοι Έλληνες, onafhankelijke Grieken. Het is lastig voor te stellen dat de PVV zou gaan samenwerken met een club die juist de Griekse belangen verdedigt.
  • De Britse UK Independence Party, die door gisteren door Wilders en Le Pen genoemd werden, profileert zich expliciet als een libertaire anti-racistische partij. Op basis van nationale peilingen zou de partij 8 zetels halen; dit kunnen er waarschijnlijk meer worden. Deze Euroskeptische club wil zich verre houden van alles wat rechts-extremistisch is. Immers willen zij in het Britse stelsel zetels winnen dan moeten ze een meerderheid in een district overtuigen. Een alliantie met extreem rechts zou kiezers kunnen afschrikken.
  • Groot-Brittannië biedt ook de British National Party. Deze partij was tot recent expliciet racistisch en beperkte het lidmaatschap van de partij tot ‘echte’ Britten. De vraag is of het voor de PVV en het Front National nodig is om zo ver rechts te gaan om twee zetels op te halen. Datzelfde geldt voor de expliciet antisemitische partij Jobbik uit Hongarije (waarschijnlijk 3 zetels) en Ataka uit Bulgarije (waarschijnlijk één zetel) en de Gouden Dageraad uit Griekenland (mogelijk twee zetels), waarvan leden verdacht worden van geweld met dodelijke afloop.

Het kan er net op hangen: een Euroskeptische fractie in het Europees Parlement. De meeste logische variant is FN-PVV-FPÖ-Vlaams Belang-Sverigedemokraterna-Lega Nord-Dansk Folkeparti. Maar als de Denen weigeren, dan zijn eigenlijk alleen de Waren Finnen een optie. Het zou nog wel eens kunnen dat ‘regeltjes van een miezerige Brusselse Eurocraat’ Wilders’ droom in de weg zit.