Halsema’s Hyperconsumptie, Haast en Hufterigheid IV: Keeping up with who?

Een van de sociale mechanismes die volgens Halsema onze hyperconsumptie aan drijft is wat "keeping up with the Joneses" genoemd wordt (Halsema, 2008:25): mensen consumeren meer en meer om de consumptie van hun buren bij te houden. Er valt op dit principe een boel af te dingen van uit diep groen en fel roze perspectief.

In haar The Overspent American (1998) schetst Juliet Schor een ander beeld: de hyperconsumptie van der Amerikaan kan worden verklaard door een verandering van de "comparative focus". Waar eerder mensen zich inderdaad vergeleken met de buurman en deze bij wilden houden, vergelijken hedendaagse Amerikanen zich met de "rich en shameless". Om hun status te verbeteren proberen de Amerikanen de gelukkige mensen van reclames en de rijke mensen die getoond worden op televisie bij te houden. Dat verklaart waarom mensen hyperconsumeren: gewone burgers proberen mensen bij te houden die ze niet bij kunnen houden.

Maar eigenlijk zijn zowel keeping up with the joneses als keeping up with the rich and shameless maar beperkte manieren om veranderingen in consumptieve trends uit te leggen. Als ik mijn buurman probeer te overtreffen en hij mij waar halen we dan onze inspiratie vandaan? Waar haalt de rich en shameless hun inspiratie vandaan? Bij de homo’s, zo stelt Cathy Crimmins in haar How the Homosexuals Saved Civilization (2004). Zij stelt de esthetische opvatting van homo’s de Amerikaanse hetero cultuur radicaal heeft beinvloedt. Crimmins ziet de volgende cyclus van trends: homo’s nemen trends die uit de mode raken bij hetero’s over als hun eigen "campy" trends. Hetero’s nemen vervolgens onbewust deze trends over als de laatste mode. Als deze dan weer uit raken begint de cyclus opnieuw. Deze cyclus komt overal terug: homo’s hebben allerlei mode trends geintroduceerd van spijker broeken met witte t-shirts uit de jaren ’80 tot de kaalgeschoren hoofden van de jaren ’00. Maar ook trendy voedsel als quiche en pesto zijn door homo’s aan de hetero wereld geherintroduceerd.

Maar wat heeft dit nou met (hyper)consumptie te maken? Het is te simpel om veranderingen van consumptie te leggen bij hoe buren met elkaar om gaan. Dat verklaart noch de overmatige consumptie noch de trends die we in consumptie patronen zien. Daarvoor moeten we kijken naar de rol van massa media en van celebrity culture, mensen die de Neighbours van TV proberen bij te houden. En naar homo’s. Het interessante is daarbij is dat geen hetero er homosexueel wil uit zien: niemand probeert de homo bij te houden, maar toch doet de hele Amerikaanse samenleving precies dat.

Halsema’s Hyperconsumptie, Haast en Hufterigheid III: Reactie

Mijn eerdere blogs over Halsema’s Geluk! hebben heel wat reacties op geleverd: van binnen en buiten de partij en van de top tot de basis van GroenLinks. Ik wil hier kort even reageren op de reacties, die met name zijn achter gelaten op mijn eerste bericht.

We hebben zo allemaal onze triggers. Ik heb dat bij politici die het over geluk hebben. Halsema en Harmen hebben dat bij Leo Platvoet. Misschien zou minder hyper en haast de discussie verbeteren. 

Wat is nou de reactie van Halsema die gedeeld wordt door Diederik en enige lezers van geencommentaar: ze stellen dat je vrijheid en geluk met elkaar kan verenigen. Het is opmerkelijk dat liberalen als Rawls (waar Halsema een paar jaar geleden nog zo lovend over schreef) denken dat dat niet kan. Mijn kritiek is dat Halsema het utilistische principe niet goed door zet. Als je je commiteert aan het utilisme dan kan je niet een groot punt maken van de paradox van het consumentisme en vervolgens zeggen dat de overheid mensen niet gelukkig kan maken. Dan is er een groter probleem (wereldwijde ongelijke verdeling van geluk) en dan moet de overheid meer mogen. Je verschuilen achter liberale principes, zoals Halsema, lost weinig op. Dat duidt er alleen maar op dat er andere goederen zijn dan geluk. Iets wat ik helemaal deel: daarom zou ik ook nooit een boek schrijven met de titel "geluk" terwijl het stiekem over liberale politiek gaat.

Een kleine P.S. over J.S. Mill, die door velen gezien wordt als een liberale utilist. John Stuart laat in veel van zijn schrijven zien dat het hem om meer gaat dan geluk. Zo stelde hij "It is better to be a human being dissatisfied than a pig satisfied; better to be Socrates dissatisfied than a fool satisfied". Schijnbaar waren ervoor hem ook goederen belangrijker dan simpel geluk.

Halsema’s Hyperconsumptie, Haast en Hufterigheid II: J.S. Mill

Ik wil komende tijd Femke Halsema’s Geluk door nemen op dit blog. Mijn eigen mening over het essay is gemengd.Ik wil hier laten zien dat zelfs filosofen die utilisme en liberalisme mengen een ander perspectief zullen hebben op "hyper"-consumptie, dan Halsema. Halsema deelt haar ambigue relatie ten opzichte van het utilisme en het liberalisme met J.S. Mill. Hij vormt als filosoof de brug tussen utilisme en (links-)liberalisme. Daarom is het interessant om vanuit het licht van zijn On Liberty te kijken naar haar Geluk!

Voor J.S. Mill staat geluk centraal. Hij streeft naar een samenleving waarin iedereen gelukkig is. Maar zoals Halsema beseft hij zich dat de overheid daar niet voor kan zorgen. De maximalisering van geluk is gebaat bij een maximale culturele vrijheid. J.S. Mill verzet zich tegen een conformistische, traditionele cultuur en stelt daartegenover dat mensen alles moeten kunnen doen zolang zij anderen maar niet schaden. De onderliggende verdediging is utilitisch: er is nog niet een levenswijze gevonden waarvan iedereen ultiem gelukkig wordt. Het culturele klimaat kan daarom het beste experimenten in levenswijze koesteren, zodat we er ooit achter kunnen komen wat die ene goede levenswijze is (als hij al bestaat): vrijheid staat in dienst van geluk.

Halsema’s pleidooi lijkt mooi te passen in dit kader. In haar interne kritiek op het utilisme stelt dat zij er achter gekomen is dat bepaalde sociale processen (hyperconsumptie) niet goed zijn voor ons geluk. En dat "evangelie" komt zij nu verspreiden. Dan rijst de vraag: is het de rol van de politiek om uit te leggen hoe het niet moet? Karl Popper stelt van wel. Hij deelt J.S. Mill’s opvatting dat wij niet weten hoe we wel moeten leven, maar we weten steeds beter hoe het niet moet. Popper ziet een rol voor de overheid in het bestrijden van misstanden en leed. Dat kunnen we namelijk wel identificeren.

Maar ik meen dat zelfs een liberale utilist een andere kritiek op de hyperconsumptie centraal zou stellen. Voor Halsema staat de paradox van de hyperconsumptie centraal. Het geluk dat we na streven kunnen we niet bereiken. Een ander probleem van onze consumptie dat Halsema bewust niet in haar boek bespreekt, is echter voor utilisten veel groter. Halsema stelt dat er een bepaald inkomensniveau is waarop we genoeg geld hebben: dan maakt een extra euro niet gelukkiger. Veel mensen zitten daar ver boven, maar een boel mensen (in het Zuiden van deze aarde) zitten daar ver onder. Het leed dat we zouden kunnen bestrijden door inkomen van Noord naar Zuid te bewegen is veel groter dan het leed dat Halsema bestrijdt door ons te verlichten met haar theorie van geluk. Dat zorgt ervoor dat niet iedere euro gebruikt wordt om het maximale geluk eruit te halen: daarvoor zouden wij in het Westen minder moeten en hebben en "zij in het Zuiden" meer.

De utilistische principes die Halsema heeft roepen op tot een verder gaande herverdeling dan zij voorstaat in haar boek. Ook, ten minste dat zou ik stellen, zou het oproepen om minder navel te staren over hoe wij hier net iets gelukkiger kunnen worden en meer in te zetten op maximale totaal wereld van iedereen op deze planeet.

Halsema’s Hyperconsumptie, Haast en Hufterigheid I: Utilisme

Ik weet nu hoe Leo Platvoet zich gevoeld moet hebben. Jarenlang steun je een politieke partij en politiek leider waarvan je denkt dat ze dezelfde idealen delen. Maar dan blijkt de partijleider plotseling de ideologische bakens verzet te hebben, een nieuwe koers hebben ingezet. Ik ben een overtuigd liberaal en daarom lid van GroenLinks, immers "de laatste links-liberale partij van Nederland". Dan brengt Halsema "plotseling" een essay uit, waarin zijn een utilitische koers kiest. Al mijn liberale haren gaan overeind staan.

Ik wil komende tijd Femke Halsema’s Geluk door nemen op dit blog. Mijn eigen mening over het essay is gemengd: voor het utilitistische uitgangspunt ben ik allergisch maar veel van haar praktische voorstellen deel ik. Ik wil hier laten zien dat de utilistische uitgangspunten dan ook niet passen bij de (liberale) praktische voorstellen.

Utilisme is theorie voor politieke en individueel handelen.  Het stelt een hele simpele regel centraal: probeer met je handelen het totale geluk van de samenleving te vergroten. Het goed dat deze theorie centraal staat is geluk, dat moet gemaximaliseerd worden. Bij het utilisme gaat het om de uitkomsten van handelingen en niet om de bv. de intentie. De juistheid van een handeling wordt bepaald op basis van de hoeveelheid geluk die hij tot gevolg heeft.

Halsema toont zich in haar boek duidelijk een utilist. De centrale stelling in het eerste deel van haar boek is dat wij niet gelukkig worden van (hyper)consumptie. We schaffen van alles aan omdat we denken dat we daar gelukkig van worden.  Of we kopen marktproducten om onze individualiteit daarmee uit te drukken. Of om onze buren te imponeren met onze luxeproducten. Maar het geluk van onze aankopen is vaak kortstondig. We verlangen al snel naar iets nieuws. Of onze buurman koopt weer iets mooiers zodat we er overheen moeten. Of we komen er achter dat als iedereen door dezelfde marketing campagne met dezelfde kleren zijn individualiteit probeert uit te drukken. Kortom: van consumptie worden we eigenlijk niet gelukkig.

Sterker nog stelt Halsema, een hyperconsumptiesamenleving, als de Amerikaanse waar iedereen om daar gelukkig van te worden goedgemarkete statussymbolen koopt op lening, is instabiel en brengt de welvaart en daarmee het geluk in gevaar. Daar komen haast en hufterigheid nog boven op. Er zit volgens Halsema "een grote paradox verborgen in onze moderne Westerse economie en samenleving. We jagen op economische groei, materiele welvaart en luxe omdat we denken en hopen er gelukkiger van te worden. Tegelijkertijd vormen de bijbehorende verschijnselen van competitie, sociaal conflict en schaarste, stress en hufterigheid een serieuze bedreiging van ons geluk."  (Halsema, 2008:67)

Halsema stelt een alternatieve samenleving tegenover de huidige hyperconsumptiesamenleving. Een samenleving waarin niet welvaart maar welzijn centraal staat. In zo’n samenleving zijn de inkomens gelijkmatiger verdeeld, leveren we economische groei in om een rustigere, groenere, fijnere samenleving te hebben, en belasten we private rijkdom meer om publieke armoede te bestrijden. 

Halsema’s kritiek op de huidige samenleving is een interne kritiek vanuit het utilisme. We streven nu door consumptie geluk na maar diezelfde consumptiedrang brengt ons geluk in gevaar. Laten we daarom in onze samenleving geluk centraal stellen zodat we echt gelukkig worden. De kritiek is intern omdat Halsema het doel deelt: we moeten gelukkig worden.

Ik deel Halsema’s doel niet. Ik ben geen utilist, maar een liberaal. -Deels geinspireerd door Halsema zelf- heb ik mij laten inspireren door liberale denkers als Rawls, Dworkin en Van Parijs. Allemaal geen vrienden van het utilisme. En met goede reden. het levert een aantal contra-intuitieve voorstellen op. Een aantal daarvan opgenomen in Anarchy, State en Utopia van de rechtse liberaal Nozick.

Bijvoorbeeld: als iemand nou heel gelukkig wordt als hij iedereen in zijn omgeving een beetje ongelukkig zou maken? Als zo zou het totale geluk stijgen, zou een consequent utilist hem zijn gang laten gaan. Halsema schrikt echter weg van iemand als terror Jaap die best voor een miljoen euro wel wat kots naar een schoonmaakster wil gooien. Halsema ziet een beperktere rol voor de staat. Zij heeft niet de "illusie dat overheid en politiek mensen gelukkig kunnen maken. Politici kunnen gezinnen niet redden, huwelijken niet lijmen en andermans kinderen niet opvoeden" (Halsema, 2008:67-68). Maar als we de overheid grotere macht geven kan ze wel het geluk maximaliseren: de overheid kan LSD in het water stoppen of drugs vrijelijk verspreiden zoals in een Brave New World. Dat zou sterk bijdragen aan het geluk van iedereen. Halsema schikt echter weg van een echte utilistische overheid die geluk echt maximaliseert.

Dat duidt erop dat andere goederen als vrijheid, gelijkheid en burgerrechten veel belangrijker zijn dan geluk waar het gaat om ingrijpen van de overheid. De (liberale) opvatting van de overheid die Halsema voorstaat en haar utilistische cultuurkritiek zijn lastig met elkaar te verenigen. Halsema zet niet door in de consequenties van haar utilistische cultuurkritiek. Een consequente liberaal had een andere kritiek gehad op de hyperconsumptiesamenleving: over hoe die keuzevrijheid beperkt, middelen ongelijkheid verdeeld en het schade principe schendt.

PvdA tussen Aboutaleb en Vogelaar

Het aftreden van Vogelaar is geen teken van de kracht van de Partij van de Arbeid in het kabinet. Nadat Aboutaleb zich -onverwachts- terug trok uit het kabinet ontstaat nu een tweede vacature. De carriere ontwikkeling van Vogelaar en Aboutaleb laat een belangrijke trend zien in de manier waarop de PvdA in het integratiedebat staat.

Sraatssecretaris Aboutaleb maakt promotie door burgemeester van Rotterdam te worden. Een post die een prelude is op een belangrijkere post in de PvdA: "Obama aan de Maas". De gelijkenis met Obama gaat verder dan dat Aboutaleb populair en allochtoon is. Obama is zelf kritisch tegenover de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Aboutaleb ook zelf allochtoon, islamitisch en migrant, staat bekend om zijn "harde aanpak" en oproep aan allochtonen om zelf hun verantwoordelijkheid te nemen. Een echte community leader.

Daar staat Vogelaar tegenover. Ze stond al niet bekend vanwege haar sterke media optreden of haar sprekende beleidsresultaten. Maar wat haar het meest tegen heeft gehouden is haar softe, multiculturele, thee-drinkende imago. Eigenlijk was die Vogelaar die GroenLinks minister in het kabinet die we allemaal zo graag wouden: Vogelaar stond voor de dialoog van een goed opgeleide blanke vrouw met die migranten met hun interessante cultuur.

Misschien is het maar goed dat Vogelaar uit het kabinet vertrekt, dan kan de PvdA zich in zetten voor een integratiebeleid dat een derde weg vormt tussen Wilders’ kritiek op de Islam en Vogelaar’s goed bedoelde dialoog tussen allochtoon en autochtoon. Beide strategieen gekenmerkt door een white man’s burden met het probleem van migratie: een schuldgevoel in het geval van Vogelaar en een echte last die Wilders van allochtonen heeft. In plaats daarvan moet de PvdA bouwen op community leaders: migranten die hun peers aanspreken en voorbeeld geven van hoe je met twee paspoorten Nederlander en Marokaan kan zijn.

Lezen/Gelezen worden II

Stemmen is een persoonlijke aangelegenheid. Om twee redenen: ten eerste omdat de kandidaten personen zijn en ten tweede omdat iedereen zijn eigen overwegingen heeft om op een partij te stemmen. Die twee kruizen elkaar als je op een persoonlijkm -maar publiek toegankelijk- weblog je overwegingen uit elkaar zet. Kandidaten kunnen beledigd zijn over je overwegingen om niet op hen te stemmen. Zo schreef ik recent over mijn twijfel bij de waterschapsverkiezingen. De door GroenLinks gesteunde lijst Water Natuurlijk is voor mij te gematigd en de Partij voor de Dieren die ook mee doet, was voor mij moeilijk te steunen omdat de organisatie mij zwak leek, daar er twee mensen met dezelfde achternaam op de lijst stonden.

Op beide heb ik een reactie gekregen in het openbaar van Alex Meijer, landelijk projectleider van Water Natuurlijk en prive van Louis van Liere, #2 op de lijst van de Partij van Dieren.

Meijer probeert mij te overtuigen om toch op Water Natuurlijk te stemmen: de lijst is wel overwogen groen en heeft capabele bestuurders.

Van Liere roept mij op om beter onderzoek te doen naar personen voordat ik een oordeel over ze vel: hij roept mij op hen te googelen. Uiteraard had ik dat ook gedaan toen ik mijn weblog schreef. Dr. Louis "Lowie" van Liere is scheikundige en bioloog en werkzaam als onderzoeker bij het RIVM op het gebied van waterbeheer. Hij heeft vele publicaties op zijn naam staan op het gebied van waterecologie. Bram van Liere is filosoof en bioloog en op dit moment duo-commissielid bij de statenfractie van de PvdD in Noord Holland. Capabele academici met verstand van water en natuur dus.

Het is belangrijk om op te merken wat de claim was die ik maakte in mijn weblog: een organisatie die gebaseerd is op familieverbanden is geen sterke organisatie. Daarmee zeg ik niet dat de Van Liere’s ongeschikt zijn. Ik zeg dat ik weinig vertrouwen heb in een organisatie waarin familiebanden zo belangrijk zijn. Dr. Louis van Liere heeft mij niet kunnen overtuigen dat dit niet zo is.

Het verschil in de reacties tussen Water Natuurlijk en de Partij voor Dieren is tekenend voor de kracht van hun organisaties. Van Water Natuurlijk kreeg ik bijna meteen reactie van een campaigner. Een sterke inhoudelijke reactie die mij probeerde te overtuigen om de lijst van gematigde sportvissers te stemmen. Van Dr. Louis van Liere krijg ik veel later pas een reactie van hem zelf die het "via via" heeft gelezen. De reactie is er niet opgericht mij te overtuigen van wat dan ook, maar om zijn onvrede te uiten. Hiermee toont Water Natuurlijk zich wederom de sterkere, professionelere organisatie. Precies de claim die ik deed.

To amend or not to amend

Natuurlijk ben ik het met Christiaan eens dat het niet nodig zou moeten zijn dat we de verhalende toelichtende stukjes in het beginselprogramma zouden moeten amenderen. Met een congres kan je niet een betoog schrijven of een verhaal over het leven van Jan Zhou.

Een beginselprogramma moet echter geen betoog zijn of een levensverhaal.  Ik heb voortdurend gepleit voor een programma van het model PvdA, waarin er alleen "uitgangspunten" zijn. Immers een beginselprogramma is een set -scherp geformuleerde, intern breed gedragen- uitgangspunten. De toelichtende tekst  die er nu tussendoor zit, staat je toe minder scherp geformuleerde standpunten op te schrijven. Het vermindert de legitimiteit van een deel van het stuk, immers dat is niet besproken op het congres. Het ondermijnt het beginselprogramma als beginselprogramma: het wordt onduidelijk en niet breed gedragen. Het allerergst is het als zaken die voor de partij van belang zijn worden weggeschoven in deze teksten: de voorwaarden waaronder wij militaire interventie toe staan bijvoorbeeld zijn zo fundamenteel voor onze partij dat dat breed gedragen en scherp geformuleerd moet zijn. Niet ergens weggezet tussen flessen Zuid-Afrikaanse wijn en het levensverhaal van Jan Zhou.

Het moge duidelijk zijn dat ik de motie van Mieke steun. Ik heb hem immers ook ondertekend. Ik zou er zelf op uit zijn alle toelichtende tekst weg te amenderen. Mocht dat niet mogelijk zijn dan moet die tekst zo helder mogelijk worden geformuleerd een breed gedragen binnen de partij zijn, dat kan het best door het amendeerbaar te maken.

Maar er is nog een derde reden om voor Mieke’s motie te stemmen. Veel van de structuur van het programma is opgelegd. De verschrikkelijke titel, de voor kleuters geschreven kopjes, de keuze voor vier idealen, de keuze om internationale zaken en partijorganisatie overal en nergens bespreken. Al die keuzes zijn niet amendeerbaar, maar ook nooit ergens voorgelegd in de panels, de vele bijeenkomsten of een congres.

De internationalistische GroenLinksers verzetten zich al tegen het een ondergeschoven kind maken van internationaal beleid in een motie. Eigenlijk zouden zij willen amenderen maar dat kan niet. De fundamentele keuze: wat zijn de idealen van GroenLinks is nooit onderdeel geweest van de partijbrede discussie. Toen we de discussie begonnen zeiden de alchemisten van het wetenschappelijk bureau: het is toch duidelijk wij zijn voor ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid, culturele openheid en internationale solidariteit. Nu aan het eind van de discussie is dat getransformeerd naar "groen", "sociaal", "open" en "democratisch". Dat is allemaal gebeurd binnen de geheime laboratoria van het wetenschappelijk bureau: het is nooit aan de leden gevraagd welke 2/4/8/16 idealen zij nou centraal zouden willen stellen. Dat al dat soort beslissingen in dit "open proces" zonder discussie aan ons opgelegd worden. Dat roept natuurlijk weerstand op.

Als je een partij wilt waarin vertrouwen het van wantrouwen wint dan moet je ook wel je best doen om belangrijke beslissingen te maken op zo’n manier dat ze breed gedragen worden.   

Partijraad

Vandaag partijraad ik zal niet in gaan op alle rare dingen die naar voren zijn gekomen: zo bleek dat het partijbestuur de laatste keer niet in een overeenstemming met het huishoudelijk regelement is verkozen. Dus zijn eigenlijk alle beslissingen van het partijbestuur niet rechtmatig, maar ach.

Ik wil na denken over het voorstellen die Inti kort voorstelde. Hij stelt voor om van de partijraad het beste controle-orgaan te maken. Daarvoor moesten we volgens hem twee belangrijke hervormingen instellen: niet alleen maar plenair vergaderen maar juist in commissies beslissingen voor te bereiden en specifieke vragen te stellen. En daarnaast de partijraad te verkleinen en deels laten verkiezen door het congres: 30 zetels uit de afdelingen (dat worden dan grotendeels provinciale vertegenwoordigers) en 10 vanuit het congres.

Ik vind Inti’s inzet heel goed. Ik zou echter verder willen gaan waar het de verkiezingen betreft: alle partijraadsleden laten verkiezen door het congres. 40 vind ik dan ook een goed aantal. Die zou je dan niet allemaal in een keer moeten laten verkiezen, maar juist een jaarlijks instroom moment voor 10 leden. Om de banden met partijorganen als afdelingen en werkgroepen te laten bestaan zou ik hen het alleen recht willen geven om mensen te nomineren. Maar dan is het aan het congres om ze te verkiezen. Bij de verkiezing kan dan goed gekeken worden naar een gebalanceerde samenstelling waar het gaat om specialisaties en stromingen. 30 leden verkozen door afdelingen zou neer komen op gemiddeld 2-3 leden per provinciale afdeling. Gezien de kwaliteit van selectie en terugkoppeling in de gemiddelde provinciale afdeling lijkt me dat geen goed idee. Daarnaast, de partijraad neemt de functie van het congres tussen congressen waar: waarom zouden afdelingen dan iets met de selectie van dit gremium te maken moeten hebben?

Ik vind het wel een goed idee om te werken in commissies heel goed. Inti stelt ad-hoc commissies voor per agenda punt. Maar misschien is het een beter idee om een aantal vaste commissies vast te stellen: mensen die zich echt kunnen specialiseren. Er bestaat al een financiele commissie, die naar de begroting en jaarrekening kijkt. Dat zou kunnen worden uitgebreid, naar commissies voor andere belangrijke aspecten van de vereniging: de partijorganisatie, internationale organisaties, de procedures rond de selectie van kandidaten, het schrijven van programma’s en het voeren van campagnes. Dat zouden dan ongeveer 6 commissies zijn. Deze zouden dan enigszins overlappen met de zelf-geselecteerde klankboordgroepen die de bestuurders nu hebben. Inhoudelijke commissies vind ik lastiger omdat er al sterke inhoudelijke werkgroepen zijn. Ik denk dat ‘t beste zou zijn om 5 commissies in stellen: voor milieu, sociale, binnenlandse, buitenlandse en economische zaken. Met daarin dan mensen uit verschillende inhoudelijke werkgroepen.

Blijf dromen over een betere wereld/partijraad

Fact and Fiction: Obama wint, net als Santos

De Amerikaanse verkiezingen waren voor mij heel voorspelbaar: immers ik had alles al gezien op de West Wing. Daar waren in 2006 al verkiezingen tussen een oude gematigde Republikein en een jonge visionaire Democraat.

Ze hadden het op een boel dingen juist: de fictionele Santos en echte Obama zijn allebei

  • visionair en hoopvol
  • uitermate slim en getalenteerde politici
  • jong en onervaren
  • religieuzer dan gemiddelde Democraat
  • lid van een ethnische minderheid
  • en vader van een jong gezin met twee kinderen.

De fictionele Vinick en de echte McCain zijn allebei

  • oud en ervaren
  • fiscal conservative
  • niet uitermate religieus
  • onafhankelijke "mavericks"
  • en onvoorspelbaar

Santos en Obama stonden voor een programma met als belangrijke onderdelen groene innovatie en  gezondheidszorghervorming; McCain en Vinick stonden voor belastingverlagingen.

Maar de gelijkenissen gaan verder: Obama werd kandidaat na een heel spannende primary, Santos ook. Ze namen het beide in primary op tegen twee kandidaten: een persoon die heel dicht tegen de laatste democratische president aan stond (VP en First Lady) en een kandidaat die door schandelen achtervolgd werd. Vincik en McCain wonnen veel makkelijker en daar was het een religieuze conservatief die het tegen McCain op namen. Obama en Santos kozen een (rooms-katholieke) vice-president die hem kon helpen regeren. Vinick en McCain een religieuze conservatieve gouverneur die hem kon helpen de verkiezingen te winnen.

Maar de gelijkenissen lopen nog verder in dingen die je moeilijker kan voorspellen: Vinick verloor de verkiezingen omdat hij gekoppeld werd aan een crisis (een kerncentrale die explodeerde) McCain omdat hij gekoppeld werd aan de economische crisis. Deze crisissen waren game changers in het voordeel van de Democratische kandidaat.
Klein detail: vlak voor de verkiezingen overleed een persoon die belangrijk was voor de Democratische kandidaat (Obama’s oma en Santos’ running mate) waardoor het begin van de transition in rouwstemming waren.
Een van de opvallendste gelijkenissen is dat Santos’ White House Chief of Staff (Josh Lyman) gebaseerd zou zijn op de echte White House Chief of Staf van Obama (Rahm Emanuel). Overigens zeggen andere bronnen dat Democratische campaigner/pundit Paul Begala de inspiratie voor Lyman was wat ik waarschijnlijker vindt omdat ze aeen jeugdig-brutaal gevoel voor humor delen.