Schrijven, lezen en gelezen worden

Op de middelbare school had ik een lerares Duits. Toen een mede-leerling een uitermate ironische spreekbeurt deed, kwam de ironie niet bij haar aan. Ze stelde voor om voortaan bij ironisch bedoelde opmerkingen door middel van een teken de ironie duidelijk te maken. Ik moest aan mijn lerares Duits denken bij de reactie van Halsema. Waar ironie en humor soms moeilijk te herkennen zijn als iemand het zegt, is het nog moeilijker te herkennen als iemand het schrijft. Als je alleen maar de getypte woorden hebt kan iedereen het zo opvatten als hij of zij wil. Je eigen gemoedstoestand kan dan veel bepalen: een grappige opmerking of zelfs een welwillende commentaar kan opgevat worden als een belediging. Ik heb zelf op wikipedia (waar ook vaak nog een dubbele vertaalbarriere is) dat regelmatig gezien. Wat Halsema als "nogal negatief en een tikkie aanmatigend" beschrijft, was bedoeld als een over the top uiting van mijn eigen nieuwsgierigheid. Ik vind eerlijk gezegd dat er een aantal mooie verwijzingen in zitten. De meest beledigende zin "Femke, ben jij overgestapt naar de Libelle?" is zo overgenomen uit Halsema’s eigen mond, die zo een GeenStijl verslaggever te woord stond. "Liberaal paternalisme" is een  term die door Dick Pels gecoind is voor een soort van dialektische overbrugging tussen liberalisme en paternalisme, dat mensen bewust wil maken van hun eigen keuzes. Daarnaast, nogal negatief? Ik noem Halsema’s uit te komen boek de enige "creatieve bijdrage aan de toekomstdiscussie".

Een belangrijker punt is echter dat toen ik dit weblog begon het nooit de bedoeling was gelezen te worden. Ik wou een manier hebben om snel bepaalde ideeen die ik had uit te schrijven: kleine politieke puzzeltjes uit werken, speculeren over dingen waar ik geen verstand van heb, mijn eigen mening scherpen door ze op te schrijven, politicologische proefballonetjes oplaten. Het was niet de bedoeling dat veel mensen die lazen noch de bezoekers van Sargasso, noch Femke Halsema of Tofik Dibi, noch Barack Obama for that matter. Ik schrijf zeker niet met het besef dat de mensen over wie ik schrijf het lezen.

Ik vraag me af of ik met dit besef moet gaan schrijven: dat mensen daadwerkelijk lezen wat ik schrijf. Ergens speelt dat besef in mijn achterhoofd wel een rol, maar bijvoorbeeld meer in de vorm van een hypothetische werkgever die mij zou googlen. Om die reden heb ik mij niet gemengd in de discussie over slow sex, die volgens mij geen gebalanceerde analyse gaf van goods en evils van pornografie. Of in de vorm van een arme planeetgroenlinks doorskimmer die geen zin heeft om ellelange teksten van mij over allerlei onzin door te moeten scrollen.

P.S. Femke, ik heb net een aanstelling gekregen om een boek te schrijven/promotie onderzoek te doen binnen drie jaar. Vraag mij ‘t daarna maar nog een keer…

A Note on the Nature of Socialism

Ik denk dat je socialisme op vier manieren kan begrijpen. Er zijn, volgens mij 4 soorten socialisme:

  • socialisme als democratische planning: een economie in dienst van de gemeenschap
  • socialisme als arbeiderzelfsbestuur: bedrijven waar arbeiders bevrijd zijn van kapitaalbezitters
  • socialisme als herverdeling: een samenleving zonder economische ongelijkheden
  • socialisme als verlichting: een samenleving van bevrijdde individuen

Ik zal hier kort uiteen zetten wat deze interpretaties van het socialisme inhouden om vervolgens uit te leggen wat hun rol binnen GroenLinkse politiek is.

Socialisme als democratische planning

De meest klassieke manier om socialisme te begrijpen is als overheidsbezit van de productiemiddelen. De overheid staat in dienst van de gemeenschap en wordt aangestuurd door diens vertegenwoordigers. Dit stelt de de gemeenschap in staat om bepaalde macro-economische doelen na te streven: werkgelegenheid, economische groei, stabiliteit etc.

Dit type socialisme is cruciaal in de Marxistische traditie. Marx zag een geplande economie als de volgende stap in de geschiedenis na de chaos en instabiliteit van het kapitalisme. Lenin heeft dit in de Sovjetunie is dit in de praktijk gebracht. Maar overheidsbemoeienis in de economie was ook een belangrijk onderdeel van de planningstraditie binnen de sociaal-democratie, denk maar aan het Plan van de Arbeid van de SDAP, deels geinspireerd op de liberale econoom Keynes.

Deze opvatting van socialisme staat in contrast met het kapitalisme omdat in het kapitalisme de productiemiddelen in handen zijn van een beperkte groep: "de bourgeoisie". De economie staat in dienst van deze beperkte groep en niet van de gehele gemeenschap.

Achter deze opvatting ligt een opvatting van vrijheid en gelijkheid. Vrijheid is hier als collectieve soevereiniteit: in een zelfbesturende gemeenschap daar ben je echt vrij. Gelijkheid wordt hier opgevat als gelijke participatie in democratische besluitvorming. De ongelijkheid van het kapitalisme die wordt veroordeeld is dat daar sommigen niet participeren in besluitvorming over zaken die hen wel aan gaan.

Socialisme als arbeiderszelfbestuur

Een belangrijke tegenstroming in het socialisme, is de stroming die een nadruk legt op arbeiderszelfbestuur. Het idee hier is dat niet de staat de economie plant maar dat arbeiders zelf, vrij van het tyrannieke bestuur van kapitaalbezitters, zelf hun eigen productieve activiteiten organiseren. De productiemiddelen zijn in handen van de arbeiders die hier zelf vrij over beschikken. Er is nog steeds een markt waar de zelfbestuurde bedrijven hun producten op afzetten.

Binnen het syndicalisme en het anarchisme speelt zelfsturing een grote rol. In socialistisch Joegoslavie was dit, gedeeltelijk, in de praktijk gebracht. Ook bij voormalige Marxisten die meer vertrouwen hebben gekregen in het marktmechanisme, zogenaamde marksocialisten komt het idee van zelfsturing terug. In het Westen is door corporatisme en medezeggenschap een halfslachtige vorm van arbeiderszelfbestuur in stand gebracht. In sommige bedrijven, workers´ cooperatives, is het echter wel helemaal ingevoerd.

Dit type socialisme staat tegenover het kapitalisme op een zelfde manier als "socialisme als democratische planning": er is een machtsongelijkheid tussen arbeiders en bezitters. Arbeiders zijn "loonslaven", die gedwongen zijn zich op de markt te verkopen aan bezitters. Dit is een vorm van vervreemding: de mens wordt vervreemd van zijn aard als homo faber omdat hij behandeld wordt als een machine die weinig bevredigend werk moet doen voor een ander. Deze positie kan worden opgeheven door van arbeiders bezitters te maken.

Het zijn veel "liberalere" noties van vrijheid en gelijkheid die hier terug komen: de arbeiders is onvrij omdat hij gedwongen wordt te werken, waar werken inhoudt dingen doen die je anders niet zou doen. De vrijheid die hier verdedigt wordt is dan ook negatieve vrijheid: de dwang van kapitaalbezitters moet worden afgeschaft. Het type gelijkheid dat onder deze opvatting van socialisme ligt is gelijkheid als gelijk vermogen om vorm te geven aan het eigen leven. De machtsongelijkheid tussen bezitters en arbeiders is onrechtvaardig omdat arbeiders niet in staat zijn om vorm te geven aan het eigen leven.

Socialisme als inkomensherverdeling

Veel hedendaagse linkse, socialistische politiek draait niet zo zeer om de verdeling van productiemiddelen maar om het middel om te consumeren: inkomensherverdeling. Socialisme wordt gereduceerd tot het ongelijker maken van verschillen in inkomens: het bestrijden van `exhibitionistische´ zelfverrijking aan de top en het bestrijden van abjecte armoede aan de onderkant.

Als de hedendaagse Westerse verzorgingsstaat in één ding goed is dat het herverdelen van inkomen: progressieve belastingen, overheidspensioenen, sociale verzekeringen en uitkeringen. Alhoewel armenbelastingen in een lange religieuze traditie hebben (Zakaat in de Islam bijvoorbeeld), is het idee van de verzorgingsstaat ontwikkelt als een middel om het socialisme tegen te houden door conservatieven, bijvoorbeeld door Bismarck, die tussen 1883 en 1889 in Duitsland een aantal sociale ingrepen zoals een overheidspensioen instelde. Tijdens de grote depressie en de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog zijn deze stelsel in heel Europa vaak door sociaal-democraten ingevoerd. Links-liberale filosofen als John Rawls hebben veel gedaan om inkomensherverdeling te rechtvaardigen.

Dit type socialisme ziet het kapitalisme als onrechtvaardig omdat het een ongelijke inkomensverdeling instand houdt en versterkt. In het kapitalisme kunnen mensen die inkomen van hun ouders erven, die harder werken en beter getalenteerd zijn dan anderen meer inkomen verdienen dan mensen zonder erfenissen, (ontwikkelde) talenten of werklust. Zij worden tot abjecte armoede veroordeeld. Armoede ontzegt mensen een fatsoenlijk bestaan.

Dit socialisme beschouwt vrijheid als middelen én rechten. Rechten zonder de middelen om die rechten te gebruiken is betekenisloos. Iemand kan wel het recht hebben om een brood te kopen, maar zonder inkomen heeft hij nog niet de vrijheid om een brood te kopen. Gelijkheid wordt dan begrepen als inkomensgelijkheid, of ten minste een minimum-inkomen dat een maximale hoogte heeft (volgens Rawlsianen).

Socialisme als verlichting

Veel socialisten vinden het herverdelen van inkomen niet genoeg. Zij menen dat het socialisme een verandering van de menselijke natuur moet inhouden. De egoistische mens van het kapitalisme zou moeten worden vervangen door de verlichte, altruistische nieuwe mens van het socialisme. In mindere mate komt dit ideaal terug in het cultuursocialisme dat door onderwijs probeert de gewone man te verheffen, en zo probeert een bepaald beschavingsideaal aan de samenleving wil opleggen.

Het idee om een nieuw soort superieure mens te creeeren behoort niet per se tot het socialisme, het komt terug bij nihilist Nietszche, proto-socialist Rousseau en Christelijke denkers als Spinoza. Dit maakbaarheidsideaal heeft echter wel een grote invloed gehad op het socialisme. Het gaat in principe terug op Marx die geloofde dat de cultuur bepaald wordt door de economische verhoudingen. Als de productiemiddelen in de handen zouden komen van het proleriaat zou, als van zelf, de egoistische cultuur van het kapitalisme ook verdwijnen. Een liberale sympathisant van het socialisme, J.S. Mill meende echter dat een socialistische economie niet kon zonder een nieuw soort arbeider: de arbeiders moesten worden opgevoed, verlicht, verheven.

In de Europese sociaal-democratie keert dit soort denken terug als "cultuur-" of "intellectuelensocialisme", waarvan Jacques de Kadt, Ds. Jan Buskes en Hendrik de Man exponenten in de Nederlandsen zijn In de SDAP en de PvdA hebben dit soort cultuursocialistisme bij vlagen een vruchtbare bodem gevonden (zie Kalma (1994) en dit artikel over het Instituut voor Arbeidersontwikkeling).

Echter dit idee dat het socialisme niet zo zeer een economische maar een culturele revolutie moet zijn vinden we ook op andere plekken: denk aan Mao‘s culturele revolutie, waar de laatste elementen van de bourgeoisie cultuur vernietigd hadden moeten worden. Of de sociale revolutie van 1968 die de verhoudingen tussen man en vrouw, homo en hetero, jong en oud en burger en bestuurder, radicaal veranderde. In Nederland was het Nieuw Links die deze beweging leidde. Maar ook in de hedendaagse Third Way keert dit op een bepaalde manier terug. De Derde Weg streeft niet zo zeer naar eerlijke inkomensverdeling of een zorgzame overheid maar wilt mensen door onderwijs voor bereiden op het leven in een dynamische arbeidsmarkt en een open maatschappij. Anthony Giddens wilt niet de overheid mensen hun levenlang beschermt maar dat de overheid hen leert zichzelf te beschermen: empowerment.

Deze opvatting is kritisch over "cultuur van het kapitalisme" die door egoisme en ongelijkheid wordt gekenmerkt, die pateriarchale, autoritaire maatschappelijke instellingen instandt houdt of afhankelijkheid en slaafsheid koestert.

Al deze verschillende visies van socialisme delen een zelfde soort idee van vrijheid: positieve vrijheid. Positieve vrijheid ziet vrijheid als rationaliteit. Pas als mensen bevrijdt zijn onredelijke angsten, beperkingen en opvattingen is een mens echt vrij. Het is arbitrair wat mensen dan onredelijk vinden. Voor klassieke socialisten, van Marx, via De Man tot Mao zijn egoisme en superioriteitgevoelens onredelijk (voor Nietszche zijn dit juist de redelijke gevoelens). Voor de activisten van 1968 worden mensen beperkt door verouderde ideeen als racisme, paternalisme en gezagsgetrouwheid. Derde Weg socialisten als Giddens willen mensen bevrijden van de afhankelijkheid van de overheid, en in staat stellen om zelf beschikking te nemen over het eigen leven. De linkse, socialistische, stromingen willen mensen dus bevrijden van ongelijke sociale verbanden, van gevoelens van afhankelijkheid en inferioriteit. Hier komt gelijkheid dus terug als "equal respect".

& GroenLinks
Wat heeft een GroenLinkser nou aan al dit commentaar op het socialisme? De eerste twee vormen van socialisme zijn grotendeels afwezig binnen GroenLinks. Arbeiderszelfbestuur is al sinds midden jaren ´70, in mijn ogen onterecht, uit bij de Nederlandse progressief-linkse intelligentsia. GroenLinks houdt houden zich, anders dan de SP, ook niet veel bezig met de centrale rol van de overheid in het sturen van de economie. Misschien alleen om milieu problemen op te lossen, maar zelfs daar hebben we vaak vertrouwen in marktwerking. Herverdeling en verlichting blijven dan over. Halsema zei hier in een campagnefilm in 2003 over:

"In Nederland heeft socialisme steeds meer de smalle betekenis gekregen van zorgen dat de verschillen in inkomens kleiner worden -dat is overigens belangrijk- maar dat is maar een beperkte uitleg van socialisme, want socialisme gaat uiteindelijk om vrij wording van mensen. Je zorgt dat de inkomensverschillen kleiner worden; je zorgt dat de armoede het liefst afwezig en in ieder geval zo klein mogelijk is, zodat mensen meer mogelijkheden hebben, meer van hun leven kunnen maken, en dat is altijd meer dan alleen een groter huis kunnen kopen. Het is altijd meer dan een auto aan kunnen schaffen. Het is keuze mogelijkheden kunnen hebben. Je leven in kunnen richten zoals je dat eigenlijk graag zou willen."

Ze kiest hier dus, wel overwogen voor een ideaal van socialisme herverdeling: het recht om je leven in te richten zoals jij dat wilt moet komen met de middelen omdat ook te kunnen. Echter prominente  GroenLinks denkers als  Dick Pels, Evelien Tonkens, maar ook, naar alle verwachting Halsema zelf in haar diepgroene cultuurkritische manifest, neigen allemaal naar een veel cultuursocialistischere opvatting van linkse politiek. Hun opvatting van rationaliteit is niet dezelfde als die van Marx, De Man of Mao. Deze is vrijzinnig en vooruitstreven, en is, in het geval van Tonkens vermengt met een interessante vorm van ironie. Het doel lijkt te zijn een ideaal van het goede leven op te leggen aan burgers. Kijk maar naar het nieuwe beginselprogramma, dat zich verzet tegen een consumentistische cultuur en zich inzet voor geengageerd burgerschap. Dat lijkt me dus recht-tegenover: "Je leven in kunnen richten zoals je dat eigenlijk graag zou willen." te staan

Ondertussen: Dat andere boek

Vandaag in de Volkskrant, ergens weggestopt in stukje over wat Femke Halsema zoal leest:

"Zojuist heeft ze de laatste hand gelegd aan een boek dat kritiek uit op het streven naar geluk via consumptie. Het krijgt als ondertitel: voorbij de hyperconsumptie, haast en hufterigheid. Halsema: "Ik denk dat ik de publicatie even uitstel. Het lijkt me wat ongelukkig om nu te komen met een boek dat Geluk heet."

Ik begin me af te vragen of dit "boek" wel bestaat. Sinds eind vorig jaar zoemen de ideeen van dit boek binnen en buiten GroenLinks. We mogen ervan Femke niet te veel over schrijven voordat we het gelezen hebben. Dus heb ik gewacht met mijn liberale kritiek op deze diepgroene cultuurkritiek. Het zou in de lente uit zijn, voor de zomer, vervolgens op het zelfde moment als het beginselprogramma (nee, dat is goede timing!) en nu dus waarschijnlijk when hell freezes over. Wat ik gehoord heb, had Halsema’s bijdrage een van de weinig innovatieve, creatieve bijdrage aan de toekomstdiscussie kunnen zijn. En in het concept-beginselprogramma ademt gelukkig hier en daar al wat van de gezellige-jaren-’50 moralistische, o-zo-liberale paternalistische cultuurkritiek op hoe mensen hun eigen leven in richten.

Een ding kan ik nu al zeggen: Geluk? Femke, ben jij overgestapt naar de Libelle? Een politicus die zich liberaal noemt zou zich ver moeten houden van het aan mensen uitleggen hoe ze gelukkig moeten worden. J.S. Mill schreef er al over in On Liberty: een liberaal stelt mensen zelf in staat om zelf te bepalen hoe ze gelukkig worden. Een liberaal creeert een samenleving waar mensen de ruimte hebben om hun eigen idee van het goede leven in de praktijk te brengen, waar ruimte is voor experimenten en difference. Die gaat niet aan mensen uitleggen hoe ze hun leven moeten inrichten.

Eerlijk gezegd: dat steeds-nog-maar-niet-uitgekomen boek van Halsema begint een beetje op de  flutna van die blonde politicus te lijken. Dat kan dus alleen maar tegen vallen …

GroenLinks zonder Duyvendak: hoe zo milieu partij?

De onnodig en tragische kwestie Duyvendak legt een opmerkelijk probleem aan het licht: er zijn geen prominente groene gezichten binnen GroenLinks behalve Duyvendak. Wijnand Duyvendak blijkt onvervangbaar te zijn als milieuwoordvoerder. Zonder Duyvendak is GroenLinks eigenlijk weinig meer dan een progressief-linkse partij, zonder groene gezichten en specialisten.

Als je kijkt naar de andere zes leden van de huidige fractie, dan zie je alleen maar mensen met een interesse in de publieke sector, multiculturele samenleving, de sociale kanten van de economie en buitenlands beleid.

  • Femke Halsema, de fractievoorzitter, is criminologe en was eerder woordvoerder op het gebied van justitie, migratie, cultuur en zorg. Het is onwaarschijnlijk dat Halsema, als fractievoorzitter, Duyvendak’s portefeuille overneemt, haar laatste uitstapje naar donker-groene cultuur-kritiek daar gelaten.
  • Kees Vendrik (politiek econoom) is een politieke duizendpoot: woordvoerder financien, economie en ontwikkelingssamenwerking, eerder ook (hoger) onderwijs en zorg. Hij zou een deel van Duyvendak’s portefeuille kunnen overnemen.
  • Mariko Peters (internationaal juriste/diplomate)is een uitermate sterke en capabele buitenland woordvoerder (BuZa, EU en OS), maar heeft weinig ervaring op het gebied van milieu. Doet ook al cultuur & media.
  • Ineke van Gent (vakbondsvrouw) is altijd erg betrokken geweest bij mensen aan de onderkant van de samenleving, als woordvoerder sociale zaken, dat ze combineert met een interesse in huisvesting, overheidsorganisatie, emancipatie, arbeid & zorg, de antillen, en veel recenter voor landbouw en dierenwelzijn. Zij zou een deel van Duyvendak’s portefeuille kunnen overnemen.
  • Naïma Azough (cultuurjournaliste) houdt zich bezig met migratie en veiligheid (politie, AIVD en justitie). Eerder hield zij zich ook bezig met cultuur, zorg, welzijn en integratie.
  • Tofik Dibi (student cultuur & media) het jonge gezicht van de fractie, dat zich bezig houdt met onderwijs, integratie en jeugdzaken.

Milieu was het rijk van Duyvendak, die zich daarnaast ook/daarom bezig hield met energie,  luchtvaart, verkeer, milieu, klimaat en water, ruimtelijke ordening, bestuurlijke vernieuwing. Geen van de andere kamerleden heeft een bijzondere affiniteit met milieu.

Duyvendak zal worden vervangen door Jolande Sap, een sociaal-economisch specialist, die zich in het verleden heeft bezig gehouden met levensloopbeleid, inkomensbeleid en feministische economie. Het is dus onwaarschijnlijk dat zij Duyvendak’s portefeuille in het geheel zal erven. Wat veel waarschijnlijker is, is dat de portefeuilles geherschikt worden, een soort cabinet reshuffle, maar dan ik het klein.

Een toegevoegde complicerende factor is dat Peters voor drie maanden op zwangerschapsverlof zal gaan en vervangen moet worden, Sap was origineel gepland voor die positie, als volgende op de lijst. Nummer 9 op de lijst is Matthieu Heemelaar, die zich profileerde als RozeLinks-kandidaat met een achtergrond in de wereld van diversiteit, veiligheid, en onderwijs.

Let wel: de rest van dit blog is wilde speculatie, zonder enige fundering in de werkelijheid

Er zijn dus 7 woordvoerderschappen die verdeeld moeten worden: energie,  luchtvaart, verkeer, milieu, klimaat en water, ruimtelijke ordening, bestuurlijke vernieuwing.

  • Vendrik is een waarschijnlijke keuze voor energie. Dan zal daar ook wel klimaat en water bij komen.
  • Luchtvaart en verkeer passen Van Gent goed. Zij kan het opnemen voor een schoon, goed en goedkoop openbaar vervoer.
  • Ruimtelijke ordening. Ligt dan zo’n beetje tussen Van Gent en Vendrik in: Beide hebben (in dit geval) al een stukje van het ministerie van VROM.
  • Bestuurlijke vernieuwing is een beetje een rare eend in de bijt. Die past niet echt in dit setje en kan bij iedereen in de fractie "erbij gepropt" worden.

Vendrik en Van Gent kunnen dan een groot deel van het oude portefeuilles over laten in de handen van Sap. zij zou dan zorg & arbeid en emancipatie en, misschien ook sociale zekerheid, van Van Gent kunnen overnemen en financien, en misschien ook economie, van Vendrik.

De verdeling zal er dan als volgt uit zien:

  • Halsema: fractievoorzitter, VWS
  • Vendrik: ontwikkelingssamenwerking, economie en energie/klimaat/water, ruimtelijke ordening
  • Peters: buitenland (EU, OS en BuZa)
  • Van Gent: LNV, volkshuisvesting, verkeer, overheid & antillen, ruimtelijke ordening
  • Azough: migratie & veiligheid
  • Dibi: integratie, onderwijs en jeugd, bestuurlijke vernieuwing
  • Sap: financien, sociale zaken, emancipatie, arbeid en zorg

De portefeuille van Duyvendak wordt  in dit geval overgenomen door twee belangrijke, bekende, GroenLinks gezichten die zich echter nooit als de meest groene binnen GroenLinks hebben geprofileerd. Een echt groene opvolger van Duyvendak zou hoger op de lijst kunnen staan: Van ‘t Veld (11), Grashoff (14; wordt toevallig net wethouder cultuur in Rotterdam) en Dirkmaat (16).

Echter nu moet Peters nog vervangen worden. Als Heemelaar, de meest waarschijnlijke kandidaat, dat doet, is het onwaarschijnlijk dat hij Peters’ portefeuille zou overnomen, immers deze roze kandidaat heeft weinig buitenlandse ervaring.

Peter’s portefeuille bestaat uit vier stukken: Europa, Ontwikkelingssamenwerking, Buitenlandse Zaken en Cultuur en Media. Op nieuw zijn dat drie portefeuilles waarin Peters echt de (enige) specialist binnen de fractie is. Cultuur en media kan wel ergens mooi worden weggestopt. Peters gaat, toevallig, net weg in een belangrijke tijd: prinsjesdag.

  • Europa: zal in de aanloop van de verkiezingen van 2009 wel belangrijker worden, met name omdat er nog een verdrag gesloten moet worden, na het Ierse Nee. Misschien dus het beste om dit aan Halsema te geven.
  • Ontwikkelingssamenwerking: deelde Peters als met Vendrik, die dit kan waarnemen.
  • Buitenlandse Zaken: de zwaarste en lastigste portefeuille. Azough, die al veel ervaring heeft opgedaan met veiligheid en migratie (twee gerelateerde portefeuilles) zou dit misschie kunnen doen
  • Cultuur en media is een kan bij iedereen in de fractie "erbij gepropt" worden.

Heemelaar zou dan cultuur en media, VWS (van Halsema) en een deel van Azough’s veiligheidsportefeuille kunnen overnemen, dat (misschien) mooi samenvalt met zijn interesses voor diversiteit en veiligheid.

De verdeling zal er dan als volgt uit zien:

  • Halsema: fractievoorzitter, EU
  • Vendrik: ontwikkelingssamenwerking, economie en energie/klimaat/water, ruimtelijke ordening
     
  • Van Gent: LNV, volkshuisvesting, verkeer, overheid & antillen, ruimtelijke ordening
  • Azough: migratie, veiligheid (AIVD) en buitenlandse zaken
     
  • Dibi: integratie, onderwijs en jeugd, bestuurlijke vernieuwing
  • Sap: financien, sociale zaken, emancipatie, arbeid en zorg
  • Heemelaar: veiligheid (justitie en politie), VWS, cultuur en media

Het zou voor de fractie echter veel makkelijker zijn als Heemelaar de eer aan zich voorbij zou laten gaan en de nummer 10, Isabelle Diks, de huidige internationaal secretaris van het landelijk bestuur, Peters tijdelijk zou vervangen. Zij heeft als internationaal secretaris en met haar studies internationale organisaties en betrekking en internationaal recht waarschijnlijk veel kennis van buitenlands beleid en goede contacten met Peters en haar deel van de fractie assistentie opgedaan. Ook zou zij als (voormalig?) mode-ontwerper de cultuur portefeuille kunnen overnemen.

GeenStijl=hypocriet

GeenStijl, de site die zichzelf het meest op de borst slaat over de spijtige, onnodige val van Wijnand Duyvendak, is een verschrikkelijk, ziek-makend hypocriet. Dat betoogt Fransisco van Jolen en David Rietveld. Maar helaas niet in zoveel woorden.

De parallel tussen "jongensachtige pesterijen" van GeenStijl (foto’s stelen, persoonlijke gegevens publiceren, oproepen tot geweld, mensen "deaud" wensen) en het idealistische activisme van Bluf! (diefstal van stukken, publiceren van persoonlijke gegevens, oproepen tot geweld), dat de val van Duyvendak heeft veroorzaakt, is verbluffend. Hun methoden van het verbreken van de wet zijn ongelofelijk identitiek. Allebei waren ze betrokken bij het zelfde type misdaden en verschuilen ze zich achter een vorm van anomiteit.  Maar er zijn ook verschillen tussen Duyvendak en GeenStijl : Duyvendak’s deed wat hij deed (of je het er nu mee eens bent of niet) vanuit idealisme. Hij wilde de wereld veranderen. GeenStijl doet het uit een soort van ennui.

In het korte lijstje dat Van Jole opnoemt (treiteren van jongeren, het bedreigen van mensen die zich maatschappelijk actief zijn, het publiceren van persoonlijke gegevens, van gestolen documenten) en waar Rietveld nog het goed praten van crimineel gedrag aan toevoegt, zijn de gelijkenissen nog oppervlakkig: net als Duyvendak heeft GeenStijl gestolen overheidsdocumenten gepubliceerd (van de officier van justitie van Bonaire), maar nu met geen enkel maatschappelijk belang dan vermaak. En, dat, zoals Jole zelf ook noemt, zijn mensen door de manier waarop ze door GeenStijl benadert zijn en door de publicatie van persoonlijke gegevens ernstig persoonlijl bedreigt. Naast het geval van Stivoro-directeur Prins is er ook het geval van PerspectieF voorzitter Havelaar (schijnt in deze aflevering van Pauw & Witteman besproken te zijn).

Als ik er over na denk wordt ik er echt misselijk van: natuurlijk mag "burgerlijk Nederland" (Telegraaf, Elsevier, NOVA) zich druk maken over wat er 20 jaar geleden gebeurd is. Natuurlijk moet er ruimte zijn voor jongensachtige pesterijen op het internet. Maar dat GeenStijl mensen verwijt dat ze het zelfde doen wat zij zelf nu doen, als zij een rol spelen in het mobiliseren van publieke opinie tegen hun eigen praktijken, dan wordt ik misselijk van hun hypocrisie.

Wenen van verwachting naar verbazing

Gisteren terug gekomen uit Wenen, waar ik 10 dagenlang genoten heb van de stad, de architectuur, de parken en de kunst. Ik was naar Wenen gekomen vanwege Gustav Klimt, een van de belangrijkste kunstenaars van de Art Nouveau. Deze fin de siecle-kunststroming staat bekent vanwege zijn sierlijke lijnen. Ik had dus verwacht dat Wenen, waar het centrum sinds 1918 niet ingrijpend is veranderd, vol zou staan met zwierige sierlijke, lichte musea vol met prachtige Klimt schilderijen.

Niets bleek minder waar: Otto Wagner, de voornaamste architect van de Weense Art Nouveau (daar Secession geheten) verzette zich tegen de zwierige neo-roccoco stijl die zijn tijdgenoten kenmerkde. Wenen staat vol met pastelkleurige keizerlijke paleizen in (neo-)Barok, (neo-)Roccoco en neo-klassicistische stijl. Zelf vind ik deze stromingen al snel overdone. Wagner’s Art Nouveau is strak en rechtlijnig. De gebouwen doen meer denken aan de Bauhaus-stijl van de jaren ’20-’30 dan de Art Nouveau die ik kende uit Brussel en Parijs. Hoogtepunt hiervan was de Neustiftgasse 40, een gebouw uit 1909 dat zijn tijd ver vooruit was. Zijn moderne stijl werd gevolgd door de bouw van grote sociale woningsbouwcomplex door het sociaal-democratische gemeentebestuur in de jaren ’20-’30, met DDR-achtige namen als "Karl Marx Hof". Echter wat aan het begin van deze eeuw revolutionair was, is aan het einde van deze eeuw verschrikkelijk outdated. Toch bleef de gemeente in deze moderne stijl grijze, industriele appartementsblokken bouwen. Tot mijn afgrijzen. Vanaf de jaren ’70 kwam hier een reactie op vanuit verschillende hoeken: de groene vrijdenker Hundertwasser bouwde schots-en-scheve gebouwen, versiert met CoBrA-achtige gevels, waar natuur en cultuur zich vermengen. Guenther Domenig bouwde met staal en glas organische vormen. De stad Wenen zelf, is, overigens, vanwege de vele Keizerlijke parken een van de groenste steden van Europa.

Maar ook was er relatief weinig van de door mij bewonderde schilder Klimt te zien.  Een groot deel bleek te hangen op een speciale Klimt-tentoonstelling in het Tate Liverpool. Van Egon Schiele, een tijdgenoot en vriend van Klimt was er destemeer. Schiele behoort tot de eerste expressionisten, die in hun kunst niet de wereld wilden tonen, maar hevige gevoelens wilde overbrengen. Bij Schiele is dat zeker gelukt: zijn donkere, pezige portretten en zijn kleurrijke maar onheilspellende schilderijen van moeders en kinderen hebben mij  zeer geimponeerd. In de stad werd reclame gemaakt voor het grootste Schiele museum met een poster "Kultur Shock" waar een man helemaal werd weggeblazen door een van Schiele’s meest krachtige werken. Zo bleef ik dus ook achter. De liefelijke, sierlijke gecomponeerde schilderijen van Klimt leken nu zo zoet en onschuldig als Wiener Sachertorte.

Is er een plicht te werken?

Ik heb net mijn master scriptie wijsbegeerte in tweede versie
ingeleverd over de rechten en plichten van burgers waar het gaat om
werk, inkomen en vrije tijd. Een vervolg op mijn bachelor scriptie over
Vrijheid Eerlijk Delen. De hele versie is hier
na te lezen, maar ik zal kort op dit weblog de twee hoofdlijnen van
argumentatie waar het gaat om het recht en de plicht te werken
bespreken: hier nu de plicht tot werk en eerder het recht op werk. Alle
reacties zijn welkom ik zal helaas vanwege mijn eigen korte vakantie
niet kunnen reageren.

Veel controversieler dan het recht op werk is de plicht te werken. Moet de overheid vrijwillig werkelozen dwingen wat voor de samenleving te doen? Zo ja, waarom niet? Zo ja, hoe moet de overheid dit dan doen? In mijn scriptie bekijk ik verschillende manieren waarop mensen gedwongen kunnen worden te werken. De meest interessante zijn: een werkplicht net als de belasting plicht en een werk-plicht als een plicht-light, die opgelegd wordt door een steeds verder dalend basisinkomen.

Is het rechtvaardig als sommige mensen belasting betalen en anderen van die plicht niet hebben? Waarom moeten mensen die een inkomen hebben wel belasting betalen en hoeven mensen die geen inkomen niet bij te dragen? De liberale filosoof J.S. Mill rechtvaardigt een progressieve belasting door te zeggen dat dat van iedereen een even groot offer vraagt. Echter van mensen die niet werken wordt geen offer gevraagd. De sociaal-democratische filosoof Margalit heeft heel mooi laten zien dat mensen uitsluiten van een plicht die anderen hebben onrechtvaardig is voor diegenen die worden uitgesloten: ze worden als nutteloze tweede rangsburgers behandelen.  Waarom  vragen we van mensen zonder inkomen niet een even grote bijdragen, maar dan in tijd in plaats van in inkomen? Daar hebben ze toch genoeg van?
Phillipe van Parijs zou een groot bezwaar hebben tegen zo’n maatregeel het beperkt mensen hun self ownership. In de laatste plaats moeten mensen volgens Van Parijs "in bezit" van zichzelf: zij moeten in de laatste plaats bepalen wat er met hun gebeurt. Als de overheid een deel van je tijd gaat invullen zonder dat je daar iets aan kan doen, is dat onrechtvaardig. Een inbreuk hierop is gerechtvaardigd als dit belangrijkere principes van rechtvaardigheid instandt houdt. De bescherming van onze burgelijke vrijheden horen daarbij. Selfownership mag beperkt worden om vrijheid instand te houden. Om de politie en de rechtbanken te financieren die onze burgerlijke vrijheden beschermen mogen we dus gedwongen worden te helpen. Echter als je lagere principes van rechtvaardigheid kan in breken om dezelfde vrijheden te beschermen zou Van Parijs dat doen: het basisinkomen staat onder selfownership in zijn theorie van rechtvaardigheid. Hij zou dus liever een lager basisinkomen zien als het geld dat hiermee wordt weg gehaald ten goede komt aan onze burgerlijke vrijheden. Een arbeidsplicht als de belastingplicht zou vanuit het links-libertaire perspectief niet rechtvaardig zijn.

Maar een arbeidsplicht-light wel. Van Parijs gebruikt de metafoor van de veilig om uit te leggen waarom er een basisinkomen is. Stel je voor dat A en B stranden op een eiland waar precies een bananenboom staat, die in voedsel kan voorzien. Wie moet die bananenboom dan plukken? Van Parijs zou voorstellen het recht de boom te plukken te veilen. A en B zouden de ander bananen bieden om de rest te mogen houden en alles moeten plukken. Als A verschrikkelijk lui is zou hij iedere aanbod van B moeten aan nemen. Ook als het verschrikkelijk laag is. Immers anders zou hij een tegenbod doen waarbij A moet werken en bananen aan B kwijt raak. Als je niet wilt werken, krijg je in de veiling dus geen bananen.
Van Parijs meent dat er in iedere economie een tekort aan banen is en daarom mensen die worden uitgesloten van werk gecompenseerd moeten worden door een gegarandeerd inkomen, dat wordt betaald uit een belasting op arbeid. De bananenboom is de baan. Het gegarandeerde inkomen zijn de bananen die A van B krijgt.
Je zou dus willen dat in een moderne verzorgingsstaat de hoogte van de uitkering die we geven aan mensen die niet werken afhankelijk is van de mate waarin ze zouden willen werken. Onze huidige regelingen rond werkeloosheid lijken daarop: er geldt een sollicitatieplicht in de WW en de bijstand. Iedere keer als iemand een baan weigert die hij zou kunnen aan nemen, wordt zijn uitkering gekort: hij laat dan zien dat hij niet wilt werken en dus tevreden zou moeten zijn met een lager inkomen. Dat houdt niet dat onze huidige verzorgingsstaat perfect is, maar wel dat hij mooi gevoelig voor de mate waarin mensen willen werken.

Is er een recht op werk?

Ik heb net mijn master scriptie wijsbegeerte in tweede versie ingeleverd over de rechten en plichten van burgers waar het gaat om werk, inkomen en vrije tijd. Een vervolg op mijn bachelor scriptie over Vrijheid Eerlijk Delen. De hele versie is hier na te lezen, maar ik zal kort op dit weblog de twee hoofdlijnen van argumentatie waar het gaat om het recht en de plicht tot werk bespreken. Hier nu het recht op werk en later de plicht tot werk. Alle reacties zijn welkom ik zal helaas vanwege mijn eigen korte vakantie niet kunnen reageren.

Hebben burgers een recht op werk, een gegarandeerde baan door de overheid, of is een recht op een garandeerd minimum inkomen genoeg? De links-libertarische filosoof Van Parijs stelt in zijn Real Freedom for All dat burgers alleen maar een recht hebben op een basisinkomen. In tijden van masssa-werkeloosheid moeten ze niet bij de staat aan komen voor een baan. Als de overheid namelijk alleen maar banen aanbiedt en geen inkomens dan is de overheid niet neutraal ten opzichte van ideeen van het goede leven. Een leven waar werk een onderdeel van is wordt dan bevoordeeld boven een leven dat bestaat uit de hele dag lekker luieren of kinderen opvoeden. Een inkomen is genoeg.
Voor de invloedrijke links-liberale filosoof Sen is geld echter niet genoeg. Als je wilt dat mensen hun eigen ideeen van het goede leven in de praktijk kunnen brengen moet je ze voorzien van de middelen die daarvoor nodig zijn: een door de overheid gegarandeerde baan is juist een hele mooie manier om mensen te voorzien van de mogelijkheid om te werken, iets wat voor veel mensen heel belangrijk is.
Van Parijs staat toe dat overheidsgeld wordt gebruikt om onderwijs te geven en infrastructuur aan te leggen zo lang dat het (basis)inkomen van iedereen maar verbeterd. Sen zou dus kunnen voorstellen om overheidsgeld in te zetten voor gegarandeerde banen (naast een gegarandeerd inkomen) omdat dit niet alleen bepaalde groepen mensen in staat stelt te werken als dit belangrijk voor ze is, maar ook de financiele positie van hen die niet willen werken verbeterd. In een economie waar massa-werkeloosheid is wordt veel economisch potentieel niet gebruikt: dat inzetten verbetert de economie voor iedereen. Volgens Van Parijs echter is de overheid heel slecht in het zelf creeeren van banen in het bijzonder het soort banen wat mensen echt willen (zinnig, nuttig werk). Het zou de overheid meer kosten dan het opbrengt en is zo dus niet neutraal ten opzichte van ideeen van het goede leven: mensen die willen werken komen er beter vanaf.
De filosofische vraag "Is er een recht op werk?" is zo vanuit Van Parijs’ links-liberale perspectief gereduceerd tot een empirische vraag "Levert een Melkertbaan meer op dan hij kost?". Dat is typisch de rol van analytische filosofen: een vraag tot op het bot uitkleden en dan vervolgens beoordelen hoe deze vraag het beste kan worden beantwoord. 

The Power of Nightmares

Waar ik razend positief was over Adam Curtis‘ The Trap, over positieve en negatieve vrijheid, ben ik helemaal weggeblazen door zijn The Power of Nightmares over islamisme en neoconservatisme.

Feilloos legt Curtis de link tussen de onzinnige oorlogsretoriek en gevaarlijk angstpolitiek van de neo-conservatieven onder Reagan en Bush. Zijn centrale stelling: de Amerikaanse neo-conservatieven hebben hun eigen vijand in de vorm van Osama bin Laden gecreeerd. Niet alleen door de Mujahedin in de jaren ’80 te ondersteunen maar met name door de individuele terroristen achter 9/11 te behandelen als een organisatie "Al Qaida". Al Qaida is, volgens Curtis, geen organisatie, maar een naam die de Amerikanen hebben gegeven aan een los netwerk rond Bin Laden, om hem te kunnen vervolgen en te kunnen demoniseren.

Het controversiele onderdeel is echter dit: de Amerikaanse neo-conservatieven zijn zich hier bewust van. Het is een nobele leugen. Geinspireerd op de filosofie van Leo Strauss meende zij dat om de Amerikaanse samenleving te verenigen een heldere vijand nodig was. Tijdens de Koude Oorlog waren dat de Russen (de neo-cons waren de aanstichters van de Evil Empire-doctrine van Reagan). Nadat ze die hadden `overwonnen´ was een nieuwe vijand nodig. De neo-conservatieven hebben 9/11 aangegrepen om van Al Qaida de nieuwe vijand te maken. Politici kunnen hun kiezers alleen nog maar binden door angst en niet door hoop. Een angst die zij zelf niet hebben, maar die zij de burgers aan praten.

Ook in een ander aspect komt de nobele leugen mooi terug bij de Neo-Conservatieven. De niet-religieuze, joodse, liberaal-Christelijke neo-conservatieven hebben zich vanaf de jaren ’80 verbonden met de Evangelische kerken. Niet alleen voor electorale steun, maar met name omdat ze, meenden dat geloof en gedeelde, absolute, moraal een belangrijke bindende factor zijn in een samenleving.

Maar het gaat verder: de neocons zijn uiteindelijk gaan geloven in hun eigen leugens over het gevaar van de USSR, Al Qaida en de rol van het geloof. Dit is een belangrijk aspect van de nobele leugen van Plato. Het komt ook terug in George Orwell‘s 1984, waar uiteindelijke de regerende elite zich in stand houdt door een nutteloze oorlog. Enerzijnds weten ze dat de oorlog alleen maar dient om de staat in stand te houden en anderzijds geloven ze dat het een rechtvaardige oorlog is tegen een echte vijand:  Doublethink.

Hier is het eerste deel op youtube.

GroenLinkse beginselen & de dierenpartij

Waar plaatst het GroenLinks concept-beginselprogramma zich tussen
socialisten, sociaal-democraten, radicale democraten en one-issue
groenen? Na de socialisten
van de SP, de sociaal-democraten van de PvdA, en de sociaal-liberalen van D66, vandaag de dierenpartij en hun diep groene idealen.

De intrinsieke waarde van dieren
Pas twee jaar naar haar oprichting in 2003 nam de Dierenpartij een beginselmanifest aan. In het denken van de Partij van de Dieren staat een drieslag centraal: de aarde, de dieren, en toekomstige generaties. Al hun belangen zijn in gevaar door de huidige economische ontwikkeling. We bereiken de grenzen van onze aarde, we exploiteren dieren en we gebruiken die grondstoffen die we zouden moeten bewaren voor toekomstige generaties.
De mens neemt ten opzichte van deze drie slag in een bijzondere rol in: enerzijds is de mens de grootste, meest intensieve vervuiler die allerei gebalanceerde ecosystem in gevaar brengt, anderzijds is de mens een moreel wezen die overtuigd kan worden hiermee te stoppen. Hier ligt dan ook de hoop van de PvdD. Mensen moeten hun gedrag aan passen ten bate van toekomstige generaties, maar in het bijzonder ten bate van dieren. Hun intrinsieke waarde, hun waarde als levensvormen op zich, hun recht op zelfontplooing moet worden erkend. Hiermee toont de PvdD zich een diepgroene partij: zij ziet een ecologische crisis, dat komt door menselijk handelen en haar gerichtheid op haar eigen korte termijn belangen. Alleen in de oplossing is de PvdD niet donkergroen. Zij wilt een overheid die het leven van mensen micro-managet en ziet het verbod van de vissenkom als de oplossing voor al onze problemen.

De instrumentele waarde van dieren
Voor GroenLinkse vormt de Partij van de Dieren een bijzondere partij. Soms wordt de dierenpartij beschreven als een satelietpartij, in Vlaanderen spreekt met van zweeppartij: De VVD heeft de PVV, de PvdA de SP, het CDA de CU en GroenLinks heeft de PvdD. Deze zweeppartijen stimuleren andere partijen om harder aan de gang te gaan met hun eigen key issues, voor de liberalen is dat belasting en migratie, voor de sociaal-democraten inkomensverschillen en de publieke sector, voor de christen-democraten gemeenschap en gezin, en voor GroenLinks ten slotte dieren en het milieu.
Waar de VVD, de PvdA en het CDA de electorale druk van deze partijen wel voelen geldt dat niet voor GroenLinks: het nieuwe beginselprogramma spreekt alleen over dieren waar het gaat om hun instrumentele waarde en kosten, ze vervuilen daarom moeten we ze minder gaan eten. Niets over de waarde die dieren op zichzelf hebben, het GroenLinks programma denkt alleen maar aan de belangen van mensen.

Ik denk dat wij de zweep van de dierenpartij wel moeten voelen en zeker waar het gaat om onze beginselen. Niet alleen voor electorale redenen, maar juist voor ideologische redenen. De dierenpartij heeft gelijk in haar analyse van de samenleving: de mens, de kiezer, de consument zijn allemaal gericht op hun eigen korte termijn belang (anders dan Halsema zie ik weinig in een vroeg-Marxistische analyse die een burger-deel en een consument-deel in mensen onderscheidt: de burger stemt ook in haar eigen belang): materialisme. GroenLinkse politiek is postmaterialistische politiek, niet in de zin dat ze naar niet materiele waarde (vrije tijd, ontspanning, lange wandeling door de natuur) op zoek is, maar dat ze politiek verdedigt die niet geinspireerd is door eigen korte termijn belangen van een bepaalde sociale groep. Het zou ons, in een rijk Westers land, niet meer moeten gaan om onze belangen maar de belangen van hen die geen stem hebben.  In ons eigen land: kinderen of "outsiders", die geen echte rechten hebben. Belangrijker echter over de hele wereld zijn er mensen die worstelen om te overleven in ontwikkelingslanden of mensen, die voorr dictatuuren of oorlog vluchten. Juist ook de belangen van levensvormen die niet voor zich zelf op kunnen komen, moeten wij verdedigen: dieren en toekomstige generaties. GroenLinkse politiek is post-materialistisch omdat wij ons over onze eigen korte termijn belangen heen zetten.
En dat zouden wij van de PvdD kunnen leren.