Het Huis van de Geschiedenis

De SP en met name Jan Marijnissen willen een huis van de geschiedenis, gewijd aan de geschiedenis van Nederland. Een plaats waar jong en oud in gezins- of groepsverband (er worden bij de SP natuurlijk geen individuele kaartjes verkocht) op een ontspannen, plezierige wijze kennis kan nemen van de geschiedenis van ons volk, ons land en ons zorgvuldig gekozen democratische systeem. Ik denk dat voor iemand die links is en zeker voor een socialist zo’n museum een onheilspellende, ongelukkige plaats zou zijn. Immers de geschiedenis van Nederland is niet iets om trots op te zijn.

Zaal 1: waarin we kunnen laten zien waar Nederland in de Gouden Eeuw rijk van is geworden: slavenhandel in Afrika, onderdrukking in de Oost en walvisjacht in de Noordelijke IJszee. Nee dat levert mooie plaatjes op geketende slaven in Nederlandse boten, kannonen in Nederlands Indie en rottende walvislijken met spiezen in hun hoofd.

Zaal 2: waarin we laten zien hoe Nederland in de 19e eeuw omging met haar arbeiders: honger, ziekte, verschrikkelijke levensomstandigheden, armoede, bouwvallen, verschrikkelijke arbeidsomstandigheden, lage lonen, alcoholisme en dienstplicht. Fijn leuk voor het hele gezin!

Zaal 3: waarin de zwartste pagina van de Nederlandse geschiedenis wordt getoond. De Tweede Wereldoorlog. Hoe wij Joden die uit Duitsland vluchtte terug stuurde. Hoe Nederland het laagste percentage overlevende, teruggekeerde en geredde Joden het laagste van Europa werd door onze gezagsgetrouwe bevolking en perfecte administratie.

Ik hoef wil niet naar het ene Huis van de Geschiedenis. Daarom kom je nooit vrolijk vandaan. Meerdere kleine musea gewijd aan een van deze verschrikkingen is voor mij genoeg: het tropenmuseum over onze voormalige kolonien, het Anne Frankhuis, voormalig kamp Westerbork en het Joods Historisch Museum voor de Shoah.

Het punt dat ik wil maken, is dat de Nederlandse geschiedenis, anders dan de SP gelooft, helemaal niet mooi, zegenrijk of prijzenswaardig is: 500 jaar kolonialisme, dierenleed, kapitalisme, protestantisme en nationalisme moet je niet vieren, maar na afschaffing herdenken.

Drie redenen om geen politicus te worden

Op mijn achtste wilde ik politicus worden: lid van het Europees Parlement zelfs, omdat dit het politieke centrum van een kruising tussen een kosmopolitisch ideaal en een wereldmacht is (niet dat ik dat precies zo onder woorden kon brengen). Nu veertien jaar later wil ik geen politicus meer worden, niet zo zeer omdat idealen of macht mij niet meer aanspreken. Maar wel om de volgende drie redenen:

Ik kan het niet. Op het GroenLinks congres in september had ik een amendement in gediend, dat ik stamelend, zenuwachtig en zonder overtuigingskracht heb proberen te verdedigen voor de grote zaal. Ik kreeg nauwelijks steun en vond het verschrikkelijk. Daarentegen had ik ook samen met DWARS, de GroenLinkse Jongeren een aantal amendementen voorbereid mee gedacht over de tekst, de inhoud, de verdediging. De DWARSe woordvoerders Mieke en Steven hebben met veel charisma deze amendementen wel aan de man gekregen. Wij hebben allemaal zo onze sterke kanten en zwakke kanten. Dingen die we leuk en niet leuk vinden. Mee denken en mee helpen met een politiek process is valt voor mij in de eerste categorie, dat zelf moeten doen valt in de tweede.

Ik wil het niet. De partijraad van GroenLinks heeft net de samenstelling van een bepaalde commissie (waar ik voor was gevraagd) afgewezen, omdat de partijraad (het partijkader) een conflict met het bestuur (de partijtop) heeft. Mijn kans om mee te denken en mee te helpen met GroenLinkse politiek is (in elk geval tijdelijk, maar misschien ook wel zeker) de bodem ingeslagen vanwege een conflict waar ik zelf buiten sta. Ik wil niet zo afhankelijk zijn van onvoorspelbare en onbeinvloedbare krachten buiten mij. Een sollicitatiecommissie overtuigen okay, maar moeten vertrouwen op kiezers, congressen of parlementen: mij niet gezien.

Ik vind iets anders leuker. Veertien jaar na mijn droom om lid van het Europees Parlement te worden wil ik wetenschapper worden: empirisch politicoloog met gevoel voor wetenschaps- en politieke filosofie. Dat vind ik echt leuk, daar ben ik echt goed in. Zonder overigens mijn politieke idealen te verliezen: het mee denken en mee helpen aan GroenLinkse politiek zal ik altijd willen doen. De ultieme combinatie van mee denken, mee doen en politieke wetenschap en filosofie, is voor mij directeur van het Wetenschappelijk Bureau. Op afstand met GroenLinkse politiek mee denken, mee schrijven aan verkiezingsprogramma’s en mee helpen met het formuleren van problemen en alternatieven: prachtig!

Mededogen of Rechtvaardigheid

De Partij voor Dieren heeft mededogen voor dieren en mensen als haar leidende principe. Voor een partij die dierenrechten nastreeft is dat een onjust beginsel.

Er is een verschil tussen de persoonlijke sfeer en publieke sfeer. In deze sferen zijn andere principes van toepassing en uit deze principes kunnen andere tyype praktische implicaties volgen.

Volgens mij is in de publieke sfeer rechtvaardigheid het leidende principe. Dit kan gespecifieerd worden in allerlei principes van rechtvaardigheid: solidariteit, duurzaamheid, vrede, diversiteit, democratie. Uit rechtvaardigheid volgen rechten, deze worden niet gegeven uit mededogen van de gemeenschap en de overheid, maar omdat het rechtvaardig is. Een burger heeft recht op een uitkering, als hij gehandicapt is, dit is geen almoes, maar een opeisbaar recht (engels: entitlement). In het katholieke sociale denken speelt mededogen een grote rol, ik denk dat een liberaal of een socialist het hier niet mee eens kan zijn: je maakt dan de rechten van burgers afhankelijk van de moraliteit van anderen.

In de private sfeer geldt geen rechtvaardigheid, maar daar geldt mededogen, liefde, barmhartigheid, compassie. Een kind heeft geen recht op de liefde van zijn vader, maar deze geeft zijn vader uit liefde voor z’n kind. Dit is een natuurlijk proces. Daarnaast, als de vader alleen maar van z’n kind zou houden omdat het moet vanuit rechtvaardigheid, zou de liefde ook niet gemeend zijn.

De Partij voor de Dieren past dus onterecht mededogen toe op de publieke sfeer en leidt hier rechten van af. Als dierenrechten hebben (waar ik het mee eens ben) moet dat niet afhangen van de moraliteit van mensen, maar zijn zij entitled tot dit recht.

De Staat: een fictie

Ik heb laatst twee artikelen van Alexander Wendt gelezen. Hij is een politicoloog, gespecialiseerd in de studie van internationale betrekkingen vanuit sociaal constructivistisch perspectief. So far so good. Hij is echter ook een staat-centrist. Ik geloof dat hier, vanuit wetenschapsfilosofisch perspectief, de grootste onzin onstaat. Ik wil hier laten zien dat wat sociaal-constructivisten doen, ongeveer het zelfde is als een huis bouwen op drijfzand.

Wendt stelt dat staten identiteiten hebben en dat deze door andere staten worden beinvloed, net als mensen onderling elkaars identiteiten beinvloeden. Ik denk dat dit een grove misvatting is: staten kunnen geen identiteit hebben. Staten bestaan namelijk niet, het zijn nuttige ficties, waar mensen zich onderschikken.

De fictie is gebaseerd op een stijlfiguur: als ik zeg “ik bel het museum” dan is dat een short hand om te zeggen ik bel met iemand van het museum. Musea, namelijk gebouwen, kunnen geen telefoon op nemen. Als je zegt “Belgie verklaart de oorlog aan Nederland” maak je gebruik van net zo’n metonymia: je zegt namelijk “de politiek elite van Belgie verklaart de oorlog aan de politieke elite van Nederland.” De staat is dus op deze manier een fictie.

Dit is echter een cheap shot immers sociaal constructivisten zullen zeggen, dat de politieke elites en de receptioniste van het museum, Nederlandse staat of het museum vertegenwoordigen, dank zij de gedeelde perceptie dat zij Nederland vertegenwoordigen. Dat vind ik acceptabel: de staat is een sociaal-psychologisch fenomeen. Hiermee is het geen objectief feit, maar een gedeelde fictie. Het heeft geen locatie. Het moet ongeveer dezelfde eigenschappen hebben als een willekeurige gedachten in iemands geest, want het enige verschil met een willekeurige gedachte en deze is dat iedere Nederlander (schijnbaar; lijkt mij een empirische vraag) het over eens is dat omdat zij de Nederlandse staat vertegenwoordigen, de politieke elite bepaalde rechten heeft.

Zo’n gedeelde gedachte kan dus niet handelen: een gedeelde perceptie kan niet een ander land binnen vallen. Dat kan alleen een leger, op bevel van de politieke elite, in naam van de staat. Een sociaal psychologisch fenomeen heeft ook geen eigen identiteit: immers het is een gedachte, een gedeelde mening, een gedeelde fictie. Hebben jouw gedachte een identiteit?

Het centrale wetenschapsfilosofische probleem is of er zinnige ideniteiten bestaan buiten mensen. Heeft de geschiedenis een eigen dynamiek? Beheerst de kerk ons leven? Onstaat er als veel mensen bijeen zijn een kwalitatieve sprong van groep naar gemeenschap? Ik denk dat je heel goed op moet passen in hoeverre deze zaken waar zijn. Volgens mij bestaan mensen, maar bestaat de “loop van geschiedenis” niet buiten deze mensen. Er bestaan geen supra-individuele structuren, geen holistische systemen. Alleen maar individuen en hun percepties. Als je wel gelooft dat deze bestaan, moet je de metafysische vraag beantwoorden: waar zijn die structuren dan?

Wat Wendt doet is dus op drijfzand bouwen. Staten per-se bestaan alleen maar omdat wij vinden dat er staten bestaan. Hiermee zijn ze een bepaalde klasse entiteit, namelijk gedachten en zijn ze dus geen objectieve feiten. Hiermee krijgen ze bepaalde kenmerken, waarvan het hebben van een identiteit, typisch voor behouden aan intentionele wezens als mensen en dieren, er geen is.

Ik wil best accepteren dat staten bestaan als sociaal geconstrueerde entiteiten en dat het nuttig is om over politieke elites van staten te spreken in termen van staten, als een useful fiction, maar staten hebben geen identiteit. Het zijn de politieke elites in die staten die een identiteit hebben (bv. die van politieke elite van Nederland): deze wordt gevormd. Als je er op deze manier naar kijkt, is het centraal stellen van de staat en het zijn van sociaal-constructivist niet houdbaar.

Voorspellingen

Een tijdje geleden heb ik hier een voorspelling gemaakt en al met al komt het aardig uit, in vergelijking met de laatste voorspelling van de nos

CDA 22 22 0
PvdA 15 15 0
VVD 15 13 +2
SP 12 13 -1
GL 4 5 -1
CU 4 4 0
SGP 1 2 -1
D66 1 1 0
PvdD 1 0 + 1
LPF 0 0
OSF 0 0

De VVD heeft meer gewonnen dan ik verwacht had (Wilders effect). Daarnaast hebben GroenLinks, de SGP en de SP het iets minder goed gedaan. Ik geloof nog steeds niet dat de Partij van de Dieren in de EK komt, ze hebben het net iets beter gedaan dan ik had voorspeld. Als nog, dit is nog niet de definitieve uitslag, ik hoop dat GroenLinks door tactisch te samen te werken een zetel kan winnen want van vier wordt ik erg ongelukkig.

Politiek op wikipedia

Ik ben zelf een groot fan van wikipedia, de gratis on-line encyclopedie. Ik draag ook mijn steentje bij met name op de Engels-talige wikipedia.

Een interessant debat daar is, wat is de politieke overtuiging van wikipedianen? Zijn ze links of rechts? progressief of conservatief? Omdat de oprichter van wikipedia, Jimbo Wales, die overigens een libertarier is, opmerkte dat wikipedia gebruikers waarschijnlijk linkser zijn dan de gemiddelde Amerikaan onstond er een debatje op wikipedia. Wij zijn wij? Ik heb aan de hand van een kleine random sample gekeken wat wikipedianen zeggen over hun politieke ideologie, en dat is eigenlijk best wel weining. Maar als nog werd mijn onderzoekje als een grote stap voorwaarts gezien in de sociologie van wikipedia, ten minste door sommigen.

Het interigeert met toch: zou ik een sample kunnen krijgen die groot genoeg is voor redelijke uitspraken. 1000 respondenten is dan wel het minimum, vooral omdat maar 25% bruikbare informatie geeft. Dat zou een boel tijd kosten. Misschien dat ik een van mijn docenten kan overtuigen dat het nuttig wetenschappelijk werk is

Dubbele paspoorten en de insluitende democratie

Er is veel onrust omdat Wilders vindt dat staatssecretarissen geen dubbele paspoorten mogen hebben, de SP en de VVD zijn het eigenlijk met hem eens maar houden hun mond dicht. Ik wil hier 1) laten zien dat de redenering dat bestuurders maar een paspoort mogen hebben geen steek houdt en 2) laten zien dat het wenselijk is voor bestuurders om twee paspoorten te hebben.

1) De voornaamste reden om dubbele paspoorten te verbieden voor bestuurders is het loyaliteitsconflict. Deze redenering gaat ongeveer als volgt: bestuurders die een dubbel paspoort hebben zullen als het een gevoelige kwestie die dat andere land betreft aangaat, in een loyaliteitsconflict komen, omdat ze burger zijn van beide landen. Dit loyaliteitsconflict kan twee bronnen hebben: legaal en sociaal.
a) De Turkse overheid kan bepaalde dingen van Albayrak, als Turkse, verlangen, die onverenigbaar zijn met haar Nederlanderschap. Zij zal zich als zij in Turkije is zowel aan de Nederlandse als de Turkse wet moeten houden.
Dit argument is onzinnig omdat iedereen die zich in Turkije bevindt zich aan de Turkse wet moet houden, onafhankelijk van burgerschap. Er is misschien een miniem aantal wetten, dat alleen op Turken van toepassingen is en Albayrak in een echt loyaliteitsconflict kunnen krijgen. Het is echter aan Wilders om het bestaan van deze wetten te bewijzen.
b) Als Turkse zal Albayrak misschien geneigd zijn om aan het Turkse belang te denken, ipv het Nederlandse, als het de Nederlands-Turkse relaties betreft. Zij zou dan vanuit haar Turkse identiteit in een loyaliteitsconflict komen.
Dit argument is onzinnig omdat het iemands identiteit betreft en niet iemands nationaliteit. Neem Job Cohen, een politicus met een joodse achtergrond maar zonder Israelisch paspoort. Hij zal misschien waar het Israel betreft, ook het Israelische belang mee nemen. Door iemands paspoort af te nemen, verander je haar identiteit niet.
Dus het argument houdt geen steek want eigenlijk zeggen ze: bestuurders die een dubbele identiteit hebben zullen als het een gevoelige kwestie die dat andere land betreft aangaat, in een loyaliteitsconflict komen, omdat ze zich verbonden voelen met beide landen. Er geldt in Nederland echter dat de overheid niet bepaalde mensen mag uitsluiten van ambten omdat ze een bepaalde identiteit hebben. Dat principe heet ook wel non-discriminatie (artikel 1 wel eens van gehoord?). Artikel 1 wordt vaak onjuist toegepast, maar letterlijk betreft het alleen maar ambten bij de overheid.

2) Het is wenselijk als het Nederlandse parlement en in zekere zin ook het kabinet, een afspiegeling zijn van haar burgers. Ik begrijp dat mensen tegen positieve discriminatie zijn (liever een goede politicus, dan een politicus die een groep vertegenwoordigd), maar iemand afwijzen voor een staatssecretariaat, omdat zij een bepaald kenmerk heeft dat een deel van de Nederlandse burgers heeft, diskwalificeert niet alleen haar maar ook een deel van Nederlandse burgers. Schijnbaar hoeft die groep niet vertegenwoordigt te worden in het Nederlands bestuur, zijn het tweede rangsburgers. Ik wil liever een bestuur dat groepen vertegenwoordigd en insluit, dan dat ze die uitsluit.
Daarnaast is het zo dat in het Nederlandse kabinet, juist een aantal ministers zitten die niet met het Nederlandse belang bezig zijn, maar denken aan anderen. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking wordt soms de stem van Afrika in de Treveszaal genoemd. De minister voor Milieu denkt niet aan het belang van de huidige Nederlanders, maar zet zich in voor toekomstige generaties wereldwijd. Het is dus schijnbaar een wenselijk principe om politici te hebben die over landsgrenzen heen kunnen kijken. Wie kan dat nou beter dan iemand die zich verbonden voelt met twee landen?

Daarom dus twee staatssecretarissen met twee paspoorten: er is niets tegen, en het tegenhouden zou ons naar een meer uitsluitende dan insluitende vorm van democratie brengen.

Vrijheid als Ideaal

Een van de twee grondvesten van linkse politiek is vrijheid. Een complex begrip. Ik hoop hier te kunnen verhelderen wat vrijheid is door precies te kijken naar Isaiah Berlin’s definities van Negatieve en Positieve Vrijheid.

Isaiah Berlin stelde in 1957 voor dat er twee conflicterende tradities zijn die op een verschillende manier naar vrijheid keken:
Negatieve vrijheid: vrijheid als de afwezigheid van externe belemmeringen op het individuele niveau. Dat is nogal helder: als ik jou verbied een appel te eten heb ik je minder vrij gemaakt.

En positieve vrijheid, waarover hij nogal onduidelijk was, het is de mogelijkheid om je eigen potentie te verwezelijken maar ook om meester te zijn van je eigen leven en deel te nemen aan democratische besluitvorming. Als je echter naar de onderdelen van de definitie van negatieve vrijheid kijkt, kan je zien wat positieve vrijheid is en wat verschillende onvrijheden zijn:

1. De afwezigheid van externe belemmeringen op het individuele niveau: negatieve vrijheid. Een typisch voorbeeld is een man die net uit een gevangenis komt en nu eindelijk weer alles kan doen wat hij wilt.
2. De aanwezigheid van externe belemmeringen op het individuele niveau: negatieve onvrijheid. Iemand die gevangen is gezet bijvoorbeeld.
3. de afwezigheid van interne belemmeringen op het individuele niveau: één van Berlin’s visies op positieve vrijheid. Het vermogen om te doen wat je echt wilt, zonder angsten, remmingen en valse behoeftes. Een soort Freudiaanse vrijheid. Let wel: het ligt aan je opvatting van het goede leven, wat hier vrij zijn inhoudt, voor een Christen is leven volgens Gods wil echt vrij zijn. “Libertas est posse non peccare” (vrijheid is het vermogen niet te zondigen) zei Augustinus al. Maar sterker nog je kan iemand ook dwingen zo te leven als jij vindt dat hij hoort!
4. de aanwezigheid van externe belemmeringen op het individuele niveau: positieve onvrijheid. Iemand die niet weet wat hij eigenlijk wil.
5. de aanwezigheid van externe steun op het individuele niveau: één van Berlin’s visies op positieve vrijheid. Vrij zijn is kunnen doen wat je wilt. Als je daar steun voor nodig hebt dan kan je vrijer worden gemaakt door die steun. Een rolstoel maakt een gehandicapter persoon vrijer. Het kan om allerlei soorten steun gaan: sociaal, economisch of politiek.
6. de afwezigheid van externe steun op het individuele niveau: positieve onvrijheid. Niet kunnen handelen omdat anderen je weigeren te helpen, is ook een vorm van onvrijheid.
7. de aanwezigheid van interne steun op het individuele niveau: iets willen is een voorvereiste van iedere vorm van vrijheid.
8. de afwezigheid van interne steun op het individuele niveau: niets willen zou dus een vorm van onvrijheid zijn, zij het niet dat niets willen je ook vrij maakt. Berlin noemt de “the return to the inner citadel”.

Je zou ook naar het collectieve niveau kunnen stappen, wat in Berlin’s definitie van positieve vrijheid ook besloten zit:
1. De afwezigheid van externe belemmeringen op het collectieve niveau: negatieve vrijheid van het collectief. Soevereiniteit, het zijn van de hoogste macht over een volk en grondgebied.
2. De aanwezigheid van externe belemmeringen op het collectieve niveau: negatieve onvrijheid van het collectief. Een bezet land, een kolonie of provincie is in deze zin onvrij.
3. de afwezigheid van interne belemmeringen op het collectieve niveau: een vorm van collectieve positieve vrijheid, als niemand in de vergadering gebruik maakt van zijn veto recht, als er geen groep is die de besluitvorming ophoudt. Het gaat hier duidelijk om politieke belemmeringen. Democratische eensgezindheid. Ook dit is positieve vrijheid te noemen.
4. de aanwezigheid van externe belemmeringen op het collectieve niveau: positieve onvrijheid. Als er verdeeldheid is binnen de groep en groepen de besluitvorming frusteren of de besluiten vetoen: democratische onenigheid.
5. de aanwezigheid van externe steun op het collectieve niveau: Marshall hulp bijvoorbeeld, als de steun van andere groepen nodig is om een democratie op te bouwen.
6. de afwezigheid van externe steun op het collectieve niveau: een land zonder Marshall hulp dus.
7. de aanwezigheid van interne steun op het collectieve niveau: een meerderheid die een plan steun, lijkt erg op democratische eensgezindheid.
8. de afwezigheid van interne steun op het collectieve niveau: niets willen lijkt me voor collectieven geen echte vorm van vrijheid.

Er zijn dus verschillende soorten vrijheid:
* Negatieve vrijheid
* Positieve vrijheid als ondersteuning
* Positieve vrijheid als niet kunnen zondigen
* Positieve vrijheid als democratische soevereiniteit
Ik zal later proberen uit te leggen hoe deze zich verhouden tot de verschillende kernidealen van GroenLinks. Hoe dit verhoudingen verheldert en mogelijke problemen kan weergeven, maar dit nadat ik ook Gelijkheid het tweede grondvest van linkse politiek heb besproken.

EK 2007

Headlines 8 Maart 2007: NRC: “Schokkende uitslag Provinciale Statenverkiezing.” Volkskrant: “Zegetocht SP zet voor.” Trouw: “Partij voor de Dieren te klein voor Eerste Kamer.” Telegraaf: “PvdA kon verlies niet voorkomen.” Politieke conclusies worden ook getrokken: AD: “Tichelaar zaagt aan poten Bos.” Trouw: “Verdonk zinspeelt op overname VVD.” Volkskrant: “Marijnissen: “Bijna groter dan de PvdA! Nederland bedankt!”” NRC: “Boris van der Ham volgt Alexander Pechtold op.” AD: “Marrianne Thieme: “Zonder bekende lijstduwers komen we natuurlijk nooit in de Eerste Kamer”” Parool: “Linkse meerderheid in Eerste Kamer.” Trouw: “Coalitie houdt meerderheid in Eerste Kamer.”

Ik heb een wilde gok gemaakt. Een schatting voor de uitslag van de Eerste Kamer verkiezing van 2007. Voornaamste trends: SP verdrievoudigt. De Partij voor de Dieren haalt de Eerste Kamer niet. Zowel de LPF als de Onafhankelijke Senaatsfractie verdwijnen. VVD en CDA verliezen ligt (2 en 1). De PvdA verliest vier zetels. D66 houdt met een zetel stand (net aan!). CU verdubbelt (van 2 naar 4). GL en SGP blijven stabiel (Herman Meijer komt dus in de Eerste Kamer!).

CDA 22 (-1)
PvdA 15 (-4)
VVD 13 (-2)
SP 13 (+9)
GL 5 (0)
CU 4 (+2)
SGP 2 (0)
D66 1 (-2)
LPF 0 (-1)

De systematiek is de volgende: ik heb per partij de uitslag per provincie van de Tweede Kamerverkiezing van 2006 door 2003 gedeeld, dit levert een getal op dat aangeeft wat voor’n percentage winst de partij heeft geboekt. Dit heb ik per partij per provincie vermenigvuldigd met de uitslag van de Provinciale Staten 2003. Dan krijg je per provincie een uitslag die je kan omzetten naar zetels, waarmee je vervolgens de uitslag van de Eerste Kamer kan uitrekenen aan de hand van een onhandige formule. De data komt van deze zeer handige site.

Tovernarij natuurlijk. Een twee conclusies kan je aan de hand van dit “model” natuurlijk wel trekken: de kiesdrempel verhoging is slecht voor kleine partijen als de D66, PvdD, de provinciale partijen en de SGP. Dit zorgt ervoor dat veel van hen de Eerste Kamer niet halen. Een “linkse” meerderheid in de Eerste Kamer (van CU, via D66 tot SP) is ook in de Eerste Kamer mogelijk (precies 38 zetels) en de coalitie hoeft zich geen zorgen te maken om de uitslag, zij halen een zeer meerderheid (41 zetels).

NU SP NU ZEKER

De eerste verkiezingsposters worden weer geplakt, nu voor de aanstaande provinciale statenverkiezingen. De SP valt altijd op: simpele boodschap, simpel beeld. Toch is er deze keer een veelzeggende dubbele bodem in hun “NU SP NU ZEKER”.

De boodschap aan de oppervlakte is natuurlijk, stem nu, zelfs na de voor de SP mislukte formatie, het succes van de PvdA als onderhandelaar en de 25 zetels oorverdovende stilte, weer SP, want in de Eerste Kamer en Provinciale Staten zijn meer SP’ers nodig. Een hartverwarmende boodschap natuurlijk, maar zou iemand daarop stemmen?

De andere boodschap ligt er onder: stem SP voor zekerheid en tegen verandering (ten goede of ten slechte), stem SP voor mensen die zeker zijn van eigen overtuigingen en niet meer open staan voor nieuwe ideeen; stem SP voor de belangen van de mensen nu en niet voor komende generaties, stem SP voor de belangen van de mensen hier en niet voor mensen in andere delen van de wereld.

Maar ja, stem GroenLinks voor zoekende onzekerheid, ooit en ergens anders, is ook geen goede campagne-boodschap, hoe waar ook.