Locked Up

De Nederlandse regering wil een verbod op de burka: op school, in de trein, op het gemeentehuis. De burka belemmert de integratie en participatie van islamitische vrouwen. Het creeert een barriere tussen hen en de buitenwereld en is een teken van een onderdrukte positie. Nu een algeheel verbod er niet in zit probeert de overheid ze op bepaalde plaatsen, zoals op scholen, te verbieden. Ik denk dat je op veel plekken een burka kan verbieden (bij grote banken, op ambassades, tijdens speeches van Amerikaanse presidenten), maar op een plek niet: scholen.

We willen in Nederland dat islamitische vrouwen emanciperen uit hun achtergestelde en onderdrukte positie. De vraag is, als er een groep is onder deze vrouwen die alleen maar naar buiten wil of mag in een burka, je deze groep helpt door de burka op bepaalde plaatsen te verbieden. In plaats van dat je hen de kans geeft te participeren in het sociale leven sluit je ze daarvan uit. Deze vrouwen zouden in contact kunnen komen met onze eigen Westerse waarden van zelfontplooiing en gelijkheid tussen de seksen, juist in het onderwijs. Maar we ontzeggen deze vrouwen op deze manier de mogelijkheid om hier aan deel te nemen! Onderwijs is de manier om vrouwen te laten twijfelen over de waarden die ze van thuis uit als rotsvast hebben mee gekregen, om vrouwen te leren denken uit andere perspectieven en in contact te brengen met andere levensbeschouwingen, om vrouwen te laten zien dat ze ook gelijke kansen en gelijke rechten kunnen hebben. Als onze Westerse waarden zo goed zijn dan zullen vrouwen die onderwijs genieten daar zelf van overtuigd raken, en dus zelf de burka afzetten. Het lijkt paradoxaal, maar als je wilt dat vrouwen zelf afstand doen van de burka, dan zul je hen moeten toestaan om hem juist op scholen te dragen.

Een burka-verbod dwingt vrouwen afstand te doen van de uiterlijkheden van hun orthodox islamitische overtuiging, maar niet van deze innerlijke overtuiging zelf. Onderwijs biedt een kans om mensen kritisch te laten denken over zichzelf en hun eigen achtergrond, en de verschillende levensvisies in onze samenleving te leren kennen. Het biedt de mogelijkheid op echt vrije keuzes: keuzes vanuit een innerlijke overtuiging.

Amerikaanse onzin

Vandaag schreven Jan Paternotte en Andor Admiraal in de Volkskrant dat Nederland toe was aan Amerikaanse toestanden. De onderbouwing van hun claim dat Nederland toe was aan radicale democratisering op Amerikaanse schoen was dat de verschillen tussen de Amerikaanse Republikeinse en Democratische presidentskandidaten leek op de verschillen tussen Nederlandse partijpolitici. Paternotte’s en Admiraal’s argumentatie is gebaseerd op vergelijking. Hun vergelijking loopt echter volkomen spaak, waar het partij politiek betreft.

Paternotte en Admiraal stellen: "De verschillen tussen de kandidaten zijn substantieel: Romney, Huckabee en McCain zouden in Nederland misschien Roel Pieper, Andre Rouvoet en Jozias van Aartsen heten. Het politieke verschil tussen Hillary Clinton en Barack Obama is vergelijkbaar met dat tussen Femke Halsema en Wouter Bos uit de tijd dat die zijn partij nog wilde moderniseren."

Deze vergelijking loopt spaak en omdat dit spaak loopt zijn Nederlandse toestanden in Nederland veel beter dan Amerikaanse. Laten we de vergelijking die gemaakt worden eens na lopen.

Erger wordt het nog bij Mike Huckabee als Andre Rouvoet. De zuidelijke Baptistische ex-predikant en ex-gouverneur, die zich inzet voor het afschaffen van progressieve inkomensbelasting en zich verzet tegen abortus en homo-huwelijk en een groot hek om de Verenigde Staten wil zetten om vluchtelingen buiten te houden lijkt in geen zin op de Christelijk-Gereformeerde jurist en wetenschapper: Rouvoet leidt een Christelijk-sociale partij die abortus & euthanasie heeft laten vallen jeugd & gezin, die strijd voor een land is dat open staat voor asielzoekers. Ik zie het niet: omdat ze allebei Christelijk zijn? Is dat de gelijkenis?

Met John McCain en Jozias van Aarsten zie ik het echt niet meer. De eigenzinnige veteraan uit Arizona die zijn eigen middenkoers vaart door als Republikein te staan voor progressieve belasting, belasting op CO2 en open grenzen. Hij moet nu zijn best doen om als conservatief over te komen.  Hoe lijkt hij op de ex-ambtenaar en ex-minister, die onsuccesvol pseudo-leider van de VVD werd en problemen had met de concurrentie op nationalistisch rechts van Wilders. Omdat ze allebei concurrentie op rechts hebben? Maar dan gaat het wel om een heel ander soort rechts. Wilders is een nationalist McCain heeft geen last van nationalistische oppositie (als militaire held is dat zijn probleem niet), het probleem voor hem is het economisch rechtse programma. Dat is juist waar bij Van Aartsen geen last van.

Mitt Romney als Roel Pieper. Romney komt uit een rijke politieke Mormoonse
familie. Hij leidde  investment firms, de bedrijfsvoering achter de
2002 Winter Olympics en de staat Massachusetts. Daar voerde hij
universal healthcare in en een soort homo-huwelijk. Hij probeert nu
over te komen als de conservatieve kandidaat met de nadruk op
economisch protectionisme, maar heeft problemen met zijn liberale achtergrond.
Pieper saneerde ICT-bedrijven en is nu betrokken bij allerlei
initiatieven op het gebied van infrastructuur en energie. Hij heeft na
gedacht over een politieke partij
op een soort Fortuynistische grondslag, maar liet dat al snel zitten.
Ik zie het niet: hoe lijkt de flipflopping ex-gouverneur en
ex-ondernemer op de ondernemer met politieke aspiraties voor LPF. Omdat
ze allebei ondernemer zijn? Is dat de vergelijking?

Met Femke Halsema en Wouter Bos en Barack Obama en Hillary Clinton is mij het betoog volslagen onduidelijk. Het verschil tussen Obama en Clinton gaat over het verschil tussen vernieuwing en ervaring, tussen een iets progressiever en een iets linkser programma en natuurlijk tussen een man en een vrouw, en tussen zwart en wit. Het verschil tussen Halsema en Bos gaat over een linkse progressieve politicus van het centrum van de macht en linkse progressieve politica van de marges van de oppositie. Tussen een man en een vrouw natuurlijk. Beide staan voor vernieuwing binnen hun eigen partij en zij zijn in het zelfde jaar (1998) in de politiek gekomen. Paternotte en Admiraal specificeren niet wie ze met wie koppelen, maar laat ik er dit over zeggen: okay Halsema is een vrouw en Bos is een man, maar voor de rest is er geen gelijkenis tussen hun verschil: Halsema’s politieke lijn is alleen consequenter en principieler progressief links dan de gematigde koers van Bos. Dat politieke verschil is er niet tussen de iets progressievere Obama en de iets linksere Clinton. Kijk maar naar het door de VU ontwikkelde electoral compass.

Het centrale punt van het verschil tussen het Nederlandse en Amerikaanse politieke systeem is dat het Amerikaanse partijsysteem in principe een-dimensionaal is: als je rechts bent op economische thema’s ben je dat ook op milieu, migratie en ethische kwesties. Er zijn twee groepen: progressief-linkse Democraten en conservatief-rechtse Republikeinen, progressief-rechtse groepen zijn er niet, noch conservatief-linkse. En hier lopen dan ook de vergelijkingen spaak: de Christelijke
links-conservatieve koers van Rouvoet is anders dan de Christelijke rechts-conservatieve koers van Huckabee. De middenkoers van McCain (gematigd conservatief en gematigd rechts) lijkt niet op de rechts-progressieve koers van Van Aarsten.

Opvallend is dat Paternotte en Admiraal lid zijn van D66 een partij die een economisch rechtse koers met een cultureel progressieve koers combineert: dat is een stroming waarvoor er in de Verenigde Staten geen ruimte is. Het is of rechts-conservatief of links-progressief. Het is dit twee partijenstelsel dat zo kenmerkend en noodzakelijk is voor de Amerikaanse toestanden. Het Nederlandse proportionele kiesstelsel is het beste om ruimte te geven aan de bestaande diversiteit aan politieke opinies.

De Post-Bellerische Golf

Zouden we de huidige politiek van trots moeten zijn op Nederland kunnen verklaren op dezelfde manier als de nadruk op zelfontplooing van de jaren ’70 en economische zekerheid van de jaren ’50? En hoe verhoudt deze politiek zich dan tot de politiek idealen die toen dominant waren? Een hypothetische beschrijving.

In de jaren ’70 ging er een stille revolutie door de bevolking van de Westerse landen heen. Jonge mensen die nooit de armoede van de jaren ’30, van voor de verzorgingsstaat, hadden gekend, voelden zich niet verbonden met de materialistische waarden van hun ouders. Zij hadden geen boodschap in het streven naar financiele zekerheid en economische welvaart van de vorige generatie. Hun ouders  hadden in de jaren ’30 de schrik flink te pakken gekregen: de depressie, de massa-werkeloosheid en de armoede. Hier hadden hun kinderen geen herinnering van. Dus gingen deze kinderen zich zorgen maken om andere dingen: de verloedering van het milieu en de stand van de democratie, seksuele vrijheid en gelijkheid tussen de geslachten. In plaats van materiele zekerheid richtten zij zich op individuele zelfontplooing. De jongeren gooiden het roer van de politiek en de samenleving op. Het postmaterialisme kreeg een prominente plek in de politiek.

We zien nu een nieuwe generatie, alhoewel iets ouder dan de 20’ers van de jaren ’60, die andere herinneringen missen. Het huidige dominante politieke geluid kunnen zich de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging niet meer herinneren. Zij zijn niet opgevoed met de herinnering van oorlog en vervolging. De huidige politieke generatie die Trots op Nederland is, verzet zich tegen de politieke dogma’s die gegroeid zijn als gevolg van de Tweede Wereldoorlog: om een tweede Auschwitz te voorkomen werden non-discriminatie, open grenzen voor vluchtelingen en vrijheid van religie, privacy-bescherming en beperkte macht voor de politie politieke dogma’s; om de oorlog zelf te voorkomen was economische integratie tussen Frankrijk en Duitsland een belangrijk middel. De Europese Unie is geboren als een vredesproject. Het zijn zij die Trots op Nederland zijn die aan de verschrikkingen geen actieve herinnering meer hebben en dus ook niets in de fail safes en verdedigingsmechanismes zien. In de zin dat de voorgaande politieke omwenteling post-materialistische was, is dit dus een post-Tweede Wereldoorlog omwenteling, een post-bellerische.

Er zijn Twee opvallende relaties tussen de materialistiche, post-materialistische en post-bellerische generatie. Voor de de materialistische generatie was ook (nog) Christelijk. Evenzeer als het postmaterialisme het materialisme in sociale en politieke zin heeft overwonnen, heeft zij het Christendom ook overwonnen. Het Christendom werd uit de politieke verdreven en seksuele vrijheid en gelijkheid tussen de seksen, waar het  Christendom zich altijd tegen verzet had, werden politiek geaccepteerd. Het zijn zij die Trots op Nederland zijn die deze vrijheden en gelijkheden nu verdedigen tegen Islamitische migranten, als Nederlands cultuurgoed.

Voor de materialisten werd de Nederlandse identiteit geruild voor economische stabiliteit en welvaart: Indonesie werd opgegeven om de Amerikaanse Marshall hulp zeker te stellen, Nederlandse soevereiniteit werd opgegeven voor Europese integratie. De post-materialistische generatie omarmde dit afstand doen van de Nederlandse identiteit en begon zich te richten op de noden van ontwikkelingslanden of op hun eigen individuele ontplooing. Het is juist de "uitverkoop van Nederland" waar tegen de post-bellerische generatie zich verzet: Nederland moet soeverein zijn en niet verder integreren in de Europese Unie.

Zo zou het streven naar een Nederlandse identiteit en soevereiniteit verweven kunnen zijn met het eerdere streven naar economische zekerheid en culturele zelfontplooing, en de huidige politieke ontwikkelingen met de vergelende herinnering van de Tweede Wereldoorlog.

Campagne studies

Hoe gaan verschillende politieke partijen met publieke opinie om? Richten zij zich alleen op hun eigen programma of passen zij hun boodschap en misschien zelfs wel hun programma aan aan de mening en behoeften van de kiezers? Politici geven de voorkeur aan het eerste (ik heb een mandaat voor een programma) maar kiezers geven de voorkeur aan het tweede (luister naar mij!). Campagne managers zitten tussen deze twee vuren in: worden de verkiezingscampagnes van partijen bepaald door het politieke programma van de partij of door de publieke opinie?

Uit mijn eigen onderzoek voor de Universiteit Leiden blijkt dat bijna alle partijen, behalve de SGP en de PvdD, een balans proberen te slaan tussen publieke opinie en hun eigen programma. Op basis van kiezersonderzoek bepalen de partijen welke thema’s potentiele kiezers belangrijk vinden en zoeken vervolgens naar een overlap tussen deze thema’s en hun eigen programma. De SP trouwens gebruikt geen kiezersonderzoek maar baseert zich op haar contacten in de wijken. Sommigen partijen slagen er  beter in zo’n overlap te vinden dan. GroenLinks campaignde als Groen, Sociaal en Tolerant , maar uit kiezersonderzoek volgde dat alleen Groen en Tolerant voor potentiele GroenLinks kiezers er toe deed. Toch werd sociaal toegevoegd omdat het in het programma zo’n prominente plek had. Internationaal viel buiten de boot omdat dat, alhoewel prominent in het programma, er in campagnes niet toe zou doen. De ChristenUnie campaignde op Milieu, Sociale politiek en Jeugd en Gezin (ziet iemand de overlap?). Uit onderzoek bleek echter dat potentiele CU-kiezers Abortus en Euthanasie een veel belangrijker thema vonden dan milieu of jeugd en gezin. Toch koos de partij voor deze thema’s omdat zij vonden dat hier grote problemen waren om op te lossen. Programmatische overwegingen waren dus belangrijker dan electorale.

De SGP en de PvdD passen een andere logica toe: de SGP kiest haar thema’s op basis van programmatische overwegingen alleen. Get gezin was het kernthema van haar programma en van haar Bijbelse missie, dus ook van haar campagne. De PvdD heeft haar dierenrechten thema gekozen om de media te bespelen. De partij heeft eigenlijk een breed groen-sociaal programma maar denkt dat ze daarmee geen media aandacht  zullen krijgen. Door zich te profileren als partij voor de dieren krijgen ze wel media-aandacht. Selectie is dus noch gebaseerd op haar eigen programma of op de behoeften van de kiezers, maar op de werking van de media.

Bij de SP en de PvdD speelde publieke opinie ook een rol in het schrijven van het verkiezingsprogramma. Terwijl in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk partijen vaak posities kiezen omdat ze goed liggen bij de bevolking, kiezen de PvdD en de SP voor het tegenovergestelde: sommige posities niet noemen omdat ze niet goed liggen bij de (hele) bevolking. Maar dat geldt alleen als de posities die daarnaast ook formeel niet nodig zijn. Dus zegt de PvdD in haar beginselprogramma niets over evolutietheorie of creationisme om geen kiezers te weren van wege (meta)fysische en niet-politieke standpunten en de SP zegt niets over de NAVO en het koningshuis om geen kiezers af te schrikken met zaken die de SP toch niet kan waarmaken in vier jaar.

Alle partijen, behalve de programmatische SGP, slaan een balans tussen programma en publieke opinie en in geen van de partijen domineert een van deze twee overwegingen.

123 and counting

Na 123 berichten en bijna een jaar bloggen is het misschien goed om terug te kijken op wat ik geschreven heb. Er zijn een aantal terugkerende thema’s in de geschiedenis en evolutie van het weblog.

Idealen
Dit weblog is ooit begonnen om mijn ideeen over de verhouding tussen mijn eigen kernidealen (vrijheid en gelijkheid, diversiteit, democratie, solidariteit, duurzaamheid & vrede) verder uit te werken. Ik ben dit begonnen met de Idealen van GroenLinks en heb me vervolgens gericht op vrijheid. Dit werd al snel een te schematisch en analytische operatie, die dus op een zacht pitje werd gezet. Toen ik eenmaal in het toekomstproject in gerold was kreeg het vernieuwd belang. En ben ik teruggekeerd naar de idealen van groene partijen wereldwijd en heb ik de verschillende GroenLinkse idealen tegenover elkaar gezet en samengebracht.

GroenLinkse geschiedenis
GroenLinks en met name de politieke koers van GroenLinks is ook een belangrijk thema. Dan gaat het over  tegenstelling tussen GroenLinksser die een machtsblok links van de PvdA na streven en zij die een vernieuwende ideeenpartij willen zijn; de verhouding tussen de huidige politieke koers en die van de voorgangers, met name de PPR als de PSP; en groene gehalte van GroenLinks. Dit heeft geleid tot een analyse van de politieke koers van GroenLinks en DWARS door de jaren heen en de verhouding tussen die twee.
Ik heb GroenLinks ook in vergelijkend perspectief proberen te plaatsen. Door de vergelijking te trekken met de Deense SFp en andere GroenLinkse partijfusies. En te kijken wat ik zou stemmen in 1918, in Israel en als GroenLinks niet bestond.
Ook heb ik GroenLinks proberen te plaatsen in het nieuwe politieke spectrum als linkse en progressieve partij, als partij die strijd voor een open samenleving en een eerlijke verdeling van inkomen. Uit deze positie komen dan ook je politieke bondgenoten, niet de cultureel conservatieve SP of de economisch rechtse D66 maar de progressief-linkse PvdA, de partij van de goede intenties.

GroenLinkse & DWARS events, organisaties en campagnes
Er waren ook gewoon gebeurtenissen bij DWARS en GroenLinks die besproken moesten worden. Een beschouwing heet van de naald: cool politics, de klima-mantelorganisatie van GroenLinks, de partijraad, die zich weigert te vernieuwen, het rapport van de commissie van Ojik, mijn eigen betrokkenheid in de evaluatie en de evaluatierapporten van andere partijen, de dramatisch verlopen EK-verkiezingen en de tsunami die erop volgde in de blogosfeer en het omarmen van het Europese Hervormingsverdrag door de partijtop. DWARSe events als het zomerkamp en de basiscursus werden ook verslagen.

GroenLinks Toekomstproject
Dit jaar werd ik ook lid van het begeleidingspanel van Project 2008. Met een eigen agenda en een DWARSe achterban werd me echter als snel duidelijk dat ik als een soort Alice in een chaotische, onvoorspelbare wereld terecht was gekomen. Debat in de Tent was het (voorlopige) hoogtepunt van het toekomstproject. De reis ernaar toe, de sfeer en feest, de debatten over internationale politiek, milieu, sociale politiek, emancipatie en andere beginselprogramma´s proberen te analyseren. Project 2008 leverde tot nu toe een lange lijst van notities, verslagen, papers en discussiestukken op: Over het project in het algemeen, de voornaamste politieke en sociale veranderingen in de laatste 15 jaar, debat in de tent, allerlei dillema´s voor GroenLinkse politiek die uiteindelijk allemaal weggegooid konden worden, en over het ideaal solidariteit.
 
Partij voor de Dieren: publiek en privaat-onderscheid

Twee naaste concurrenten van GroenLinks hebben mijn bijzondere aandacht. De Partij voor de Dieren en de SP. De PvdD niet zo zeer omdat ze geen bestaansrecht heeft als kleine groen-sociale partij of omdat de partij gesteund wordt door karakters uit boeken, maar omdat de partij een voor mij fundamenteel politiek principe schendt: de scheiding van de publieke en de private sfeer. Dit begint met hun keuze om als politieke partij zich te bemoeien met de interne zaken binnen een vereniging, maar uit zich met name in haar foute uitgangspunt dat politiek gaat om mededogen in plaats van rechtvaardigheid: de publieke kernwaarde is rechtvaardigheid, en mededogen is een private waarde. DWARS heeft echter ook problemen met dit onderscheid bijvoorbeeld in haar verzet tegen de Birmese Junta. Een gerelateerd probleem is de aard van de publieke ruimte.

SP: populisme  
Waar mijn bezwaar tegen de PvdD zich richt tegen haar politieke grondslag, vind ik die bij de SP fascinerend: De verschuiving van Maoistisch revolutionair naar sociaal-democratische hervormingsgezinds is opvallend. Mijn bezwaar tegen de SP is de huidige politieke koers. Zowel haar politieke boodschap die gericht is op zekerheid, behoud en patriotisme, dat ver af staat van linkse politiek, als haar gebruik van propaganda (zie ook Nee = Nee en Sorry), dominante positie van Jan M. en de berekende tactiek van de partij. Dat betekent overigens niet dat we geen dingen van de SP kunnen leren. 

Democratie
Als politicoloog en filosoof is democratie een belangrijk thema. Ik heb hier een aantal opvattingen over gedebiteerd: Over postmaterialistische democratie die zich niet meer richt op belangen maar op idealen. Over het belang van een insluitende democratie waar niemand wordt buiten gesloten, niemand verliest, maar juist iedereen zijn evenredige deel krijgt: ook binnen GroenLinks en zelfs bij referenda . En over de boven al beschreven scheiding tussen publiek en privaat, tussen politiek stelsel dat weet wat het goede leven is, dat aan mensen zelf overlaat of dat door experimenten probeert te leren.
Nog uit te werken idee is dat in een parlementair democratisch stelsel een kleine oppositiepartij als GroenLinks de politieke agenda niet domineert maar alleen maar de grote regeringspartijen kan  verleiden hun eigen idealen beter uit te voeren en de  relatie tussen personen, partijen, macht en vernieuwing.

Verdelende Rechtvaardigheid
Voor mij als politiek filosoof blijft verdelende rechtvaardigheid het meest fascinerende thema. Hoe moet je de economie inrichten? Kies je voor herverdeling of gemeenschappelijk bezit als uitgangspunt van linkse politiek? Hoe moet je inkomen verdelen of belasting heffen? Hoe stel je mensen instaat om zelf vorm te geven aan een rechtvaardige economie? Hoe combineer je kansengelijkheid met vrije keuze in het onderwijs en in de gezondheidszorg? Hoe geef je vorm aan solidariteit tussen generaties en tussen staten? Wat moet je doen om mensen te emanciperen? En  hoeveel kan de overheid van je verlangen?
 
 Vrijheid
Vrijheid speelt is mijn denken steeds belangrijker geworden. Ik wil nu zelfs rechtvaardigheids alleen defineren als vrijwilligheid in termen van negatieve vrijheid, dat is gelijke vrijheid in contrast met sommigen. Halsema’s nieuwe ontspannen samenleving en de Groene nadruk op Friluftsliv leggen een sterke nadruk op positieve vrijheid. Dit is een spanning tussen mensen vrij laten of ze vrij maken, tussen een ideaal van het goede leven opleggen of mensen dat zelf laten onderzoeken. Deze nadruk op vrijheid onderligt dan ook mijn verzet tegen bv. terrorisme en het Mein Kampf verbod.
  
Politieke Ruimte
Mijn eigen wetenschappelijke interesse gaat uit naar politieke ruimte, zoals bijvoorbeeld door het political compas weergegeven. Alle politieke partijen zijn nu sterk verdeeld tussen progressieve en conservatieve stromingen en de politieke partijen tussen verschillende organen. Maar opvallender nog is de verandering van de politieke ruimte zelf in de laatste 100 jaar. Steeds waren links en rechts dominant, maar was er een tweede tegenstelling tussen seculier en confessioneel, tussen postmaterialistisch en materialistisch en nu tussen trots op Nederland en de open samenleving.

Buitenlandse politiek
Ook heb ik over de grens gekeken: naar het Belgische kiesstelsel en de formatie, naar de Deense politieke ruimte en de primary strijd in de Verenigde Staten.
Ik heb veel minder over internationale politiek geschreven: iets over mijn eigen ambivalente relatie ten opzichte van oorlog en vrede
en mijn ongeloof in het bestaan van de staat.

Wikipedian science
Ik heb ook een klein aantal onderzoekjes op basis van bv. wikipedia gedaan: over de politieke voorkeur van wikipedianen, over homofobie in Europa en de academische posities van senatoren.

Verkiezingsuitslagen
Ook heb ik een aantal voorspellingen gedaan over de verkiezingen van 2011, later bijgesteld en  geupdate naar aanleiding van de verkiezing van de politicus van het jaar. Succesvoller  was mijn voorspelling van de Eerste Kamerverkiezingen.

Persoonlijk
Heel soms vind ik het nodig om over mij zelf als persoon te schrijven, over mijn keuze voor de toekomst als politicoloog en niet als politicus, wat veel mensen die horen dat je politicologie studeert toch denken. Over mijn drukke leven, ambities, muzikale voorkeuren en hobby’s. En nu dus over het bloggen zelf.

Democratische strijd vernauwt zich

Met het uitvallen van Edwards is de Amerikaanse presidentiele strijd vernauwd. In de Democratische kamp zijn er nog twee kandidaten over. Hillary vs. Obama. En hiermee focust de Democratische strijd zich op verandering versus de gevestigde macht, op woorden versus daden, op groenheid versus ervaring, op bruggenbouwen versus polarisatie. De kandidaten verschillen sterk, al was het alleen al qua demografische kenmerken: man versus vrouw, allochtoon versus autochtoon, zwart versus wit, Calvinistische versus Arminaanse Protestant, jong (generatie Wouter Bos) versus oud (generatie Wim Kok). Qua inhoudelijke standpunten is het verschil niet echt groot: Clinton is iets linkser en Obama is iets progressiever als ik de stemwijzer moet geloven.

Ik ben geloof ik undecided in de race. Eerst geloofde ik het potentieel van Obama niet: te jong, te rhetorisch, te onervaren. Hij leek me de Amerikaanse equivalent van Bayrou. Een door de media-gehypede kandidaat van het (progressieve) midden die geen electorale kans tussen Links en Rechts heeft, maar alleen maar door de media wordt gepushed om de race spannend te houden. Obama is nu echter de leidende kandidaat. Hij lijkt sterk op de Wouter Bos van de verkiezingen van 2003: hip, jong en charismatisch.

Ik zag wel wat in Clinton, een soort Franse Segolene Royal. Een nieuwe generatie van ervaren vrouwelijke leiders, die een einde zou maken aan de harde politiek die laatste tijd zo domineert. Maar de politieke skills van Clinton beginnen in haar tegendeel te werken: Ze is te ervaren in het spelen van politieke spelletjes (denk aan het proberen te krijgen van de delegates van Michigan en Florida en te polariserend binnen haar eigen Democratische partij (denk aan het overlopen van Ted Kennedy). Ze lijkt nu sterk op de Ad Melkert van de verkiezingen van 2002: politiek ervaren en goed in het spelen spelletjes, koud, afstandelijk en als ze sympathiek probeert over te komen hebben ze het over eten (Melkert: koken; Hillary: gezond eten).

Zelfs in de voorverkiezingen van zo’n twee partijenstelsel zie je het nadeel: geen keuze alleen maar Scylla’s en Charibdissen.

SP & Propaganda

Voor de drie keer in bijna een week verzet de SP zich tegen "staatspropaganda". Eerst mag de overheid geen geld geven aan een organisatie die zich inzet voor Europese integratie, vervolgens mag de overheid geen televisie programma’s sponsoren en nu mogen politici niet in het bestuur van "hun" Nationaal Historisch Museum. Als Jan M. daar zelf echt in had gelooft dat het Nationaal Museum geen speelbal van politici mag zijn, waarom heeft hij er zelf zich dan zo voor ingezet?  De politieke traditie waarin de SP staat is niet wars van propaganda, en de partij heeft er zelf ook een handje van.

Er is hier een opvallende spanning voor een linkse anti-establishment partij. Enerzijds is de partij voor een sterke staat in sociaal (grote verzorgingsstaat), economisch (overheidssturing) en internationaal opzicht (Europa van staten), maar ook in cultureel opzicht (tegen bijzonder onderwijs, voor staatsonderwijs dus). Anderzijds verzet de SP zich tegen propaganda van de elite, van de top van de staat: de hoge heren uit den haag mogen hun mening niet aan de burger opdringen. Niet zo zeer omdat mensen hun mening niet aan anderen mogen opdringen, maar omdat de SP zich verzet tegen de mening van het establishment. Onder het mom van verzet tegen staatspropaganda verzet de SP zich tegen propaganda van de Eurofiele, multiculturele elite.

Als er niet zo iets onzinnigs werd verdedigd als de multiculturele samenleving, of Europese integratie, maar typische SP thema’s als sociale cohesie en gelijkheid, dan zou de SP niets te klagen hebben, en als de SP zelf de touwtjes in handen zou hebben, verwacht ik zeker dat de staat zal worden ingezet om het evangelie van Jan te verspreiden.

SP van Revolutie naar Hervorming

In de Open Society and Its Enemies neemt Karl Popper stelling tegen het utopianisme. Dit is het idee dat je naar een ideale samenleving moet streven en dat alle middelen gerechtvaardigd zijn om deze idealen te bereiken. Er moet een radicale, revolutionaire verandering plaats vinden van de huidige samenleving naar een nieuwe, ideale samenleving. Tegenover utopian social engineering stelt hij piece meal social engeering (hervormingen). Deze kleinschalige hervormingen zijn gericht op het aanpakken van sociale problemen. Utopische social engineering gaat onvermijdelijk, volgens Popper, gepaard met geweld, onderdrukking en onvrijwilligheid. Piece meal social engineering  is juist experimenteel, democratisch en kleinschalig. In die zin zou je kunnens stellen dat Popper sociaal-democratie verdedigt tegenover revolutionair socialisme.

Het werk van Mao neemt een opvallende tussen positie in. Anders dan Lenin of Marx heeft Mao een sterk populistische instelling. Een socialistische revolutionair moet voortbouwen op het revolutionaire potentieel van het volk en moet leren van het volk. Mao koppelt kleinschalige hervormingen aan het uiteindelijke socialistische ideaal. De socialitische  revolutionair moet zich inzetten voor de korte termijnbelangen van het volk om hen zo te winnen voor de socialistische revolutie.

De SP komt voort op dit Maoisme. In de jaren ’80 maakte de partij een transformatie door: de nadruk kwam steeds meer te liggen op de sociale hervorming en steeds minder op de socialistische revolutie. Voor een Marxist zou dat een radicale verandering zijn geweest, voor een Maoist is dat "changing gears". Hervorming en revolutie zaten sowieso al in het pakket van de SP, de partij wisselde alleen van nadruk. De huidige sociaal-democratisering van de SP past in deze lijn. De partij verliest haar utopian social engineering strategie, maar behoudt haar piece meal social engineering strategie.

 

Echte solidariteit tussen generaties

De hedendaagse economie bevoordeeld ouderen boven jongeren. Een jongere heeft minder inkomen en minder zekerheid dan iemand die ouder is. Denk er maar over na: jongeren hebben vaker flex-werk, hebben vaker deeltijd werk, krijgen minimumjeugdloon, krijgen minder loon, omdat ze korter bij bedrijven zitten dan oudere collegas, minder werkervaring en minder vaak een afgeronde opleiding hebben. Daarnaast hebben ouderen over hun leven de kans gekregen om meer geld en goederen te verzamelen. Jongeren moeten nieuwe dure huizen kopen of huren of moeten lang op een huur of koophuis wachten omdat ouderen in goedkope huizen blijven zitten. Jongeren worden vaker ontslagen (LIFO) en hebben minder arbeidsbescherming dan ouderen. En krijgen mensen op middelbare leeftijd vaak de erfenis van hun ouders. Uiteraard zit in deze opsomming veel verschillende soorten jongeren: mensen die nog studeren, mensen die net zijn gestart op de arbeidsmarkt, etc. Maar de lijn is duidelijk: jongeren komen er in vergelijking met ouderen veel minder goed vanaf, met name waar het inkomen en zekerheid betreft.

Tegenover dit gebrek aan zekerheid en inkomen staat echter dat jongeren iets hebben wat ouderen niet (meer) hebben: een kans om iets van hun leven te maken. Jongeren beginnen met een clean slate aan een nieuw leven. Je zou kunnen zeggen dat alle jongeren (gedwongen) inkomen en zekerheid ruilen voor de kans om een eigen leven op te bouwen. Dat klinkt als een goede ruil, maar is dat niet. Om iets van je leven te maken heb je juist inkomen nodig. Als je een opleiding wil volgen, een eigen bedrijf je wil beginnen of een huis wil kopen, heb je juist geld nodig. Een kans is zinloos zonder de middelen om iets van die kans te maken.

Ik zie je denken: maar jij, je studeert toch, met financiele steun van je ouders. Die helpen je toch om iets van je leven te maken? Je hebt de middelen en de kansen. OK, misschien heb ik die wel, maar dan zijn die middelen oneerlijk verdeeld. Omdat mijn ouders rijker (of vrijgeviger) zijn dan de ouders van sommige andere jongeren kan ik beter gebruik maken van die kansen dan hen, en omdat mijn ouders armer (of gieriger) zijn dan de ouders van weer andere jongeren kan ik minder goed gebruik maken van mijn kansen dan hen. Dat lijkt me typisch een geval van onrechtvaardigheid: vanwege iets waarvoor ik niet gekozen heb (mijn ouders) ben ik beter af dan anderen. Je zou moeten streven naar een gelijkere verdeling van deze middelen.

Een oplossing is voorgesteld door Ackerman en Alscott een "stake in society" (.pdf). Geef mensen die succesvol hun middelbare school afmaken een aandeel in de maatschappij van $ 80,000 (zo’n  55,000 euro). Dat bedrag kunnen zij vrij uitgeven aan wat ze maar willen: een opleiding, een huis, een eigen bedrijf. Zo geef je iedereen gelijk wat hun ouders ze zouden geven en koppel je de kansen van jongeren aan middelen om hun kansen te gebruiken. Dat bedrag op de bank geeft ook een vorm van zekerheid. Zelfs als je het niet gebruiken zou geeft het ongeveer 200 euro rente per maand. Op middelbare scholen zou je dan aandacht moeten besteden aan de stake die eraan komt: je wordt natuurlijk voorbereid op de verantwoordelijkheid over je eigen toekomst die je nu materieel krijgt.

Inkomen zonder verantwoordelijkheid? Hoe gaan we dat betalen dan? Ackerman en Alscott stellen voor om de uitkering te betalen uit de erfenissen. Met als basaal principe dat je aan het eind van je leven terugbetaald wat je van de overheid heb gekregen. Intergenerationele solidariteit dus. Anders dan bij het basisinkomen of een bijstandsuitkering is dit geen gift, maar je leent het geld als het ware van je toekomstige zelf.

Kijk dat is nog een positieve, vrijzinnige kijk op de kansen jongeren in contrast met de negatieve dwang en paternalisme dat we van sommige sociaal-democratische taatssecretarissen kennen.