De Nieuwkomer Nadoen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Hieronder de volledige Nederlandstalige samenvatting.

Nieuwe politieke partijen hebben mogelijk een bijzondere rol in de politiek. Ze zouden invloed kunnen hebben op hoeveel aandacht bestaande politieke partijen besteden aan thema’s en de posities die ze innemen op thema’s. Sommige nieuwe partijen, zoals de dierenwelzijnspartij Partij voor de Dieren en de ouderenpartij Unie 55+ stelden dit doel expliciet voor zichzelf: ze gaven in interviews en programma’s aan dat ze niet verwachten dat ze meteen een grote kiezersschare zullen krijgen, maar dat ze door hun aanwezigheid bestaande partijen willen dwingen om meer aandacht te besteden aan hun thema’s of hun standpunten over te nemen. Andere partijen tonen grotere ambities. Zo wilde D66 het bestaande politieke stelsel opblazen. Nieuwe partijen kunnen op allerlei manieren indirect invloed uitoefenen op de bestaande partijen en het partijensysteem. Ze kunnen nieuwe onderwerpen op de agenda zetten, bestaande partijen dwingen om hun posities te veranderen, of de structuur van het partijensysteem veranderen. Dit onderzoek richt zich op deze indirecte effecten van nieuwe partijen.

Natuurlijk zijn er ook partijen die nog grotere verwachtingen hebben. Pim Fortuyn, de leider van de Lijst Pim Fortuyn zei ooit: “Ik word de volgende premier. Let maar op!”[1] Door toe te treden tot de regering kunnen nieuwe partijen direct invloed uitoefenen op beleid. Er zijn echter goede redenen van uit de politicologische theorie om een onderzoek te richten op het indirecte effect van nieuwe politieke partijen. Een aantal voorname politicologen, zoals Downs, Daalder, Lijphart en Mair hebben voorgesteld dat nieuwe politieke partijen indirect effect kunnen hebben op het partijensysteem. Downs, bijvoorbeeld, stelde dat nieuwe partijen gevormd kunnen worden met het expliciete doel om de bestaande partijen te dwingen hun posities aan te passen. Hun hypothesen zijn echter nooit uitgebreid onderzocht. Dat is het doel van dit onderzoek.

Politieke partijen zijn conservatieve organisaties, die niet snel geneigd zijn om hun politieke posities te veranderen, behalve als ze zich daartoe voelen gedwongen vanuit electorale overwegingen. Iedere zetel die een nieuwe partij wint, is afkomstig van een bestaande partij. Dus zelfs als nieuwe partijen kleine oppositiepartijen blijven, kunnen ze invloed uit oefenen op de beleidsposities van bestaande partijen, en daarmee op het overheidsbeleid. Zo kunnen nieuwe partij invloedrijke actoren zijn – zij het indirect door hun invloed op bestaande partijen.

Maar nieuwe partijen kunnen niet alleen invloed uitoefenen door stemmen te winnen van bestaande partijen. In het parlement kunnen andere mechanismen een rol spelen. De besluitvorming in het parlement volgt vaak vaste paden: de aard van het politieke conflict staat vast, de conflictslijnen zijn getrokken, daarom staan de meerderheden ook al vast en dus ook de uitkomsten van besluitvorming. De geïnstitutionaliseerde, gestructureerde besluitvorming in het parlement kan nieuwe politieke partijen marginaliseren. Het is echter ook mogelijk dat nieuwe partijen deze mechanisme uitbuiten en een grote invloed kunnen hebben op besluitvorming. Nieuwe politieke partijen kunnen een externe schok zijn die de geïnstitutionaliseerde parlementaire besluitvorming ontregelen. Zo kunnen ze nieuwe onderwerpen op de parlementaire agenda zetten en de aard van het politieke conflict veranderen.

Volgens Mair hebben nieuwe partijen een bijzondere rol in politieke competitie. Mair dat de politieke competitie tussen nieuwe en bestaande partijen even belangrijk is als de competitie tussen bestaande partijen. Bestaande partijen hebben er belang bij om de bestaande conflictslijnen in stand te houden: de bestaande linkse en rechtse partijen ontlenen hun posities in het partijenstelsel en hun legitimiteit aan deze conflictslijn. Nieuwe partijen hebben er belang bij om nieuwe conflictslijnen te introduceren en daarmee het politieke conflict te herdefiniëren. Dit betekent echter ook dat bestaande partijen er een bijzonder belang bij hebben om nieuwe partijen op te nemen in politieke bondgenootschappen. Mair en Bale stellen dat de coöptatie van nieuwe partijen in linkse of rechtse politieke allianties de bestaande links-rechts-dimensie versterken. Hierdoor zou het aantal dimensies in het politieke systeem zelfs kunnen verminderen.

Nieuwe politieke partijen kunnen dus politieke verandering teweeg brengen. Het onderzoek in dit veld is beperkt, zo stelde Harmel. Sindsdien zijn er een aantal studies naar het effect van nieuwe partijen geweest. Norris noemt de case-study van Harmel and Svåsand het meest systematische onderzoek. Er zijn een aantal studies gepubliceerd daarna maar deze richten zich op specifieke nieuwe partijen of specifieke partijfamilies.[2] Dit onderzoek is uniek omdat het zich richt op alle nieuwe partijen, die een parlement binnen treden.

Dit onderzoek probeert een antwoord te geven op de vraag in welke mate en onder welke voorwaarden nieuwe partijen invloed uitoefenen op bestaande partijen en partijsystemen. Dit onderzoek kijkt naar alle reacties van bestaande partijen, zowel in termen van aandacht voor onderwerpen als de positie op die onderwerpen. Het richt zich zowel op de parlementaire arena, als op de electorale arena. Ten slotte, kijkt het zowel naar het effect van nieuwe partijen op bestaande partijen en op het partijenstelsel.

Dit onderzoek richt zich op de reacties van alle bestaande partijen op alle nieuwe partijen in één land, Nederland, sinds 1946. De reden om een enkel land te onderzoeken is dat op deze manier eigenschappen van het politieke stelsel die invloed kunnen hebben op de mate nieuwe partijen invloed kunnen hebben op bestaande partijen, constant worden gehouden. Omdat Nederland zo’n open politieke systeem heeft, zeker in termen van het kiesstelsel is er een groot aantal nieuwe en bestaande partijen om te onderzoeken. Nieuwe partijen zijn in dit onderzoek gedefinieerd als organisaties die verkozen vertegenwoordigers in het parlement hebben voor de eerste keer en niet gevormd zijn als een transformatie van een bestaande partij of als een fusie van twee bestaande partijen. Dit onderzoek richt zich op de invloed van negentien nieuwe partijen op gemiddeld negen bestaande partijen. De uitkomsten van dit onderzoek hebben ook betekenis buiten de grenzen van Nederland. Nederland is geselecteerd als een meest waarschijnlijke casus om effecten te zien van nieuwe partijen. Met het grote aantal en zeer diverse aanbod van nieuwe partijen is het waarschijnlijk dat als nieuwe partijen invloed hebben op bestaande partijen, men dat hier kan zien. Als er geen effect van nieuwe partijen wordt waargenomen in Nederland, dan is het onwaarschijnlijk dat dit buiten Nederland wel gevonden kan worden.

De belangrijkste uitkomst van dit onderzoek is dat er een groot verschil is tussen de parlementaire en de electorale arena. Terwijl in de parlementaire arena de binnenkomst van een nieuwe partij over het algemeen leidt tot een reactie van de bestaande partijen, is dit minder duidelijk voor de electorale arena. Waar het gaat om aandacht voor onderwerpen kan er een directe vergelijking gemaakt worden tussen beide arena’s. In de parlementaire arena leidt de aanwezigheid van een nieuwe partij tot een verandering van de aandacht voor het onderwerp van die partij. In de electorale arena gaat dit niet op: er kan wel voor sommige nieuwe partijen een effect gevonden worden voor sommige bestaande partijen. Het verschil in de reacties tussen deze twee arena’s heeft te maken met de aard van deze twee arena’s. In de parlementaire arena is er een parlementaire agenda waar bestaande partijen zich aan moeten houden, terwijl in de electorale arena bestaande partijen er belang bij hebben om zich te richten op hun eigen onderwerpen.

De aard van de politieke arena heeft effect op de manier waarop bestaande partijen reageren op nieuwe partijen. De parlementaire agenda is een bijzonder politiek construct: aan de ene kant, geven politieke partijen zelf vorm aan de parlamentaire agenda door hun eigen initiatieven. Aan de andere kant beperkt de parlementaire agenda waar nieuwe partijen over kunnen spreken. Door de parlementaire agenda te veranderen, kunnen nieuwe partijen de activiteiten van individuele partijen beïnvloeden. Door bijvoorbeeld zelf actief te zijn op het eigen onderwerp, kunnen nieuwe partijen de definitie van het politieke conflict beïnvloeden. Om controle te houden over de definitie van het conflict op dat onderwerp, moeten bestaande partijen zelf actief worden op dat onderwerpen. Door zich zelf los te maken van de parlementaire agenda kunnen nieuwe partijen de parlementaire agenda beïnvloeden.

In de parlementaire arena hebben de eigenschappen van nieuwe partijen een effect hebben op de reacties van bestaande partijen: sterker georganiseerde nieuwe partijen, nieuwe partij die meer zetels hebben gehaald en nieuwe partijen die meer aandacht besteden aan hun eigen onderwerpen, veroorzaken meer reacties dan nieuwe partijen die slechter zijn georganiseerd, kleiner zijn en minder aandacht besteden aan hun eigen onderwerpen. Ook kan er een onderscheid gemaakt worden tussen mobiliserende en uitdagende nieuwe partijen. Mobiliserende nieuwe partijen proberen een nieuw onderwerp op de agenda te brengen, terwijl uitdagende nieuwe partijen een bestaande partij uitdagen op zijn eigen onderwerp. Dit onderzoek laat zien dat mobiliserende nieuwe partijen inderdaad nieuwe onderwerpen op de agenda zetten: er is meer aandacht voor die onderwerpen en er wordt vaker verdeeld overgestemd over deze onderwerpen. Voor uitdagende partijen is er geen verandering in aandacht zichtbaar. Noch is het zo dat de partijen die ze uitdagen van positie veranderen. Wel is het zo dat grote partijen aan de overkant van het politieke spectrum een extremere positie innemen. Dit kan begrepen worden vanuit het strategisch perspectief van Meguid: deze grote partijen proberen de uitgedaagde partij in het nauw te brengen door het conflict aan te gaan met diens uitdager.

Waar het gaat om de posities van bestaande partijen op vraagstukken, zien we dat de binnenkomst een nieuwe partij in de parlementaire arena samenhangt met de polarisatie van eerder nog niet-gepolariseerde vraagstukken en het versterken van het politieke conflict op dat onderwerp. Nieuwe partijen creëren geen nieuwe conflicten, maar brengen nieuw leven in bestaande conflicten.

Er is geen bewijs dat de aanwezigheid van nieuwe partijen per se ertoe doet voor de aandacht die nieuwe partijen besteden aan onderwerpen in hun verkiezingsprogramma’s na hun binnenkomst. Voor zo ver we betekenisvolle patronen vinden, lijken bestaande partijen nieuwe partijen sterker te anticiperen, dan dat ze op nieuwe partijen reageren na hun binnenkomst. Zowel voor aandacht als voor posities geldt dat er meer betekenisvolle relaties gevonden zijn voor anticiperend gedrag dan voor reactief gedrag. Bij het schrijven van verkiezingsprogramma’s zijn nieuwe partijen niet zo zeer bezig met het winnen van de laatste slag, maar -onder specifieke voorwaarden- zijn nieuw partijen zeer bewust van het conflict dat ze die verkiezingen aan zullen gaan. Bestaande politieke partijen zijn conservatieve organisaties die alleen op hun omgeving reageren als ze verkiezingen hebben verloren: Als bestaande partijen de verkiezingen hebben verloren hebben ze een reden om op hun omgeving te reageren. Het meest consistente patroon dat is gevonden in de electorale arena is dat nieuwe partijen het sterkst reageren en anticiperen op nieuwe partijen, als ze de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Dit geldt zowel voor aandacht als voor positie.

Het effect van nieuwe partijen op het partijsysteem is onderzocht in het parlement, waar op het niveau van de individuele partij de sterkste reacties zijn waargenomen. Als nieuwe partijen effect zouden hebben op de conflictslijnen dan is het hier. Voor zo ver als veranderingen van conflictslijnen teruggebracht kunnen worden naar nieuwe partijen, duidt de data erop dat nieuwe partijen geassocieerd worden met het verminderen van de dimensionaliteit van partijsystemen. Dit is in tegenstelling met de verwachtingen die op basis van het werk van Mair, Schattschneider en Pellikaan et al. geformuleerd zijn. Dit kan verklaard worden door twee mechanismen: op de onderwerpen die nieuwe partijen introduceren, volgen partijposities de links-rechts-dimensie; en omdat nieuwe partijen worden gecoöpteerd in linkse of rechtse bondgenootschappen wordt de links-rechts-dimensie versterkt. Dit laatste is eerder voorgesteld door Mair en Bale: de integratie van nieuwe partijen in linkse en rechtse allianties versterkt de bimodale competitie. Dat de bestaande politieke partijen zo succesvol zijn geweest in het uitschakelen van nieuwe politieke partijen, versterkt het belang van het conflict dat Mair heeft beschreven: in het conflict tussen zij die een belang hebben bij het in stand houden van de bestaande conflictslijn, en zij die de bestaande conflictslijn willen vervangen door een nieuwe conflictslijn, heeft de eerste groep vrij consistent gewonnen.

Dit onderzoek toetst de bestaande theorieën over het effect van nieuwe partijen en de ambities die nieuwe partijen zelf hebben uitgesproken in een enkele casus. De uitkomsten van het onderzoek moeten daarom voorzichtig geïnterpreteerd worden worden: specifieke nieuwe partijen hebben effect op specifeke bestaande partijen. Over het algemeen, is het effect van nieuwe partijen afhankelijk van de politieke arena. Het is de vraag of de resultaten van dit onderzoek relevantie hebben buiten de grenzen van de Nederlandse casus. Nederland is geselecteerd als een meest waarschijnlijk casus. Als nieuwe partijen effect hebben, dan is het hier. Positieve resultaten betekenen niet dat de mechanismen en patronen die gevonden zijn noodzakelijkerwijs in andere landen voorkomen. In meer gesloten systemen, kunnen er nog steeds mechanismen zijn die ervoor zorgen dat bestaande partijen geen rekening hoeven te houden met nieuwe partijen. De negatieve resultaten van dit onderzoek zijn daarom des te betekenisvoller: als zelfs in Nederland, met een open kiestelsel de aanwezigheid van nieuwe partijen in de electorale arena niet leidt tot reacties van bestaande partijen, is het niet waarschijnlijk dat dit in andere landen wel zo is. Noch is het waarschijnlijk dat de binnenkomst van nieuwe partijen in deze systemen zal leiden tot nieuwe conflictslijnen. Ook hier zullen de nieuwe conflictslijnen zwak blijven of geïntegreerd worden in de bestaande links-rechts-tegenstelling. Het is de vraag of Nederland een meest waarschijnlijke casus is: door de openheid van het politieke systeem kunnen bestaande partijen geïmmuniseerd zijn voor nieuwe partijen. Terwijl in andere systemen de binnenkomst van een nieuwe partij een schok voor het systeem is, hoort het in Nederland bij een verkiezing dat in de marge van het systeem een nieuwe partij ontstaat. Bestaande partijen kijken daar niet meer van op. Alleen als nieuwe partijen door hun eigen activiteit de parlementaire agenda beïnvloeden, dan moeten bestaande partijen wel reageren. Daarnaast kan de openheid van de kabinetsformatie, waar een aantal nieuwe partijen al snel bij betrokken raakten, het vermogen van nieuwe partijen om in het parlement nieuwe conflictslijnen te introduceren ernstig belemmeren. Dit onderzoek in dit ene land vormt geen finale ontkrachting van de Schattschneider-Mair thesis, maar het vormt wel een ondersteuning van de Mair-Bale thesis.



[1] Pels, D. (2009) Mei 6 “Pim Leeft! Zeven jaar na de moord op Pim Fortuyn” De Groene Amsterdammer

[2] Er is mij maar een onderzoek bekend dat naar nieuwe partijen in het algemeen kijkt. Het onderzoek van Huibregts (2006).

Stelling 1: Als je de agenda wil bepalen, moet je haar niet volgen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de eerste: een open brief aan Henk Krol.

Stelling 1: “Het is voor veel nieuwe partijen lastig om zich aan de parlementaire agenda te onttrekken. En toch moet je deze agenda niet volgen, als je deze wil bepalen.”

Beste Henk Krol,

Laat ik allereerst de mogelijkheid nemen om u, zij het wat laat, te feliciteren met de uitslag van uw partij, 50Plus, bij de Tweede Kamerverkiezingen.

Nieuwe partijen als de uwe komen vaak met grote ambities naar Den Haag: de Politieke Unie 55+ schreef in 1994 “Natuurlijk zal de Unie, alhoewel er reeds circa 3.5 miljoen potentiële kiezers van vijfenvijfitg jaar en ouder zijn geen meerderheid in de Tweede Kamer verkrijgen (…). Toch kan haar invloed groot zijn. Elke zetelwinst zal ten koste gaan van andere partijen. Door de afgedwongen wijziging van de opstelling van de bestaande partijen en door eigen inbrengen zullen de doelstelling van de Politieke Unie 55+ kunnen worden verwezenlijkt.” In mijn proefschrift kijk ik naar het vermogen van nieuwe partijen om aandacht voor thema’s in de Tweede Kamer te beïnvloeden. U noemt zelf naar de Partij voor de Dieren als voorbeeld. Ik denk dat u dat terecht doet: deze partij is een van de meest succesvolle nieuwe partij geweest als we kijken naar haar effect op de bestaande partijen.

Waarom is de PvdD zo succesvol geweest? Er is hier één belangrijke oorzaak voor: focus. Geen partij in de Tweede Kamer is zo sterk gefocust geweest op één onderwerp, in haar geval landbouw. 69% van haar eerste verkiezingsprogramma ging over landbouw, 36% van haar parlementaire speeches en 68% van haar moties. Daardoor heeft zij de toon gezet van het debat over landbouw. De zeer grote aandacht voor landbouwthema’s leidde zichtbaar tot wrevel bij andere partijen: D66-Kamerlid Boris van der Ham verliet de vergadering en riep “Dit heeft zo geen zin.” toen de PvdD tientallen moties over dierenwelzijn indiende. Maar niets is minder waar: ook D66 heeft meer aandacht besteed aan landbouw en dierenwelzijn sinds de PvdD zo opereert in de Tweede Kamer. Andere partijen moesten wel mee doen met de PvdD, wilden zij de grip over  het debat niet verliezen. Ik zie in mijn eigen onderzoek dat nieuwe partijen zelfs als ze klein zijn, een grote invloed kunnen hebben op de parlementaire agenda, ten minste als ze sterk gefocust zijn op hun eigen onderwerp. Mijn eerste advies is dus focus op uw eigen onderwerp: ouderen. Neem tijdens de financiële beschouwingen de volle tijd om te praten over pensioenen. U zult, gezien uw achtergrond, graag willen bijdragen aan bijvoorbeeld een debat over homo-emancipatie. Mijn advies doe dat niet: het is voor veel nieuwe partijen lastig om zich aan de parlementaire agenda te onttrekken. En toch moet je deze agenda niet volgen, als je deze wil bepalen.

Het tweede advies is: geen ruzie. Nieuwe partijen die ruziemaken hebben minder effect op bestaande partijen. Dat is waar de eerste generatie ouderenpartijen aan onder is gegaan. Er is naast grootte, focus en interne organisatie, een vierde oorzaak voor het succes van nieuwe partijen. Als nieuwe partijen een onderwerp aansnijden dat nog niet gepolitiseerd is, bereiken ze veel meer dan als ze een onderwerp aansnijden dat al op de politieke agenda staat. Hierin staat uw nieuwe partij op achterstand. Uw partij is binnengekomen op het verzet tegen de verhoging van de AOW-leeftijd en de onzekerheid over de pensioenen. Dit onderwerp is al sterk gepolitiseerd, met de PVV en de SP die de kant van ouderen gekozen hebben. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat uw partij de aandacht voor pensioenen zal vergroten, immers deze onderwerpen zijn al sterk gepolitiseerd.

Intern eenheid en sterke focus. De belangrijkste factoren voor succes voor een kleine partij in de Kamer. Dat kan ik u zeker aanraden. Ik wens u veel succes met uw werk in de Tweede Kamer,

Vriendelijke groet,

Simon Otjes

Het Kabinet-Rutte II

Nu de eerste tekenen van het tweede kabinet-Rutte duidelijk worden wil ik toch nog wat speculeren over de samenstelling.
De laatste berichten zijn dat de PvdA en de VVD samen een kabinet vormen, zonder andere partijen. De PvdA en de VVD zullen een gelijk aantal ministers en staatssecretarissen leveren. 6 ministers beiden en 5 staatssecretarissen.

De samenstelling van het kabinet is vrij simpel. De huidige minsitersposten blijven, uitgezonderd de minister voor Integratie, die wordt geruild voor een minister van Ontwikkelingssamenwerking.
De VVD levert de premier. Dat betekent dat de PvdA de minister van Financien zal leveren en de minister van Binnenlandse Zaken. Dat laat Veiligheid & Justitie voor de VVD. Vaak zijn de minister van Buitenlandse Zaken en de premier van dezelfde kleur. De PvdA wil de minister van Ontwikkelingssamenwerking, die ze dan ook zullen leveren. De VVD maakt de buitenland driehoek af en krijgt Defensie. Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is natuurlijk voor de VVD; en Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de PvdA. Als ELI voor de VVD is, dan is Infrastructuur en Milieu voor de PvdA. Dan blijven over Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De VVD zal VWS willen blijven leveren, en dan blijft OCW over voor de PvdA.
Alle ministers krijgen een staatssecretaris, behalve de premier, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking. De staatssecretariaten zijn van tegenovergestelde kleur als de ministers, om ieder departement uit te balanceren. Er is dan een staatssecretariaat te weinig. De oplossing die voor de hand zou liggen is het staatssecretariaat voor buitenlandse handel dat de VVD nu voorstelt. Dan is het simpel: Financien (VVD/belastingen); Binnenlandse Zaken (VVD/Integratie en Immigratie); Buitenlandse Zaken (PvdA/Europa); SZW (VVD/arbeidsmarkt & werkgeversverzekeringen); I&M (VVD/Verkeer); OCW (VVD/Cultuur & Hoger Onderwijs); VWS (PvdA/Care). Op ELI komen dan twee PvdA’ers voor handel en voor landbouw.
De personele invulling voor de VVD is dan gemakkelijk. Bij het vorige kabinet kon de VVD haar meest rechtse ministers naar voren schuiven omdat het zo’n rechts kabinet was. In dit centrumkabinet moet de VVD om haar profiel te houden haar rechtse bewindslieden houden. Rutte is grotendeels tevreden over de huidige ministersploeg behalve over Rosenthal. Die komen zoveel mogelijk terug.

  • AZ – Rutte
  • BuZa – Kamp (gepromoveerd, was eerder minister van Defensie)
  • V&J – Opstelten (oude rot)
  • ELI – Schultz (vertrouweling van Rutte, wordt gepromoveerd)
  • VWS – Schippers (#2 van de VVD)
  • Def. – Van Baalen (zwaargewicht wil al jaren het kabinet in)
  • Staatssecretaris Fin: Weekers
  • Staatssecretaris BiZa: Teeven (van Justitie naar Immigratie)
  • Staatssecretaris SZW: De Krom
  • Staatssecretaris I&M: Jeannette Baljeu (nu wethouder havenzaken in het brede Paarse college in Rotterdam)
  • Staatssecretaris OCW: Zijlstra

De PvdA invulling is lastiger, want de PvdA kiest vaak voor vernieuwing en wil voor de helft vrouwen leveren.

  • Fin.: Plasterk (is financieel woordvoerder van de PvdA en was eerder minister)
  • BiZa: Ter Horst (senator en prima minister)
  • SZW: Klijnsma (was daar eerder staatssecretaris en heeft goede banden met de vakbond)
  • OCW: Dijsselbloem (vertrouweling van Samsom)
  • I&M: Adri Duivesteijn (senator voor de PvdA en wethouder Stedelijke Ontwikkeling in het brede Paarse college in Almere)
  • OS: Ploumen (oud-voorzitter van de PvdA uit de OS-hoek)
  • Staatssecretaris BuZa: Timmermans (zwaargewicht in de PvdA-fractie, eerder al met veel plezier Euro-staatssecretaris)
  • Staatssecretaris ELI (natuur): Lutz Jacobi (dit is geen grap, ze wordt heel goed gewaardeerd in de PvdA en is een van de groenste Kamerleden)
  • Staassecretaris OCW (handel): Carolien Gehrels (wethouder Economie in het Paars+ college in Amsterdam)
  • Staatssecretaris VWS: Hamer (zwaargewicht)
  • Staatssecretaris V&J: Marcouch (nog zo’n zware PvdA’er)

Mijn voorkeursstem: Jesse Klaver

Het was deze verkiezing voor mij een simpele keuze op wie ik zal gaan stemmen: Jesse Klaver.

En dat terwijl de GroenLinks lijst broeide van jonge talenten en veteranen met ervaring. Neem Andrée van Es, onze lijstduwer, die in Amsterdam vorm geeft aan een diverse stad waar burgers gedeelde waarden hebben. Of Bas Eickhout die in het Europees Parlement met succes strijdt tegen klimaatverandering. Dat zijn mensen die al een hele staat van dienst in de politiek hebben. Maar er zijn ook jonge talenten, zoals Niels van den Berge met zijn aanstekelijk en authentieke idealisme.

Maar mijn keuze voor Jesse Klaver is niet gebaseerd op het CV of op de leeftijd. Alhoewel Klaver voor iemand van zijn leeftijd een ongelofelijke staat van dienst heeft. Hij is met 26 jaar de jongste GroenLinks-kandidaat, maar tegelijkertijd is hij al twee jaar Kamerlid, woordvoerder op sociale zaken en onderwijs, waarbij hij regelmatig het kabinet het vuur aan de schenen heeft gelegd. Daarvoor was hij voorzitter van CNV-jong. En nu een onvermoeibaar enthousiaste campagneleider van GroenLinks.

Nee, het is gebaseerd voor de waarde waar Klaver als geen ander voor staat: kansengelijkheid. Daar heeft Klaver in de Tweede Kamer zich hard voor gemaakt. Juist als woordvoerder onderwijs en sociale zaken zette hij er zich voor in dat niemand in Nederland wordt afgeschreven, vanwege zijn beperking of afkomst. Dat iedereen een eerlijke kans maakt: kinderen in het passend onderwijs, jongeren met wajong-uitkering, mensen die werken in de sociale werkplaats, 55plussers die op zoek zijn naar werk, kinderen op VMBO. Iedereen verdient in Nederland een eerlijke kans op een opleiding, op werk, op een fatsoenlijk inkomen en zo op de mogelijkheid om je eigen hart te volgen. Hij zei daarover, nog geen half jaar geleden in de liberale kerk:

“Dat is mijn Nederlandse droom. Het is geen droom waarin je denkt dat je alles aan jezelf te danken hebt, zoals de Amerikaanse. De realiteit is veel complexer dan dat: niet alle succes is eigen verdienste, niet alle falen is eigen schuld. Veel van wat je bereikt in je leven is het resultaat van geluk buiten je eigen verantwoordelijkheid om; en veel van wat er mis gaat, is het resultaat van ongeluk, waar je niets aan kon doen.
Jong gehandicapten kiezen er niet voor om geboren te worden met een afwijking. Dat dwingt ons tot bescheidenheid: niet alles wat wij bereiken hebben we aan onszelf te danken. De mensen met wie je samen hebt gehockeyt, het sociale kapitaal dat je ouders je hebben gegeven, en het lichaam waarmee je bent geboren: dat alles bepaalt mede hoe succesvol je bent.
Als we ons succes niet aan ons zelf te danken hebben moeten verantwoordelijkheid nemen voor anderen. Als ondernemer kunnen we dat doen door mensen in dienst te nemen die anders zijn dan normaal. Als buurtbewoner kunnen we dat doen door voor te lezen aan kinderen die anders nooit worden voorgelezen. Als burger doen we dit door de lasten te dragen voor de begeleiding die nodig is om mensen aan het werk te helpen.
In potentie is onze verzorgingsstaat dé manier om ervoor te zorgen dat mensen hun dromen kunnen najagen: om met training en ondersteuning het werk te vinden waarin ze zichzelf kunnen ontplooien en een eigen inkomen kunnen verdienen. Dan is de overheid een onderneming tot nut van het algemeen: de manier waarop we verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en verzekeren dat iedereen in vrijheid zijn eigen pad in het leven kan volgen.”

En vanwege dat geloof, dat mensen succesvol zijn en falen, deels vanwege hun eigen handelen, maar ook deels vanwege factoren die buiten hen liggen, en dat we daarom eerlijk moeten delen, stem ik op GroenLinks. En die waarde zie ik vertegenwoordigd in Jesse Klaver.

Anders dan de PvdD liegen dieren nooit

Ook de Partij voor de Dieren heeft een vergelijking met GroenLinks gemaakt. De lijst zit vol met onwaarheden, halve waarheden, tendentieuze uitspraken en quotes buiten context. Laten we ze eens doorlopen

Groen
Op groen kiest de PvdD ervoor om haar zusterpartij die net als haar voor een duurzame economie is en een groene campagne voert, op basis van uit context gehaalde quotes de maat te nemen.

De Partij voor de Dieren stelt dat GroenLinks economische groei belangrijk vindt. Hiervoor geven ze twee persberichten waarin GroenLinks haar zorgen uitspreekt over bezuingingsmaatregelen en loonmatiging, en geeft hierbij als argument dat dit economische groei beperkt. Niet de sterkste onderbouwing. Maar wat schrijft GroenLinks over groei in haar programma?

“Het is tijd onze neoliberale economie grondig te herzien. Klassieke economische groei levert niet meer wat zij ons zo lang vanzelfsprekend gaf: betere levens. Ondanks de stijgende welvaart nemen welzijn en geluk niet meer toe. Een duurzame economie is gericht op het welzijn van mensen, werkt zonder schulden en is financieel en ecologisch in balans.”

Helderder kan je toch niet zijn? Of misschien wel:

“Het is tijd voor een bredere opvatting van rijkdom en vooruitgang, waarin groei van welzijn en behoud van natuur en milieu centraal staan. Het uitgangspunt van een gezond financieel-economisch beleid is het Bruto Nationaal Geluk. “
Eindoordeel: onwaar

Ook weet de Partij voor de Dieren Jolande Sap te quoten “Moeten we wel zo sterk op groen inzetten als groen in deze tijd niet zo lekker ligt. Is dat de investering waard?” Nu lijkt het alsof Sap zelf vindt dat groen niet belangrijk is. Maar de quote is uit context gehaald:

“Je kijkt; moeten wij ook niet in deze tijden toch wat meer winst kunnen incasseren? Moeten we wel zo sterk op groen inzetten als groen in deze tijd niet zo lekker ligt? Is dat de investering waard? Daar wordt af en toe verschillend over gedacht.”

Dat lijkt me andere koek: binnen GroenLinks wordt er gediscussieerd over waar de nadruk op moeten komen te liggen. Wat is de conclusie van die discussie? In het Financieel Dagblad schreef campagneleider Klaver:

“GroenLinks kiest ervoor de groenste campagne te voeren in haar geschiedenis.”

Eindoordeel: onwaar.

De Partij voor de Dieren schrijft dat GroenLinks een CO2-reductie van 30% in 2020 wil. Dat klopt helemaal. Wij willen dat niet alleen maar bieden ook de maatregelen om daar toe te komen. Als enige partij in de doorrekening weet GroenLinks dit doel te bereiken. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving reduceert GroenLinks broeikasgassen met 31%. Welke reductie van CO2 de Partij voor de Dieren met haar programma weet te realiseren is volslagen onduidelijk: zij hebben hun programma niet laten doorrekenen. Hiermee is het hele programma van de Partij voor de Dieren weinig meer waard dan het nietje dat de boel bij elkaar houdt.
Eindoordeel: waar en doorgerekend, anders dan het programma van de Partij voor de Dieren. 

De Partij voor de Dieren schrijft dat natuur voor GroenLinks geen breekpunt is. Die claim fundeert ze op basis van het Lenteakkoord. GroenLinks had een heldere inzet bij die onderhandelingen: een streep door de bezuinigen op natuur van Bleker. Dat is gelukt. Wat de Partij voor de Dieren heeft binnen gehaald? Niets. GroenLinks formuleert geen breekpunten, de Partij voor de Dieren boekt geen resultaten. In ons programma kunnen we, als enige, meer geld in natuur investeren dan Bleker heeft bezuinigd. Op basis van de doorrekening kunnen we zien dat de Partij voor de Dieren evenveel geld over heeft voor natuur als ze CO2 reduceert. Niets.
Eindoordeel: tendentieus.

De Partij voor de Dieren noemt ook nog de aanleg van de Kolencentrale in de Eemsmond. GroenLinks kon geen meerderheid vinden in de Provinciale Staten van Groningen om dit tegen te houden. In Provinciale Staten heeft GroenLinks tegen de bouw van de kolencentrales gestemd. Er was echter een meerderheid van andere partijen, namelijk PvdA, VVD, CDA en D66 die de bouw steunt. Onze gedeputeerde heeft uitgevoerd wat de meerderheid wil. Zo gaat dat in een democratie. Ik heb goed nieuws voor Thieme c.s. door de Kolentaks die GroenLinks invoert in het Lenteakoord komt de kolencentrale er niet. Wat deed de Partij voor de Dieren bij het Lenteakkoord, o ja, armen over elkaar aan de zijlijn.
Eindoordeel: onwaar en opgelost 

De PvdD geeft drie moties van hen die biobrandstoffen afwijzen waar GroenLinks tegen heeft gestemd. In ons programma stellen we heldere criteria voor biobrandstoffen:
“de teelt ervan [gaat] niet ten koste van natuur, voedselvoorziening en inheemse volkeren.” De PvdD is tegen het bijmengpercentage uit biobrandstoffen. GroenLinks heeft tegen hun motie over bijmengen gestemd. Dat betekent niet dat GroenLinks voor alle biobrandstoffen is. GroenLinks wil alleen écht duurzame biobrandstoffen uit reststoffen. Het huidige bijmengpercentage kan ook met duurzame biobrandstof worden gedaan. Dat is goed voor ons klimaat.
Eindoordeel: onwaar

De PvdD wil alle palmolie verbieden. GroenLinks heeft tegen hun verbod gestemd. Dat betekent niet dat GroenLinks voor alle palmolie is. GroenLinks wil alleen duurzaam geproduceerde palmolie wil importeren. En die is gelukkig in toenemende mate beschikbaar
Eindoordeel: onwaar

De PvdD pleitte tegen energie uit mestvergisting. Dat is erg onverstandig bij het huidige mestoverschot. De Partij voor de Dieren vindt schijnbaar dat dierenwelzijn zwaarder telt dan klimaatverandering. De bio-industrie is zo fout dat we zelfs restproducten niet nuttig mogen inzetten. Ik heb slecht nieuws voor Thieme. Biologische koeien kunnen niet buiten grazen als de polders onder water staan.
Eindoordeel: waar, maar biologische koeien kunnen niet buiten grazen als de polders onder water staan.

Europa
Over Europa zijn de Partij voor de Dieren en GroenLinks het oneens, maar we moeten die verschillen niet overdrijven of verkeerd weergeven.
De Partij voor de Dieren schrijft dat GroenLinks “zo snel mogelijk naar een politiek unie streeft, democratie belangrijk is, maar nu even niet”. Deze woorden zijn nooit door een GroenLinkser uitgesproken, maar opgeschreven door een overijverige Partij voor de Dierenstagair.
Maar wat wil GroenLinks dan wel met Europa?

“Om onze groene en sociale idealen te verwezenlijken, kiezen wij voor verdergaande Europese integratie en een Europese Unie die dichter bij mensen staat.”

We kunnen het klimaatprobleem, dierenleed en de bankencrisis niet in Nederland oplossen. Onze ham komt uit Parma, de banken opereren over landsgrenzen en broeikasgassen hebben geen paspoort. GroenLinks kiest voor Europees bankentoezicht om de wereld van de bonussen aan banden te leggen. De Partij voor de Dieren is tegen. En GroenLinks realiseert zich dat als je kiest voor Europese samenwerking dat dit dan ook democratisch moet: GroenLinks kiest voor een sterk Europees Parlement, een verkozen Europese commissie en Europees correctief referendum. De Partij voor de Dieren is hiertegen.
Eindoordeel: onwaar

In het verlengde hiervan stelt de Partij voor de Dieren dat GroenLinks voor het ESM heeft gestemd. Dat is inderdaad waar. GroenLinks heeft Europese garantiefonds ESM gesteund. Dat is de enige manier om ervoor te zorgen dat Spaanse jongeren, waarvan de helft werkloos is, een toekomst hebben. De Partij voor de Dieren biedt geen oplossingen voor hen.
Eindoordeel: waar. Maar de Partij voor de Dieren heeft geen oplossing voor Spaanse jeugd.

Mensen
De dierenpartij heeft twee mensenpunten gevonden waar GroenLinks en de Partij voor de Dieren verschillen.
GroenLinks kiest voor opt-out-stelsel van orgaandonatie: je kan kiezen om geen donor te zijn, maar anders worden je organen na je de dood gebruikt om levens te redden. De PvdD wil het huidige opt-in-stelsel behouden. Een oplossing voor het feit dat in Nederland tweehonderd mensen per jaar sterven omdat er geen organen zijn die ze nodig hebben om te overleven interesseert de PvdD schijnbaar niets. Het opt-out-stelsel dat GroenLinks voorstaat, behoudt vrije keuze, wordt breed gesteud en redt mensenlevens.
Eindoordeel: waar. Maar de Partij voor de Dieren heeft geen oplossing voor de tweehonderd mensen die overlijden vanwege een gebrek van organen

De Partij voor de Dieren schrijft dat GroenLinks voor een studentenleenstelsel is. GroenLinks kiest juist voor een sociaal leenstelsel in plaats van de studiebeurs. GroenLinks wil dat mensen naar draagkracht terugbetalen, onder gunstige voorwaarden, verlaagt het collegegeld met 500 euro en verhoogt de aanvullende beurs voor mensen met arme ouders en die blijft wel een gift. Het enige wat de Partij voor de Dieren rapporteert is dat wij voor een leenstelsel zijn. Dat is maar de helft van de waarheid. Dat in het huidige stelsel de bakker meebetaalt voor de studiebeurs van de advocaat is de PvdD ook vergeten.
Eindoordeel: tendentieus

Dieren
Natuurlijk heeft de PvdD wat punten over dieren weten te verzamelen waarin GroenLinks en de Partij voor de Dieren het oneens zijn. Ze hebben lang gezocht, want GroenLinks en de PvdD trekken op dit onderwerp samen op. Dat doen ze overigens op bijna alle onderwerpen: over 87% van de moties stemmen de twee partijen hetzelfde. Ze hebben toch zes punten weten te vinden.
De PvdD heeft een motie ingediend over het beperken van internethandel in dieren. GroenLinks heeft tegen gestemd. Dat betekent niet dat GroenLinks voor ongereguleerde internethandel is, maar we willen dat álle handel in dieren (dus niet alleen internethandel) beperkt wordt tot lijst van dieren waarin nog gehandeld mag worden.
Eindoordeel: onwaar

De PvdD heeft een motie ingediend om Orka Morgan terug te sturen naar de zee. GroenLinks heeft tegengestemd omdat naar oordeel van deskundigen deze orka nagenoeg geen overlevingskans hebben zou als zij zou worden vrijgelaten. De PvdD zou met vrijlating het dier naar alle waarschijnlijkheid de dood hebben ingestuurd.
Eindoordeel: waar, maar de PvdD veroordeelde een orka tot de dood

GroenLinks heeft tegen de dierenpolitie gestemd. GroenLinks wil geen dierenpolitie zoals door de PVV bedacht. Wij willen meer geld naar de dierenbescherming, zodat de bestaande controleurs beter hun werk kunnen doen. Even effectief en een stuk goedkoper. Wij willen wel graag het meldnummer “144 red een dier” behouden.
Eindoordeel: tendentieus

GroenLinks heeft tegen de door de PvdD voorgestelde aparte kilometerheffing voor diertransporten gestemd. GroenLinks wil een harde maximumtijdsduur waarbinnen dieren mogen worden vervoerd, namelijk 4 uur. De PvdD vindt schijnbaar dat als je maar genoeg betaalt, je dieren blijkbaar langer mag kwellen.
Eindoordeel: waar, maar de PvdD vindt dat dierenmishandeling mag als je er maar genoeg voor betaald

GroenLinks werkt volgens de Partij voor de Dieren, zij het niet van harte, op provinciaal niveau mee met megastallen. Laten we helder zijn: GroenLinks is tegen megastallen en pleit voor een wettelijk maximum op de schaalgrootte van boerenbedrijven. In onze provinciale coalitieakkoorden heeft GroenLinks zich hard gemaakt voor een zo ver mogelijk beperken van de bouw van megastallen, maar stemde in met een compromis. Dankzij GroenLinks worden er minder megastallen gebouwd.
Eindoordeel: tendentieus

De PvdD schrijft dat GroenLinks het goed vindt als er ganzen vergast worden. Dat doet ze omdat GroenLinks het ganzen-7 akkoord steunt dat gesloten is door onder anderen Natuurmonumenten en de Vogelbescherming. Het akkoord zorgt ervoor dat het aantal ganzen dat geruimd wordt in de komende vijf jaar drastisch omlaag gaat. Als we de redeneringen van de PvdD tot nu toe zouden volgen, dan zou tegen het ganzen-7 akkoord zij,n zoals de PvdD is, betekenen dat je wilt dat er per jaar 100.000 ganzen worden afgeschoten zoals de situatie was voor het sluiten van het akkoord. Uiteindelijk is het akkoord een compromis tussen natuurorganisaties en boeren, dat er voor zorgt dat er meer ganzen in leven blijven.
Eindoordeel: tendentieus

Eindoordeel
Zeven keer schrijft de PvdD dingen op die gewoon niet waar zijn. Vijf keer is de PvdD tendentieus bezig en haalt ze quotes, stemgedrag en voorstellen uit context. Zes keer klopt het wel dat GroenLinks zo heeft gestemd, maar heeft de PvdD zelf geen oplossingen voor de problemen die GroenLinks zo oplost. Als er echte verschillen zijn, dan komt het omdat of de PvdD kies voor een principiele getuigenispolitiek die niets bereikt. De Partij voor de Dieren heeft liever schone maar lege handen, dan dat ze wat verandert voor mens, dier en milieu. Soms zijn er ook verschillen omdat de PvdD zo vasthoudt aan hun dierenrechtenprincipes dat hetzelfs ten koste gaat van het leven van die dieren zelf en ons klimaat. De Partij voor de Dieren neemt het niet zo nauw met de waarheid, en dat terwijl dieren nooit liegen.

D66: tendentieus en ongefundeerd

D66 heeft een vergelijking gemaakt tussen hen en GroenLinks. Een interessant overzicht. Maar nadere inspectie laat zien: dat het overzicht tendentieus en ongefundeerd is.

Ze vergelijken GL en D66 op drie punten: linkse samenwerking, de begroting en de rol van de overheid. Laten we deze eens stuk voor stuk doorlopen.

Over linkse samenwerking schrijven ze:

“Vooral na het vertrek van Femke Halsema wordt afgeweken van de eerdere progressief-liberale koers. Het GroenLinks van nu knuffelt met de SP en de PvdA. Hun ‘linkse samenwerking’ in een gezamenlijk plan voor Nederland onderstreept dit. D66 kiest duidelijk voor duurzaam met Stientje van Veldhoven op 2.”

Ik heb drie bezwaren tegen deze stelling: ten eerste, is GroenLinks, qua stemgedrag niet naar links geschoven, maar voor zo ver er verschillen zijn in stemgedrag (en die zijn er nauwelijks) is GroenLinks eerder richting D66 geschoven. Dat laat ik zien in dit artikel samen met Tom Louwerse. Maar bovendien, ook Halsema koos voor samenwerking met SP en de PvdA. Iedereen herinnert zich nog het fameuze kopje koffie van Halsema samen met Bos en Marijnissen in 2006. Ondertussen nam Sap in de laatste twee jaar samen met D66 grote stappen, zoals het Lenteakkoord. Ten slotte stelt D66 dat zij kiezen voor een helder duurzame koers. Milieu-organisaties denken daar anders over. In de klimaatkeuze wordt GroenLinks boven D66 geplaatst, maar bovendien: op basis van het stemgedrag in de Kamer krijgt GroenLinks van milieu-organisaties een 8.5, een punt hoger dan D66.

Het is in deze context misschien goed om de volgende vijf feiten over D66 te weten. D66 is voor kernenergie, GroenLinks is tegen.(1) D66 is voor het boren naar schaliegas, GroenLinks is tegen.(2) D66 is voor megastallen, GroenLinks is tegen.(3) D66 is voor 130km per uur op de snelweg, GroenLinks is tegen.(4). D66 reduceert broeikasgassen met 15%. GroenLinks met 31%.(5) D66 is tegen statiegeld. GroenLinks is voor statiegeld.(6) Het lijkt me duidelijk dat voor D66 duurzaamheid op #2 staat.

Over de begroting schrijft D66:

“GroenLinks wil langzamer onze schulden aflossen, terwijl we alleen al aan rente 10 miljard euro per jaar betalen. Geld dat we ook kunnen steken in onderwijs, zorg of de sociale zekerheid.”

Ik weet niet waar D66 dit op baseert, maar de cijfers van het CPB laten iets ander zien. D66 bezuinigt 14 miljard euro op de begroting. GroenLinks 15 miljard euro. Op de lange termijn heeft GroenLinks een begrotingsoverschot van 3.2% en D66 een overschot van 3.3%. Geen schokkend verschillen. GroenLinks reduceert de staatsschuld met 5%. D66 met een 0.5% van het BNP.(7)
Terwijl uit de CPB-cijfers blijkt dat D66 de kloof tussen arm en rijk laat groeien en de koopkracht van de gemiddelde burger sterk afneemt, weet GroenLinks te bezuinigen en tegelijkertijd koopkracht te verbeteren en de kloof tussen arm en rijk te verkleinen.(7)

Over de rol van de overheid schrijft D66:

“Ook over de rol van de overheid verschillen D66 en GroenLinks. Waar GroenLinks snel naar verboden uitwijkt, gaat D66 uit van de eigen kracht van mensen. Voorbeelden zijn het verbod op vuurwerk, een reclameverbod op snoep en lenen en een verbod op terrasverwarmers.”

Dit is het enige verschil dat D66 inderdaad correct beschrijft. GroenLinks en D66 denken anders over de rol van de overheid. D66 wil liever minder overheid, GroenLinks wil dat op bepaalde terreinen de overheid meer gaat doen. En dat is ook niet raar als je bedenkt dat we in een gigantische economische crisis zitten, vanwege deregulering en liberalisering die D66 altijd heeft gesteund. D66 noemt vuurwerk, snoep en terrasverwarmers. Laat ik daar een ding tegenover stellen: de banken. D66 is tegen een bankenbelasting die de banken dwingt om te betalen voor de chaos die ze veroorzaakt hebben. D66 is tegen het aan banden leggen van de bonuscultuur, die ervoor zorgt dat bankiers het algemeen belang uit het oog verliezen.(8) En D66 is tegen een speculatiebelasting die banken dwingt om te investeren in de reële economie en niet meer in zeepbellen. Deze verkiezingen gaan niet over snoep en vuurwerk, maar over echte dingen, zoals de banken aanpakken.

(1) Kieskompas stelling 8
(2) stemming over motie 29023-129
(3) Stemwijzer stelling 23; stemming over motie 28973-110
(4) Stemwijzer stelling 18
(5) CPB Keuzes in Kaart, p.18
(6) stemming over motie 30872-97
(7) CPB Keuzes in Kaart, p.18
(8) CPB Keuzes in Kaart p.371

Realisme

Deze verkiezingen draaien meer dan ooit om de waarheid. Een kans voor GroenLinks

In het verkiezingsdebat is ‘Ik ben het met u oneens’ vervangen door ‘U liegt’. Belangrijker dan het inhoudelijke verhaal van Samsom, Roemer en Rutte, is hun betrouwbaarheid. Hierop vallen ze elkaar onderling aan.

De verkiezingscampagne kon pas beginnen toen de doorrekeningscijfers van het CPB er lagen. Het verhullende proza van verkiezingsprogramma’s is vervangen door de doorrekeningscijfers van het CPB. Vanuit het buitenland kijkt men met grote ogen: partijen moeten namelijk ongelofelijk concreet zijn over wat ze willen. Dat is soms pijnlijk. Want bij de SP is 65=65 vervangen door een stijging in de AOW-leeftijd. Bij D66 gingen de CPB-doorrekeningen zelf boven de ledendemocratie, die de aftrekbaarheid van reiskosten voor het OV uit het programma schrapte. In het rapport van het CPB bleef dit wel staan. Een ongedekte cheque.

Met zoveel twijfelaars zijn de kieswijzers van ongekend belang. Ook hier telt niet de verhullende retoriek van het programma maar moeten partijen eerlijk zijn over wat ze echt willen. In het Kieskompas telt niet waar een partij zichzelf plaatst, maar hoe een wetenschapper de positie beoordeelt. Voor leugens en spin is geen ruimte meer.

Deze verkiezingen van de waarheid zijn een kans. Want GroenLinks is de meest realistische partij van Nederland. Duurzaamheid is geen ideaal, maar het is een keiharde waarheid: willen we voortleven als mensheid dan moet het anders. Dan moeten we ons klimaatprobleem aanpakken. Als je dat niet inziet, dan misken je de feiten. GroenLinks is praktisch en laat zich niet verblinden door idealisme. Immers, wat heb je aan idealen als de Nederlandse polders onder water staan.

Maak van het VMBO het vlaggenschip

Waarom ik GroenLinks stem? Vanwege hooggestemde idealen als kansengelijkheid. Dat ideaal komt prachtig tot uiting in het voorstel om er voor te zorgen dat de beste en best betaalde docenten zich inzetten voor de leerlingen die hen het best kunnen gebruiken. Want niemand mag voorbestemd zijn voor armoede en achterstand. 

Je zou denken dat in Nederland iedereen een gelijke kans heeft om vooruit te komen in het leven. Van links tot rechts delen we de idealen van kansengelijkheid en eigen verantwoordelijkheid: mensen mogen hun maatschappelijke positie niet te danken hebben aan de plaats waar ze geboren zijn, de achternaam die ze hebben of het inkomen van hun ouders. Mensen moeten hun plek in de samenleving enkel te danken hebben aan hun eigen inzet. Inkomensverschillen zijn alleen eerlijk als deze het gevolg zijn van verschillen in inspanning. Als je kiest voor een minder zware baan, dan betekent dat dat je minder hoog beloond wordt. Dat is je eigen keuze. In Nederland geloven we niet dat iedereen recht heeft op het zelfde inkomen: verschillen kunnen productief zijn omdat ze mensen stimuleren om zich in te zetten. Maar als verschillen niet komen door inspanning, maar door ongelijkheden in de structuur van de samenleving, dan zijn ze niet te rechtvaardigen.

Onverdiende verschillen in inkomen

Ongelijkheid zit echter diep in onze samenleving. In Nederland is armoede nog steeds erfelijk. Meer dan 300.000 kinderen in Nederland groeien op in armoede. Onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau laat zien dat kinderen die in armoede zijn opgegroeid bijna twee keer zo veel kans hebben om arm te blijven als kinderen uit een welgesteld gezin. Het inkomen van je ouders is van invloed op je eigen inkomen. Of je geboren bent in Rotterdam-Zuid of in Bilthoven-Noord maakt uit voor waar je terecht kan komen. Dit geldt des te meer als je ouders laagopgeleid zijn, werkloos zijn of een niet-westerse achtergrond hebben: of je Klaassen heet of Khoury maakt uiteindelijk uit voor hoeveel je gaat verdienen. Daar heb je als kind niet zelf voor gekozen. Dat zijn onverdiende verschillen in inkomen. Die hebben niets te maken met hoeveel je je inspant. Armoede is erfelijk omdat kinderen van arme ouders minder sociaal kapitaal meekrijgen, minder gestimuleerd worden om het beste uit zichzelf te halen en het daarom slechter doen op school. Leraren in kleuterklassen kunnen nu al zien welke leerlingen op het VMBO terecht zullen komen en welke daar zullen uitvallen.

Onderwijs is de sleutel tot emancipatie

Hoe zorgen we ervoor dat alle jonge mensen echt een eerlijke kansen maken? Het is een cliché om te zeggen dat onderwijs de sleutel is tot emancipatie uit armoede en achterstelling. Alle Nederlandse partijen zeggen het. Sociaaldemocraten staan klaar met de zoveelste onderwijsvernieuwing. Sociaalliberalen willen natuurlijk meer geld uittrekken voor het onderwijs. Maar de onderwijsvernieuwingen van de jaren ’90 zijn uiteindelijk weinig meer geweest dan een hele dure naamswijziging: aan het afvoerputje van het middelbaar onderwijs, het VBO, is een M toegevoegd. En geld gooien naar een probleem zonder prioriteiten te stellen, is een weinig efficiënte of verantwoordelijke oplossing.
Aan de hand van een kleine stap naar het grotere ideaal van kansengelijkheid kunnen we zien wat we moeten doen om ervoor te zorgen dat armoede niet meer erfelijk is: als we willen dat in de samenleving als geheel inspanning en inzet worden beloond, dan moeten we ervoor zorgen dat dit simpele principe ook op school wordt toegepast. Wie levert de grootste inspanning op een middelbare school? Is dat de docent Grieks voor de halflege gymnasiumklas? Natuurlijk niet, dat zijn de leraren voor overvolle VMBO-klassen. In hun klassen zitten vaak leerlingen met meerdere problemen: ze hebben vaak leerproblemen, thuis problemen en helaas ook problemen met autoriteit. Voor de klas staan betekent dan docent, psycholoog en politieagent tegelijkertijd zijn. We moeten de beste docenten op het VMBO zetten: docenten die als eerste op school komen om extra bijles te geven aan de zwakste leerlingen en het langst op school blijven om nablijvers bij de les te houden. Deze docenten kunnen het verschil maken voor de leerlingen die hen het best kunnen gebruiken: zo maakt een docent techniek vakmannen van straatjongens.

Eerste- en tweedegraadsdocenten betekent eerste en tweedegraadsleerlingen

Je vraagt dus veel van een VMBO-docent: zij moeten de beste pedagogen zijn maar ook orde kunnen houden in de lastigste klassen. In veel bedrijven geldt dat zwaarder werk ook beter wordt betaald. Maar in het onderwijs geldt het tegenovergestelde: naar mate het werk minder zwaar wordt, wordt de beloning hoger. Een eerstegraadsdocent die les mag geven aan bovenbouw gymnasiumklassen, verdient meer dan een tweedegraadsdocent die les moet geven aan de lastige VMBO-klassen.
Het lijkt misschien een artefact van de bureaucratie: een eerstegraadsdocent heeft een universitaire opleiding, daarom heeft hij recht op een hoger inkomen. Omdat hij de hoogste opleiding heeft genoten, zetten we hem voor de klas met de slimste leerlingen. Het is echter een teken van een mentaliteit: we hebben eerste- en tweedegraadsdocenten voor eerste- en tweedegraadsleerlingen. Waarom zetten we de docent met de beste papieren eigenlijk niet voor de leerlingen die hem het meest nodig hebben? Waarom stellen we geen hogere opleidingseisen aan VMBO-docenten en zorgen we ervoor dat zij de beste pedagogische achtergrond hebben? En waarom zorgen we er niet voor dat zij een loon krijgen dat past bij de inspanning die ze leveren?
We moeten af van het idee dat tweedegraadsdocenten maar op het VMBO moeten lesgeven, omdat andere mensen recht hebben op de hogere klassen in het VWO. We hebben op het VMBO geniale leraren nodig. Zij doen zwaar werk: orde houden, opvoeden en lesgeven tegelijkertijd. Geef hen de waardering en beloning die daarbij past.

Kansengelijkheid

Zo kunnen we een verschil maken voor de kinderen met de grootste achterstand: door hun docenten de best betaalde krachten te maken, maakt de politiek dit werk aantrekkelijker en wordt pedagogisch talent aangetrokken. Dit is natuurlijk maar één stap in een nieuwe benadering van onderwijs, waarbij het VMBO niet het afvoerputje is van het onderwijs, maar het vlaggenschip. Het bredere ideaal hierachter is dat je de inspanning van de overheid moet focussen op de groep die het het meest nodig heeft. Kansengelijkheid betekent dat de mensen die minste kansen hebben de meeste ondersteuning moeten krijgen zodat zij een eerlijke startpositie hebben. Als de startpositie voor iedereen gelijk is en iedereen vrije keuzes maakt dan zijn verschillen die als gevolg van die keuzes ontstaan rechtvaardig.

Het voorbeeld van de beloning en waardering van VMBO-docenten laat zien hoe we heel praktisch vorm kunnen geven aan kansengelijkheid. Het laat zien hoe we samen de verantwoordelijkheid kunnen nemen om ervoor te zorgen dat iedereen de kans krijgt om zich te ontworstelen aan armoede en achterstelling. We moeten op scholen niet vasthouden aan de bestaande structuren, maar inspanning belonen. We moeten als politiek niet denken dat we vanuit Den Haag de hele les, van minuut tot minuut kunnen regelen, maar ervoor zorgen dat de beste mensen op de plek zijn waar ze het hardst nodig zijn. Zo zorgen we ervoor dat iedereen een eerlijke kans heeft en mensen zelf meester kunnen zijn over hun eigen leven.

The Fragility of Presence

Dit weekend was ik in Groningen. Een stuk in het Groninger Museum trok mijn aandacht: The Fragility of Presence van Edo Nienhuis. Het bijschrijft van dit kunstwerk sprak me bijzonder aan.

“The Fragility of Presence (2011, Groningen) is een werk van de jonge Groningse kunstenaar Edo Nienhuis (Groningen, 1986). In de kern gaat het kunstwerk over tegenstelling tussen festiviteit en calamiteit. Dit is een kernthema in het groeiende werk van de jonge Nienhuis. Het raakt aan de dualiteit in de hedendaagse maatschappij: deze bevindt zich in een voortdurende economische, crisis, maar is ook geobsedeerd door plezier, het Dionysische, het feest. Door het feest probeert het individu de crisis te vergeten. Nienhuis lijkt de vraag te stellen: probeert de samenleving door de crisis het plezier te vergeten? De klassieke rode brandslang geeft uiting aan de altijd aanwezige urgentie; een champagneglas staat symbool voor de exceptionaliteit van de intoxicatie. Twee kernthema’s in de huidige samenleving. De fragiele flûte staat naast een stevig stuk glas met daarachter een alarm. Op het glas staan de woorden: ‘Bij brand breek dit glas’. Dit toont de breekbaarheid van het geluk, tegenover de dominantie van de noodzakelijkheid: een samenleving die probeert om het individuele geluk te vermorzelen door voortdurend de collectieve crisis noodzaak te maken. Noodzakelijkheid is in het werk van Nienhuis een duaal begrip. Dit is te zien aan het lege glas, dat onder een brandslang met daarop de tekst ‘geen drinkwater’, is gezet. De klassieke Tanantaluskwelling toont het onvermogen van het calamitaire om om te gaan met het humanitaire. Het noodzakelijke kan geïnterpreteerd worden als de macht van de urgentie én de behoefte van het dagelijkse. Het eerste sluit het tweede noodzakelijkerwijs uit: het drinkwater uit de brandslang is niet drinkbaar. Hierdoor is het noodzakelijke per definitie onvolkomen. De onvolkomenheid komt tot uiting in de kaart achter het glas met daarop de bevestigende tekst ‘U bevindt zich hier’. De tekst is bevestigd met opgedroogd, groezelig plakband. De bevestiging zou bij iedere (individuele óf collectieve) ramp van de muur gezogen worden. Hiermee toont de zwakte van de tegenwoordigheid: de fragiliteit van de aanwezigheid.”

Ik ben dol op kunst, maar sommige schrijvers van bijschriften gaan echt te ver – sommige kunstenaars overigens ook.

Conservatief congres kiest keer-op-keer conform de kandidatencommissie

2000 congresgangers. 25 kandidaten. twee-en-een-half uur. Vorige week stemde het GroenLinks-congres over de lijst. Een opvallend conservatief resultaat constateerde ik al eerder. Maar hoe is dat tot stand gekomen?
Hier onder presenteer ik een analyse van plek tot plek. Ik kijk naar verschuivingen in stemgedrag in de eerste rondes voor iedere plek. Hier kunnen we zien in hoeverre het congres rationeel is: elkaar signalen geeft, consistente preferenties heeft of sterk wisselt van voorkeur.

Plek 2
Plek 2 is de uitgangspositie. Bij de stemming over plek 2 werd Bram van Ojik in een keer verkozen met meer 760 van de 1249 stemmen. Daarop volgden Klaver (geadviseerd voor plek 4; 284 stemmen) en Van Tongeren (geadviseerd voor plek 3; 187 stemmen).  Net als Sap in 2010 en Strik in 2011 kiest het congres heel helder voor de nummer 2.

Plek 3
Voor plek 3 komen de 760 Van Ojik-stemmers vrij en er komen twee kandidaten bij. Van Tongeren krijgt er meer dan 300 stemmers bij. Voortman krijgt meer dan 250 stemmers en Klaver maar 12. Dit kan deels verklaard worden omdat Voortman en Klaver met hun sociale profiel uit de zelfde vijver vissen: Klaver verliest stemmers aan Voortman. Allebei kunnen ze rekenen op bijna 300 stemmen. Grashoff krijgt net minder dan 200 stemmen. Van Tongeren die #3 was bij de vorige ronde is nu de #1. Een groot deel van het congres (zo’n 300 stemmers) lijkt te willen kiezen voor de lijstvolgorde die door de kandidatencommissie is voorgesteld.

Plek 4
Nu Van Tongeren gekozen is komen er 504 stemmers vrij. Hiervan gaan er meer dan 300 naar Klaver, meer dan 100 naar Voortman en 50 naar Grashoff. Klaver krijgt 609 stemmen (49%). Er lijkt een groep van 300 stemmers te zijn die vrij consistent het lijstje afwerkt en van #3 (Van Tongeren) naar #4 (Klaver) gaat. Het is dus niet “Kies clever, kies Klaver”, maar “Kies conform de kandidatencommissie, kies Klaver”

Plek 5
Voor plek 5 zijn er twee kandidaten: Voortman en Grashoff. Voortman krijgt bijna 500 van de vrijgekomen Klaver-stemmers en Grashoff maar 100. Hierdoor wordt Voortman gekozen met ruim 70% van de stemmen. Het is logisch dat veel Klaver-stemmers naar Voortman gaan: zij delen een zelfde sociaal profiel en zo volgt het congres mooi de lijstvolgorde.

Plek 6
Voor plek 6 zijn komen er twee nieuwe kandidaten bij: Van den Berge en El Fassed. Allebei kunnen ze rekenen op bijna 350 van de vrijgekomen Voortman-stemmers. Grashoff krijgt er bijna 200. Hij kan hiermee rekenen op meer dan 500 stemmen. Net minder dan 350 stemmers volgen het advies van de kandidatencommissie en bijna 900 stemmers wijken daarvan af, ten gunste van een zittend Kamerlid. Van den Berge, die is geadviseerd is voor plek 6, komt niet door de eerste ronde heen.

Plek 7
Voor plek 7 komen er twee kandidaten bij de Amsterdamse stadsdeelwethouders De Wilt en Diepeveen. El Fassed krijgt 300 van de Grashoff-stemmers. Van den Berge maar 50. De Wilt en Diepeveen krijgen respectievelijk net meer dan 100 en net minder 50 stemmers. Het overgrote deel van de Grashoff-stemmers (die een zittend Kamerlid verkozen boven een hoog geplaatste kandidaat) gaat naar El Fassed. Van den Berge houdt de stemmers vast die eerder voor hem en de lijstvolgorde kozen.

Plek 8
Voor plek 8 komen er twee kandidaten bij: de progressief-liberale vrouwen Van Ellemeet en Scheltema. Van Ellemeet krijgt bijna 350 stemmen, Scheltema meer dan 100. Van den Berge krijgt er 180 stemmers bij. Hij zit hiermee op 602 stemmen en is bijna verkozen. De Wilt en Diepeveen krijgen er nauwelijks stemmen bij. De El Fassed stemmers die eerder El Fassed en Grashoff verkozen boven Van den Berge neigen nog steeds meer naar een oudere kandidaat.

Plek 9
Voor plek 9 komen er twee kandidaten bij (Van den Bosch en Van de Venis) en er komen ruim 600 Van den Berge-stemmers vrij. Van Ellemeet krijgt er bijna 400 van. De andere kandidaten krijgen allemaal minder dan 70 stemmers.  Het congres kiest volmondig voor Van Ellemeet (die voor plek 8 gekandideerd was).

Plek 10
Plek 10 is fascinerend. In een keer wordt Dibi gekozen met 620 stemmen. Zeven boven de kiesdrempel. Er zijn veel kandidaten die er nu ook bij komen: Barrahmun, Sahin, Kwint, Westerveld en Bruring. De Amsterdamse stadswethouders gaan erop achteruit. Dat geldt ook voor de vrijznnige kandidaat Scheltema. De vrijzinnige Amsterdam doet het goed onder deze kiezers. Tofik “haal Links GroenLinks maar uit de naam” Dibi wint zelfs van de Paulus “Kritisch” De Wilt. Dibi doet het goed onder veel kiezers en niet alleen onder de vrijgekomen 732 Van Ellemeet-stemmers.

Plek 11
Er komen 620 vrijzinnige Dibi-stemmers vrij. Bijna 200 stemmers gaan naar kritische De Wilt. Minder dan 100 naar Barrahmun en Diepeveen. Kwint en Bruring gaan er nog een paar stemmen op vooruit. Het congres maakt weer een heldere beweging naar de plek 11: stadsdeelwethouder in Amsterdam Nieuw West De Wilt (ex-PSP) en stadsdeelwethouder in Amsterdam Noord Diepeveen (ex-PPR) komen tegenover elkaar te staan. Het congres vindt de beslissing tussen de Amsterdamse stadsdeelwethouders niet makkelijk en er is een herstemming nodig.

Plek 12
Diepeveen had een goede uitgangspositie na zijn tweede plek voor plek 11. Maar ook Barrahmun gaat er veel op vooruit. We maken een vergelijking met de eerste stemming voor plek 11; zo te zien heeft de herstemming bij plek 11 veel losgemaakt en veel mensen hebben hun kandidaten verlaten. Het congres kiest eenduidig voor de plek 12 geadviseerde Barrahmun.

Plek 13
Voor plek 13 kiest (vrij plots) een groot deel van de kiezers voor Diepeveen die ze voor plek #11 en #12 hebben afgewezen. De overige kandidaten krijgen er minder dan 65 stemmen bij.

 

 

Plek 14
Voor plek 14 is Van den Bosch geadviseerd. Er is echter een kandidaat die als sinds plek 8 meer dan 100 stemmen krijgt: de juriste Scheltema. Ze krijgt 160 van de vrijgekomen stemmen en Van den Bosch maar 140. Ook Sahin krijgt bijna 100 stemmen. Hiermee heeft Scheltema een ideale uitgangspositie en ze wordt ook verkozen voor plek 14.

Plek 15
Voor plek 15 krijgt plots Van den Bosch, die net nog door het congres gepaseerd is, een groot deel van de vrijgekomen Scheltema-stemmers. Ook Sahin, Westerveld en Heilbron ontvangen Scheltema-stemmers.

 

Plek 16
Voor plek 16 komt Sahin er goed uit met 180 vrijgekomen Van Bosch-stemmers. Ook zijn er 100 stemmers die naar Mos gaan. Hiermee wordt Sahin verkozen.

 

 

Voor een groot deel wordt de ordening van de kandidatencommissie overgenomen. Er zijn een aantal uitzonderingen: zittende Kamerleden Grashoff en El Fassed, en de vrijzinnige advocate Scheltema. Het is de vraag of vermisschien is zoveel stemmen niet nodig om die ordening eruit te krijgen.

Opkomst
Zeker als we kijken naar de participatie van leden dan zie we dat er veel gevraagd wordt: tot plek 10 stemmen er meer dan 1200 GroenLinksers (en dat terwijl er ruimte was voor 2000 GroenLinksers). Daarna neemt het aantal stemmers min-of-meer lineair af: en voor plek 16 zijn er nog 800 stemmende leden over. Is het echt zinvol om over negen kandidaten te stemmen in twee ronde voor plek 16? 400 GroenLinks-leden dachten in elk geval van niet.