Het effect van nieuwe politieke partijen

Sommige nieuwe partijen komen met grote ambities naar Den Haag. Pim Fortuyn zei ooit: “Ik word de volgende minister-president, let u maar op”. Vaak zien nieuwe partijen een andere rol voor zichzelf: de Unie 55+, een ouderenpartij die in 1994 met één zetel in de Tweede Kamer kwam, omschreef het ooit als volgt : “Natuurlijk zal de Unie, alhoewel er reeds circa 3,5 miljoen potentiële kiezers van vijfenvijftig jaar en ouder zijn, geen meerderheid in de Kamer verkrijgen, zelfs niet op korte termijn tot de grote partijen gaan behoren. Toch kan haar invloed groot zijn. Elke zetelwinst zal ten koste gaan van andere partijen. Vooral omdat het programma het Nederlandse volk zal aanspreken en zeker niet als extreem kan worden beschouwd, zullen bestaande partijen, teneinde zetelverlies te beperken, punten uit dit programma overnemen (…).”

Die laatste ambitie van nieuwe partijen om de prioriteiten van bestaande partijen te beïnvloeden, staat centraal in het proefschrift van Simon Otjes, waarop hij op 31 oktober 2012 is gepromoveerd aan de Universiteit Leiden. Hij onderzocht het effect van nieuwe partijen op de aandacht die bestaande partijen besteden aan thema’s in zowel verkiezingsprogramma’s en parlementaire debatten. Het proefschrift richtte zich op alle nieuwe partijen die het Nederlandse parlement zijn gekomen sinds de Tweede Wereldoorlog.

De centrale uitkomst van het onderzoek is dat in de parlementaire arena nieuwe partijen wel een sterk effect hebben op de aandacht die bestaande partijen besteden aan bepaalde onderwerpen, maar dat in de electorale arena zo’n effect afwezig is. In verkiezingsprogramma’s van de bestaande partijen is er geen consistent effect van de aanwezigheid van nieuwe partijen zichtbaar. In de aandacht die partijen aan onderwerpen besteden in parlementaire debatten is er wel een helder effect van nieuwe partijen zichtbaar. De aanwezigheid van een nieuwe partij leidt tot een toename in aandacht voor het thema dat die nieuwe partij centraal stelt. Als nieuwe partijen sterk gefocust zijn op hun eigen onderwerp of als ze groter zijn is dit effect sterker: zowel de Partij voor de Dieren (PvdD, een kleine partij die sterk gefocust is op dierenwelzijn) als de Lijst Pim Fortuyn (LPF, een grote partij die in haar parlementaire werk geen concentratiepunten had maar zich breed oriënteerde) zijn voorbeelden van partijen die het onderwerp dat centraal stond in hun programma (voor de PvdD landbouw en dierenwelzijn en voor de LPF  immigratie en integratie) hoog op de agenda hebben gezet. Dit duidt erop dat er verschillende mechanismes een rol spelen: de LPF vormde omdat ze zo’n grote groep kiezers wist te mobiliseren een serieuze bedreiging voor de bestaande partijen. Bestaande partijen hebben dan ook het voorbeeld gevolgd van deze electoraal succesvolle partij. De PvdD heeft omdat ze zo gefocust was op landbouw het parlementaire debat daarover gedomineerd. Bestaande partijen hebben niet alleen deelgenomen aan de debatten die de PvdD agendeerde omdat dat van hen verwacht werd, maar ook om dat ze alleen zo grip konden houden op manier waarop er in de Tweede Kamer gepraat en gestemd wordt over landbouw: als ze niet meededen, dan werd alleen het radicale anti-dierenrechtengeluid van de Partij voor de Dieren gehoord.

Niet alle nieuwe partijen zijn succesvol: de Unie 55+, die juist de ambitie had om via de bestaande partijen invloed uit te oefenen op het ouderenbeleid, is een voorbeeld van een weinig succesvolle nieuwe partij in de termen van dit onderzoek. Zij kwam in 1994 met één zetel in de Tweede Kamer, op de vleugels van grote maatschappelijke onrust over bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid: tijdens de campagne stelde het CDA voor om de AOW te bevriezen. De Christendemocraten leden een zwaar verlies. De bestaande partijen hadden aan het verlies van het CDA gezien dat alleen al het doen van voorstellen op het gebied van zorg of sociale zekerheid kon leiden tot een slechte verkiezingsuitslag en lieten het onderwerp rusten. Bovendien focuste het enige Kamerlid van de Unie 55+, Bertus Leerkes, zich niet sterk op ouderenbeleid: hij diende in totaal drie moties in: over verkeer, de economie en de zorg.

Het promotie-onderzoek laat zien dat nieuwe partijen hun eigen onderwerp hoog op de politieke agenda kunnen zetten – noet zozeer op de electorale,maar vooral op de  de parlementaire agenda. Deels hebben nieuwe partijen dit zelf in de hand: als ze zich niets aantrekken van de agenda van de Tweede Kamer en zich sterk focussen op hun eigen onderwerp, kunnen ze de agenda mede bepalen.

Dit artikel verscheen in de Hofvijver van December 2012

“Een waardeloze economie”

Afgelopen maand organiseerde ik een lezingencyclus over de waardevolle economie. Vijf avonden waarop de economische koers van GroenLinks verdiept werd. Van twee schreef ik een verslag. Bij deze het verslag van de bijdrage van Ewald Engelen.

“Tegenover een ‘waardevolle economie’ staat een ‘waardeloze economie’.” stelt Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie. “Het type economische groei die Nederland in de afgelopen 15 tot 20 jaar heeft meegemaakt, is waardeloos. Om te zien hoe waardeloos die groei is, dalen we af naar de krochten van het bankbedrijf”.

De bankencrisis aan weerzijde van de Oceaan
De aanleiding van de crisis lag in de Verenigde Staten: “In Amerika hadden Democraten en Republikeinen geprobeerd om inkomensongelijkheden weg te plaveien door mensen eigen huizen te geven zonder oog of mensen de hypotheken konden terugbetalen. Banken zetten die hyptoheken niet op de balans. De banken verpakten die hypotheken en verkochten ze door. Het zo geheten securitiseren.”

Er waren mensen die uiteindelijk die hypotheek niet meer op konden brengen: “Dan kan je in Amerika de sleutels naar de bank toe sturen. Steeds meer huizen stonden leeg. De huizenprijzen daalden. De gesecuritiseerde producten waren de prijs niet meer waard waarvoor ze op de boeken stonden. Niemand wist wie de verpakte hypotheekcontracten had gekocht. Er ontstond wantrouwen tussen banken. Er werden tussen banken geen geld meer geleend.” In 2008 gingen verschillende banken daardoor failliet.

“Deze gesecuritiseerde producten waren niet alleen verkocht aan Amerikaanse banken maar ook aan Europese banken. De schokgolf raakte zo ook het Europese continent. Staten in de hele Eurozone konden zich de meltdown van de financiële infrastuctuur niet permitteren. Het bankwezen was technisch failliet maar mocht niet failliet gaan. De overheden gaven kapitaalinjecties, namen de risico’s over van de banken en leverden garanties. In Nederland komt dat neer op 26% van het bruto binnenlands product.” Dat is de reden voor de grote staatsschulden nu, want “voor de crisis ging Bos met een overschot naar de Tweede Kamer”. In de onderstaande figuur is te zien hoe de staatsschuld in verschillende Westerse landen scherp steeg: voor de crisis daalde de schuld in Spanje met 10% na de crisis steeg de schuld met 10% per jaar.

Bankieren op anabole steroïden
“Het was een gigantische implosie van een financiële kathedraal, die de laatste twintig jaar is opgebouwd, waar toezichthouders geen zicht op hadden. Bankiers ook niet. They didn’t know shit. Ze wisten niet hoe markten eruit zagen, niet hoe kwetsbaar hun eigen bank was of hoe onderling verbonden en onderling afhankelijk de internationale bankwereld was. Wat wij sinds midden jaren ’80 zien is een nog nooit eerder vertoonde groei van de financiële economie ten opzicht van de de reële economie. Bancaire balansen zijn twee keer zo groot zijn als het mondiale bruto binnenlands product. Dat is bankieren op anabole steroïden.” De rode lijn in de onderstaande figuur geeft de ontwikkeling van de bankensector weer tegenover het gecombineerde bruto binnenlands product van de 14 rijkste landen.

Dat is nog maar wat de banken rapporteren. In de schaduwbancaire stelsel gaat nog een keer een heel mondiaal bruto binnenlands product om.  “Het schaduwbancaire stelsel bestaat uit alle transacties die verricht worden buiten het toezicht van bancaire toezichthouders. Ongeveer een derde van de financiële transacties vindt zo plaats. Dat weten we pas sinds de crisis. Er wordt daar geld gecreëerd door schuldtitels. Hetzelfde onderpand wordt gebruikt in vijf leentransacties. Dat is: hetzelfde onderpand wordt vijf keer heen en weer gedaan om enorme balansen te creëren. Nederland is de vierde grote draaischijf van het schaduwbancaire stelsel.”

Het gefinancialiseerde kapitalisme had haar oorsprong eind jaren ’70. “Door het  ineenstorten van de internationale monetaire orde in de jaren 70 verdween de quasi-goudstandaard die als ankerpunt fungeerde. Vervolgens zijn de financiële markten zijn geïnternationaliseerd en gedereguleerd.”

“We denken allemaal dat in de Verenigde Staten de grootste klootzakken rondlopen. Maar de VS heeft een kleine financiële sector. Deze is net zo groot als de Amerikaanse economie. De grootste klootzakken dat zijn de Europese banken. De landen met de grootste balansen in verhouding tot hun eigen economieën zijn Nederland en het Verenigd Koninkrijk.” De verhouding tussen de binnenlandse producten en de bankensectoren zijn weergegeven in de onderstaande figuur. “De Nederlandse banken zijn nog steeds vijf keer zo groot als de Nederlandse economie. Dat is too big to fail. Maar we kunnen ons niet een tweede reddingsoperatie permitteren.”

“Wat is hier gebeurd? Hoe kan dit gebeuren? Hoe kon het dat wij dit niet zagen? We hebben ons bezig gehouden met futiele kwesties, zoals hoofddoekjes, terwijl we ons financiële stelsel uit het oog verloren hebben. De financiële sector heeft een grote lobbymacht. Er is sprake van een draaideureffect: de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken is Eerste Kamerlid van D66. Banken krijgen de wetgeving die ze insteken. Europese wetgeving vindt plaats op basis van consultatierondes. Alleen de financiële sector reageert. Ze hebben een enorm batterij aan juristen.” Maar er is sprake van kennisfalen: “Economen zijn gelobotomiseerde krankzinnigen die niets begrijpen van de reële economie. Alleen heterodoxe economen zagen de zeepbel aankomen.”

Hefbomen
“Als je de winstgevendheid van banken afzet tegen de totale balans, dan zien we dat de winstgevenheid van banken niet veel is. In de VS is het hoogst: een winstpercentage van 1 tot 1.2%. In Europa is het nog lager. We kunnen ook naar hetzelfde rendement kijken in termen van het eigen kapitaal. Dat is wat de aandeelhouders en de bankiers zelf krijgen. Het rendement is midden jaren ’90 7% en loopt op naar 15%. Dit type rendementen maakt de banken tot een zeer winstgevende sector. Hoe kan een bank zo’n laag rendement hebben op de totale balans en zo’n hoog rendement per aandeel hebben?” De twee figuren hieronder geven de winst uitgedrukt in termen van de balans en uitgedrukt in termen van het eigen vermogen weer.

 

 

De hefboom is de simpelste reden voor het hoge rendement per aandeel: “De hefboom is niet anders dan de verhouding tussen het eigen vermogen en de omvang van de balans. In 1850 was de balans van het bankwezen twee keer zo groot als het eigen vermogen. De partners van een bank gokten met hun eigen vermogen. Dat betekent dat als je 1.2% winst haalt op je totale balans, je 2.4% winst haalt op je eigen vermogen. Rond 1970 zijn er hefbomen van 25%. Dit betekent dat banken nog maar 4% van hun eigen balans als eigen vermogen hebben. 1.2% winst betekent dan een winst van 30% op het eigen vermogen.”

“Hoe werkt dit? Een bank heeft heel weinig eigen vermogen. Voor een korte periode, één of twee dagen, lenen ze goedkoop geld. Dat lenen ze vervolgens uit voor hogere rentes of daar kopen ze financiële producten voor met hoge rendementen. Het verschil tussen die goedkope kortdurende leningen en die langdurige duurdere leningen dat is de winst die een bank maakt.”

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er internationale regels voor de verhouding die banken moeten hebben tussen eigen kapitaal en de totale balans. “Als een bank risicovolle activa op hun balans zetten, dan maakt dat ze tot een onveilige bank. Daarvoor moet veel eigen vermogen achter de hand gehouden. Voor overheidsobligaties van landen met een AAA-rating hoeven banken 0% eigen vermogen achter de hand te houden. Hypotheken zijn relatief onveilig daar moeten banken 8% eigen vermogen voor achter de hand houden. Dat betekent dat banken rekening houden met het mogelijke faillissement. Banken willen dus onveilige producten omzetten in producten met een AAA-rating. Het totale eigen vermogen is zo veel lager dan het cijfer dat volgt uit de risico-gewogen activa.” Hieronder zie je het risicogewogen eigen kapitaal van Nederlandse banken (waar ze in de top-4 staan) maar ook het niet risico-gewogen eigen kapitaal van banken (waar ze bij de onderste 4 staan).

“De toezichthouders van banken hebben afgesproken dat banken zelf hun eigen risico’s mogen inschatten, zolang dit maar voldoet aan een aantal procedurele voorwaarden. Bij grote banken keurt de slager het eigen vlees. De risico’s die verbonden waren aan veel financiële producten werd schromelijk onderschat. Ze kunnen zo kunstmatig hun eigen winsten oppompen.”

Securitisatie
“Banken hebben een intermediaire functie. Of ten minste dat is het zeehondjesverhaal dat ze graag vertellen. Mensen hebben geld over. De banken zetten dat surplusgeld uit bij mensen en bedrijven die geld nodig hebben. Tijdens de bancaire revolutie zijn banken andere dingen gaan doen. Ze zijn gebruik gaan maken van securitisatie. Dat is een vrij eenvoudig proces: we hebben een hypotheekbank die leent geld uit aan mensen die een lening willen. Door te securitiseren kunnen banken datzelfde beetje geld nog een keer uitgeven. Securitiseren is niet meer dan een contract als een op financiële markten verhandelbaar product doorverkopen aan andere partijen. Je hebt een bank die verkoopt aan een special purpose vehicle. Die koopt van die bank de hypotheken door evenveel obligaties uit te geven als hypotheekcontracten. De rente uit deze obligaties worden betaald uit de rente van de hypotheekcontracten. Er worden producten verkocht die tot in de tweede of de derde trap verwijderd zijn van het oorspronkelijke hypotheekcontract. In Nederland werden zulke producten gekocht door onze eigen pensioenfondsen. Nederland staat in de top-4 van markten in gesecuritiseerde schulden. Toen er geen hypotheekcontracten meer te slijten waren, bleek hoe enorm raar het vlechtwerk van afhankelijkheden in elkaar zat.”

Een schuldgedreven groeimodel
“Nederland is een verderfelijk land. We zijn een grote partij in het casinospel dat banken opgetuigd hebben. Wij hebben zelf een heel precair groeimodel gehanteerd.” Een onderdeel daarvan wordt in de volgende lezing uitgelicht door Alfred Kleinknecht: het exportgedreven groeimodel. “Sinds midden jaren ’80 krimpt onze binnenlandse economie zodat grote bedrijven kunnen exporteren. Daarvoor laten we onze lonen dalen.”

“Er is geprobeerd het tekort aan binnenlandse bestedingen op lossen door de vastgoedsector.” Dit is grotendeels gedreven door schulden: “Dit is een grote misallocatie van kapitaal: ons grote commerciële vastgoedprobleem. In Groot-Amsterdam staat 18% van de kantorenparken leeg. Dat wordt nooit meer verhuurd. Honderden miljoenen euro’s die gestoken zijn in vastgoed: vroeg of laat moet dat ergens afgeboekt worden. Laten we hopen dat het bij de banken zal zijn en dat niet de burgers ervoor moeten betalen. Woningbouwcorporaties, universiteiten en ziekenhuizen zijn sterk financieel gedreven. Hun hoofdtaak is niet meer onderwijs, onderzoek of zorg, maar het managen en beheren van een vastgoedportefeuille.” Maar ook huishoudens zijn gelinkt aan de vastgoedbubbel: “Nederland heeft een gigantische hypothecaire schuld. Alleen Zwitserland en Denenmarken hebben zo’n grote hypotheekschuld.” Het wordt voor huishoudens vanwege de bezuinigingen moeilijker om hun hypotheek te betalen of anders hun huis te verkopen. “We moeten af van onze geldverslaving en onze economie moet af van de vastgoedverslaving van de bouwsectoren.”

De illusoire winstgevendheid van het bankenstelsel heeft geleid tot een gigantische misallocatie van kapitaal en arbeid. Dit is een reset moment, een moment van herbezinning, een therapeutisch moment dat we met z’n allen moeten doormaken. We zitten nu in de nasleep van een sterk door marktdenken gedomineerd bedrijf. Er is nu veel meer ruimte voor het nadenken over alternatieven, andere vormen van markten, zoals duurzame markten. Maar eerst zal er een vlijmscherpe scalpel gezet moeten worden in de mondiale financiële sector zodat banken weer in dienst staan van mensen en niet in dienst van zichzelf.

‘GroenLinks is de meest radicale partij van Nederland’

Afgelopen maand organiseerde ik een lezingencyclus over de waardevolle economie. Vijf avonden waarop de economische koers van GroenLinks verdiept werd. Van twee schreef ik een verslag. Bij deze het verslag van de bijdrage van Jesse Klaver.

In de economische visie van GroenLinks staan ecologische, sociale en financiële duurzaamheid centraal. Als je vanuit deze waarden politiek bedrijft, leidt dat tot een radicaal andere inrichting van de economie, aldus Jesse Klaver tijdens de laatste lezing in de reeks Waardevolle economie.

De sociale kwestie is meer dan een broodkwestie
‘In de campagne leek het alsof links en rechts tegenover elkaar te stonden’. Links verweet rechts dat zij ‘de economie kapot bezuinigde’. GroenLinks werd, omdat zij het Lenteakkoord onderschreef gemakshalve bij rechts gerekend. ‘Maar uiteindelijk bezuinigden wij in ons programma evenveel als de PvdA. Het is namelijk geen zwart/wit-keuze: investeren of bezuinigen, je kan én investeren én bezuinigen. ‘Voor ons was niet de grootte van de bezuiniging leidend, maar drie waarden: ecologische, sociale en financiële duurzaamheid’. Ecologische duurzaamheid betreft leven binnen de ecologische grenzen. ‘”De sociale kwestie is meer dan een broodkwestie”, aldus een van mijn helden, Talma. Hij was een van de grondleggers van de verzorgingsstaat. Het gaat over meer dan een fatsoenlijk inkomen. Het gaat ook om erkenning. Denk aan de schoonmakers die staakten, ze wilden niet alleen een beter inkomen, maar ook gezien worden voor het werk dat ze deden. Met financiële duurzaamheid bedoel ik niet alleen de houdbaarheid van de overheidsfinanciën maar ook de stabiliteit van ons financiële systeem.’

Leven als de koningin van Versailles
‘De economische crisis waar we nu inzitten is geen klassieke bestedingscrisis, het is een crisis van de schuldeneconomie. Daarom moeten we niet extra schulden maken om uit de crisis te komen. We leven net als de Queen of Versailles: een documentaire over een Amerikaanse man en zijn vrouw. Die man was miljardair geworden met een bedrijfsmodel waarbij mensen een appartement konden kopen, terwijl ze dat eigenlijk niet konden betalen. Toen er nog veel goedkoop krediet was, ging het hem voor de wind. Hij was van plan om het grootste huis in Amerika te bouwen, ongeveer zoiets als Versailles in Frankrijk. Maar zijn hele bedrijfsmodel was gebaseerd op lucht: na de financiële crisis bleef hij alleen maar zitten met de waardepapieren. Weg goedkoop krediet, weg bedrijf en weg huis. Dat is de kern van het probleem waar we nu in zitten. We leven op de pof, van geld dat er niet is. Die luchtbel moet uit de economie.’ En juist daarom moet volgens Klaver de Nederlandse economie radicaal anders ingericht worden: ‘Nederland heeft een begroting van 250 miljard. In de doorrekening sleutel je daaraan. Wij verschuiven 68 miljard. De PvdA verschuift 40 miljard. GroenLinks bezuinigt 23 miljard. We investeren ook 13 miljard in extra. We verhogen de milieulasten met 12 miljard en verlagen de arbeidslasten met 14 miljard. Omdat we zoveel verschuiven, zijn we de meest radicale partij van Nederland. De modellen van het CPB kraken bij onze plannen.’

Ecologische duurzaamheid
‘Wij laten de vervuiler betalen. We repareren markten die niet goed functioneren. Neem het weggebruik. Daar betaalt iedereen hetzelfde voor. En dat is raar: want op de ring van Roosendaal is het wegdek minder schaars dan op de ring van Amsterdam. Roosendaal stroomt het verkeer goed door, terwijl bij Amsterdam is de auto’s in file staan. Files zijn enorm vervuilend: fijnstof is ontzettend slecht voor de gezondheid van mensen. Juist als je een prijs geeft aan weggebruik dan rijden we beter door: bij autopartij VVD stijgen de files volgens het Planbureau voor de Leefomgeving met 10%, bij ons dalen de files met 67%’. Gaan groen en groei samen? ‘Voor GroenLinks is economische groei geen doel op zich. In een eerdere lezing zei Alfred Kleinknecht dat we onder onze stand leven en dat we juist meer moeten consumeren, om de economie te stimuleren. Ik zeg: “we leven boven onze stand”. We hebben de grenzen van onze planeet bereikt. Bomen groeien niet tot in de hemel. Er zijn ecologische grenzen aan onze economische groei. We moeten toe naar een economie waarin consumptiegoederen niet worden weggegooid als ze opgebruikt zijn, maar worden hersteld.’ En zo’n economie zal minder groeien: ‘Economische groei of krimp zijn voor ons geen heilige huisjes. Ik denk dat we in Nederland toegaan naar een situatie van nulgroei.’ Niet omdat dat wenselijk is, maar omdat dat past bij een economie met minder input. ‘Je kan dan niet meer uit de schulden kan groeien. Onder Bill Clinton kromp voor het eerst in een lange tijd de Amerikaanse staatsschuld in verhouding tot het bruto binnenlands product. Dat kwam omdat de economie toen zo sterk groeide, niet omdat de staatsschuld terugliep. In de jaren ’90 kon je je zo uit de schulden helpen. Je kan nu ook een schuld maken om die te investeren in economische groei. Maar dat kan je alleen terugbetalen mét rente, als je verwacht dat de economie structureel blijft groeien. Het scenario van economische groei komt niet terug. We moeten af van de schuldeneconomie en naar een economie die reële waarde vertegenwoordigt’.

Sociale duurzaamheid
‘Sociale duurzaamheid betekende in deze doorrekening heel concreet onderwijs en werk. GroenLinks schept, van alle linkse partijen de meeste banen – zij het na 2017, tot 2017 loopt bij alle linkse partijen de werkeloosheid op. GroenLinks creëert zoveel banen door de belasting te verschuiven van werk naar vervuiling. Werk moet zo lang mogelijk blijven lonen. Daarom verlaagt GroenLinks de loonbelasting juist voor de lagere inkomens. Bovendien investeren we in de participatie voor mensen boven de vijftig, die nu weinig kans hebben op de arbeidsmarkt. Het vorige kabinet zei over mensen die aan de kant stonden: “er zijn nog zoveel vacatures. Mensen die niet werken zijn lui.” Dat is niet het geval.’ Iemand die ontslagen wordt in de bouw kan niet meteen aan de slag in de zorg. ‘Er is een mismatch tussen de kwaliteiten van mensen die aan de kant staan en wat er nu nodig is op de arbeidsmarkt.’ ‘De belangrijkste investering in jongeren doe je via het onderwijs. GroenLinks investeert in vroege en voorschoolse educatie. Zo voorkom je dat kinderen een achterstand oplopen. We investeren ook extra geld om ervoor te zorgen dat de best betaalde docenten lesgeven op het VMBO. GroenLinks investeert van alle partijen het meeste geld in onderwijs, maar dat droeg volgens het CPB niet allemaal bij aan economische groei: bij D66 droeg het onderwijs het meest bij aan het binnenlands product. Wil je dat je economie groeit door het onderwijs dan moeten docenten prestatiebeloningen geven, studenten sneller laten studeren en kinderen in grotere klassen zetten. Maar GroenLinks wil niet de maximale economische groei maar het beste onderwijs. Onderwijs is geen leerfabriek die mensen voorbereid op de arbeidsmarkt. Onderwijs gaat erover dat je jezelf kan vormen.’

Financiële duurzaamheid
‘GroenLinks kiest voor een aantal hervormingen, die op de lange termijn de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verbeteren. Dat is noodzakelijk om op lange termijn de sociale voorzieningen betaalbaar te houden. Zo schaffen we de hypotheekrente op termijn af. 20% van de hoogste inkomens krijgen 50% van de inkomsten hiervan. Het afbouwen van de hypotheekrenteaftrek is goed voor de overheidsfinanciën maar ook voor een eerlijkere inkomensverdeling. Alle andere partijen laten de hypotheekrenteaftrek op een of andere manier in stand.’ ‘Maar het anders inrichten van de overheidsfinanciën is niet genoeg om de financiële risico’s van de overheid te beperken. Als je geen controle hebt over de banken dan heeft het geen zin. Het ging Ierland economisch voor de wind voordat de banken failliet gingen. De Nederlandse systeembanken zijn samen vier keer zo groot is als het Nederlands binnenlands product. Die banken kunnen niet nog een keer omvallen, want het risico voor de staat is te groot. Bankiers zijn eigenlijk nepkapitalisten. Als een bankier failliet gaat dan moet hij gered worden door de overheid. We moeten ervoor zorgen dat banken niet langer too big to fail zijn. De banken zijn zo groot omdat er tegenover het geld dat ze uitlenen nauwelijks geld op hun eigen rekening hoeft te staan. In de jaren ’90 klotste het geld klotste over de plinten. Van dat geld zijn bijvoorbeeld bedrijventerreinen gebouwd. Toen ik vroeger met mijn opa door Brabant fietste, vertelde hij me dat die bedrijventerreinen voor leegstand werden gebouwd. Projectontwikkelaars hadden plannen waardoor ze nog steeds winst konden boeken als die panden vijf jaar leeg stonden. Als ik nu terug naar Roosendaal rij zie ik dat mijn opa gelijk heeft gekregen.’ ‘Hoe gaan we de financiële sector beteugelen? In de eerste plaats door hogere buffers. We willen dat banken tegenover het geld dat ze uitlenen meer op hun eigen rekening moeten hebben staan. Bovendien willen we nuts- en zakenbanken scheiden: zo proberen we het spaargeld van mensen dat de overheid moet beschermen en de risicovolle activiteiten van banken te scheiden.’

Het verhaal van GroenLinks
‘Mensen snakken naar een nieuw verhaal. Dat zijn mensen die zelf actief zijn met duurzaamheid, ze zijn bijvoorbeeld bezig met urban farming. De belangrijkste vraag voor GroenLinks is: hoe krijgen we als GroenLinks die mensen terug? Hier zijn we denk ik als GroenLinks in de laatste jaren niet goed in geslaagd: met pragmatische stappen brengen we ons ideaal iedere keer een stapje dichterbij. Maar de compromissen die GroenLinks sluit, zijn niet de standpunten van GroenLinks. We moeten ons eigen verhaal vertellen. GroenLinks moet een veranderingsbeweging worden waar mensen bij willen horen. GroenLinks kiest nooit voor de belangen van gevestigde instellingen, maar voor de belangen van mensen. Wij zijn niet de gevestigde orde, wij willen de orde juist omgooien. Wij willen verandering!’

Belasting is diefstal?

Daar kon ik mijn linkse vingers bij aflikken. Dat regeerakkoord en dat re-regeerakkoord: nivelleren. Echt zo’n mooie linkse hobby, toch?

De cijfers zijn simpel: in landen met een gelijkmatigere inkomensverdeling is alles beter: er is minder criminaliteit, er zijn minder tienerzwangerschappen, men heeft een groter vertrouwen in de politiek, men is gezonder. Al met al: in landen met een gelijkere inkomensverdeling is men gelukkiger. Omdat de verschillen minder groot zijn, is de sociale samenhang sterker.

Deze rechtvaardiging heeft een heldere structuur: omdat het bepaalde positieve gevolgen heeft, is een bepaalde handeling rechtvaardig. Diederik Samsom gelooft in gelijke uitkomsten. Om die bereiken is van alles rechtvaardig. Naar de moraliteit van de handeling zelf wordt niet gekeken: het doel heiligt de middelen. Stellig gezegd: in een samenleving met gelijkere inkomens, is er minder criminaliteit. Er wordt niet minder gestolen: de diefstal vindt alleen via de belastingen plaats. De overheid is gerechtvaardigd om mensen hun bezit te ontnemen, omdat er dan minder bezit van mensen wordt ontnomen door hun medeburgers. Paradoxaal.
The needs of the many outweigh the needs of the few or the one. Dat is het principe van deze redenering: we halen wat geld weg bij de rijken omdat dit goed is voor de sociale samenhang, de gezondheid van mensen en het geluk van de samenleving: stel dat er in een dorp grote onrust heerst over de komst van een homoseksueel echtpaar. Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen naar een ander dorp te verhuizen omdat hun komst de sociale samenhang van het dorp ondermijnt? Is het gerechtvaardigd hen te vragen weg te gaan omdat mensen zich minder gezond voelen, nu homo’s aanwezig zijn? Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen te verhuizen als mensen dan gelukkiger van worden?
U begrijpt: ik zie niet bijzonder veel in herverdeling van inkomen met alleen de rechtvaardigingsgrond dat de samenleving daar beter van wordt. Aangezien dat het niet zeker is wat de uitkomsten van een handeling zijn, lijkt het me onmogelijk om een handeling daardoor te rechtvaardigen. Deze redenering ontleen ik overigens aan Kant. En aangezien mensen van elkaar onderscheiden zijn, ben ik geen voorstander van de holistische optellingen die onder deze redenering ligt. Dat idee ontleen ik aan Rawls.

Ik zie u denken: wat doet u eigenlijk nog bij een linkse partij? Als u vindt dat belasting diefstal is of een vorm van discriminatie?
Ik heb hier al vaak over geschreven en het is een breed gedeeld ideaal in GroenLinks: gelijke kansen. Ik geloof dat inkomensverschillen rechtvaardig zijn als mensen daar zelf voor kiezen. Als een bedrijf mij wil inhuren om onderzoek te doen en me daar 100 euro voor wil geven is dat prima. Die 100 mag ik houden, die heb ik verdiend.
Niet helemaal: een gedeelte van mijn inkomen kan ik verdienen omdat ik het bijzonder getroffen heb, gezond geboren, met -al zeg ik het zelf- een goed stel hersenen, goed opgeleide ouders maar misschien wel nog belangrijker: geboren in Nederland. Daar heb ik niets voor gedaan. Daar zit mijn werk niet in. Op het inkomen dat ik daardoor verdien heb ik geen recht.
Dat betekent dat ik radicaal wil herverdelen: tussen gezond en gehandicapt, tussen getalenteerd en ongetalenteerd, tussen geboren in een gezin met veel sociaal kapitaal en geboren in een gezin met weinig sociaal kapitaal, maar belangrijker nog tussen Noord en Zuid.
Als de beginposities gelijk zijn en de transacties in vrijheid genomen zijn, dan is iedere uitkomst rechtvaardig. Herverdeling is rechtvaardig om verschillen in inkomen die komen door verschilen in beginposities te vereffenen. Ik heb recht op het inkomen dat ik verdien door hard te werken, maar niet door het inkomen dat ik heb door mijn intelligentie, die ik bij toeval heb gekregen. Dat is geen diefstal omdat dat niet mijn bezit is, immers ik heb er niets voor gedaan.
En als gelijke kansen ook een mooiere, gezondere, gelukkigere samenleving oplevert is dat een mooi bijproduct, maar dat kan het doel nooit zijn.

Stelling 11: Het is niet genoeg de wereld te begrijpen, we moeten haar veranderen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 11: “Het is niet genoeg de wereld te begrijpen, we moeten haar veranderen.”

Gedurende mijn hele universitaire opleiding ben ik politiek actief geweest.  Want het is voor mij nooit genoeg geweest om te leren hoe de politieke wereld in elkaar zat, ik heb me altijd ingezet voor maatschappelijke verandering. Mijn studie was lange tijd mijn voornaamste bezigheid en politiek een hobby, maar in het laatste jaar heb ik gezocht naar een nieuwe balans door zowel te werken in de politiek, bij Bureau de Helling, als in de wetenschap, bij de Universiteit Leiden.

Het is een precaire balans omdat in de wetenschap objectiviteit en integriteit centraal staan. Een partijgebonden partijonderzoeker heeft een lastige positie. Hij kan voor zich zelf waarde en waarheid misschien wel scheiden, maar voor anderen is het lastig om dat te zien. Overigens juist als kiezersonderzoeker moet je bij een partij niet geleid worden door wat jezelf belangrijk vindt, maar door wat uit kiezersonderzoek blijkt belangrijk te zijn voor kiezers. Ik zou bijvoorbeeld zelf het liefst Nederland morgen onderdeel maken van een Europese federatie, het minimumloon afschaffen en alle panda’s over de kling jagen, maar ik realiseer me dat die standpunten electoraal lastig liggen. Het is mijn rol geweest binnen GroenLinks om matiging te adviseren over ons pro-Europese programma, een meer herkenbaar linkse koers te adviseren en vol in te zetten op groen. Mijn neutraliteit en objectiviteit heb ik nooit opgegeven.

Even zo zeer heb ik het laatste jaar gemerkt dat als je onderzoek doet naar iets waar je niet 100% vol voor gaat, dat de drive om urenlang zelfstandig te werken niet heel groot is. Ik rond daar nu mijn onderzoek naar belangengroeperingen af. Dat is grotendeels dezelfde theorie en dezelfde methoden als in mijn partijenonderzoek, maar het onderwerp kan mij veel minder motiveren. Ik ben daarom bijzonder blij dat ik de mogelijkheid krijgen om bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen me in te zetten voor mijn grote passie, het onderzoek naar politieke partijen. In mijn onderzoek naar bijvoorbeeld de Partij voor de Dieren probeer ik erachter te komen hoe zelfs kleine partijen een grote invloed hebben op de aandacht voor hun onderwerp. Daarmee hoop ik niet alleen bij te dragen aan een beter begrip van de politiek, maar ook mensen aan te moedigen om zich in te zetten voor maatschappelijke verandering, want zelfs met twee zetels kan je een grote verandering inzetten.

En zo zie je: als partijgebonden kiezersonderzoeker heb je de kille neutraliteit nodig van de empirist, want anders wordt je advies gekleurd door je eigen standpunt; en als neutrale partijenonderzoeker heb je de passie nodig van de partijactivist, want anders heb je de motivatie niet om iedere dag onderzoek te doen. Ik ben bijzonder blij dat ik de komend jaren deze precaire balans mag door zetten, als onderzoeker bij het DNPP en als bij Bureau de Helling.

Stelling 10: Politicoloog, computerprogrammeur, journalist en filosoof

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 10: “Een politicoloog is een computerprogrammeur in de ochtend, een journalist in de middag en een filosoof in de avond.”

Politicologie is een bijzondere discipline. Een politicoloog combineert veel verschillende perspectieven. In mijn proefschrift heb ik verschillende perspectieven gecombineerd: kwantitatief onderzoeker, kwalitatief onderzoeker en theoreticus.

Een belangrijk deel van mijn proefschrift bestaat uit een statistische analyse. Dit is gebaseerd op data over parlementaire stemmingen die ik samen met mijn collega heb verzameld uit online bestanden. In dat werk ben je eigenlijk meer een computerprogrammeur dan een politiek wetenschapper. Websites geautomatiseerd downloaden, de gedownloadde bestanden parsen, data bestanden maken en statistische analyse draaien. Dat hadden ze me allemaal niet tijdens de bachelor geleerd. Ik had me veel nieuwe methoden eigen moeten maken, waaronder het statistische programma R. R is meer dan een statistiekprogramma, het is een computertaal. Je bent bezig met for-loops, if … else statements etc. Zo krijg je uiteindelijk cijfers, die je kan analysere en mooi als figuur weer kan geven.

Daarmee was met mij betreft het onderzoek af, maar mijn promotor wees me er terecht op dat al die statistiek wel leuk is maar betekenisloos is zonder context. Dus moest ik ook een historische analyse schrijven. Het effect van nieuwe partijen in context plaatsen. Waar het werk van een kwantitatief politicoloog steeds meer lijkt op een computerprogrammeur zonder formele training, lijkt het werk van een kwalitatief politicoloog nog steeds op een journalist zonder deadline. Uiteindelijk heeft dat een mooie historische beschrijving van alle nieuwe partijen in Nederland opgeleverd in de context van de Nederlandse politieke geschiedenis: de democratisering van de jaren ’60, de debatten over abortus in de jaren ’70, de kernwapendebatten van de jaren ’80.

De laatste rol van de politicoloog is de filosoof. Los van de data en de context een theoretisch argument maken. Mij lag de rol het minst omdat ik een vrij platte empiricus ben en een gediplomeerd filosoof. Rollen die ik altijd gescheiden had. Meer dan de theorievorming over nieuwe partijen (alhoewel ik ook wel gestoeid heb met de klassieke definities en schema’s van nieuwe partijen) heb ik proberen bij te dragen aan het begrip van de arena’s waarin partijen opereren, de parlementaire arena en de electorale arena. Toen ik er achter kwam dat nieuwe partijen geen effect hebben in de electorale arena, maar wel in de parlementaire arena, was dat voor mij eerst een teleurstellende uitkomst, maar uiteindelijk een waardevolle uitkomst.

En zo ben je als politicoloog een computerprogrammeur, een journalist en een filosoof. Bezig met for loops, bronnenonderzoek en grote verhalen.

Stelling 9: Party democracy is not dead yet

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de negende: over de veerkracht van de partijpolitiek.

Stelling 9: “De partijendemocratie vertoont een opvallende gelijkenis met Mark Twain, immers de veelvuldige berichten over haar dood zijn overdrijvingen.”

Een van de meest kritische opmerkingen van de commissie was: “u doet onderzoek naar het effect van nieuwe partijen op bestaande partijen, maar wat doet dat er toe? Partijen zijn toch steeds minder relevant?”

Sinds de politicologie bestaat verklaart iedere generatie politicologen de politieke partij dood. Verouderd, sluit niet meer aan bij de huidige maatschappij, regentesk, geïsoleerd van de samenleving, niet-responsief, niet-representatief. Wat zou verouderde partijen bij de les kunnen houden?

In dit onderzoek kijk ik of nieuwe partijen deze rol zouden kunnen spelen Zouden nieuwe partijen die door kiezers naar Den Haag worden gestuurd om nieuwe onderwerpen op de agenda te zetten, om het beleid naar links of naar rechts te sturen en om “die malle boel te grazen te nemen”? En in mijn onderzoek blijkt dat onder specifieke voorwaarden nieuwe partijen een effect kunnen hebben.  Laat dit niet zien dat politieke partijen hun relevantie niet hebben verloren omdat er een dynamiek is tussen nieuwe en bestaande partijen die zorgt voor aansluiting voor partijen bij de samenleving, die zorgen voor vernieuwing, die een brug kunnen slaan tussen burger en maatschappij, die zorgen voor responsiviteit en representativiteit?

Een logische casus om naar te verwijzen is de LPF: in de jaren ’90 heerste er in Nederland een politieke correctheid in Nederland rond migratie en integratie. In de samenleving ontstond een grote onvrede over immigratie en integratie. De opkomst van de LPF dwong de bestaande partijen om meer aandacht te besteden aan migratie. Dat laat zien dat nieuwe partijen de link kunnen vormen tussen de kiezers en de bestaande partijen.

Dit is deels een vertekening: tijdens het tweede paarse kabinet werd er al een meer stringente vreemdelingenwet (de wet-Cohen) aangenomen en werd er dus al gedebatteerd over immigratie in de Tweede Kamer.  Dat laat zien dat de LPF er niet voor heeft gezorgd dat aandacht voor migratie van 0% naar 100% is gegaan. Het effect van nieuwe partijen is beperkt. Maar in dit geval laat dat alleen maar zien dat bestaande partijen ook zonder de druk van nieuwe partijen reageren op maatschappelijke ontwikkelingen als migratie.

Links Marktliberalisme

Ik geloof in marktwerking. Dat is heel wat omdat te schrijven. Want in linkse kring is marktwerking niet in. We willen geen martkwerking in de zorg, in het onderwijs of op de huizenmarkt. Links staat voor een sterke staat die garant staat voor goed toegankelijk onderwijs, zorg en huizen. En dat moet de overheid zelf doen toch?

Het PGB
Wat mij erg verwonderde was dat het rechtse kabinet de Persoonsgebonden Budgetten voor mensen met een beperking wilden beeindigen. Ze zei: laat de overheid dit maar doen. Maar wat betekent dat? Iedereen in een gemeente krijgt zorg geleverd door dezelfde bureaucratische zorgverlener. Mensen verliezen grip over hun eigen leven omdat de zorgverlener bepaalt wanneer mensen uit bed gehaald worden of gewassen, en niet die mensen zelf. Terwijl met een PGB mensen zelf hun eigen zorg kunnen inhuren op hun eigen tijden onder hun eigen voorwaarden. We moeten, zoals Bart Snels stelt, niet geloven in het sjabloon dat links staat voor de bureaucratische maar toegankelijke overheid en rechts voor de kille, maar efficiente markt. Markten waar mensen zelf diensten kunnen kopen kunnen juist bij uitstek aansluiten bij linkse doelen als zelfontplooiing.

Als we ten minste maar het grootste probleem van markten oplossen. En dat is dat het ruilmiddel dat centraal staat in markten niet verdeeld is naar hoeveel mensen diensten nodig hebben, maar op basis van wat erven van onze ouders aan financieel kapitaal, sociaal kapitaal en genetisch materiaal. Het PGB is hier een prachtig voorbeeld van: iemand die geen handicap heeft en veertig uur in de week kan werken zonder ondersteuning kan een boel zorg kopen, maar hij heeft het niet nodig. Iemand die zonder ondersteuning niet kan werken, heeft het wel nodig. De belangrijkste rol van de overheid is ervoor zorgen dat we dit soort verdelingsvraagstukken oplossen. In de terminologie van luck egalitarians: ervoor zorgen dat mensen gecompenseerd worden voor die eigenschappen die ze achterstellen ten op zichte van anderen, die ze buiten hun schuld om hebben gekregen.

Linkse marktutopie
Voor veel diensten waar de publieke sector ons nu in voorziet zou volgens mij ook een marktpartij dat kunnen doen, als we een eerlijke toegang voor deze diensten kunnen verzekeren. De overheid zou ervoor moeten zorgen dat mensen die met een handicap geboren worden, een persoonsgebonden budget krijgen om zelf hun eigen zorg in te kopen, mensen die leerachterstand hebben, de middelen krijgen om die in te lopen en ervoor te zorgen dat niemand op straat hoeft te leven omdat hij de huur niet kan veroorloven.

Wat betekent dit concreet, voor de diensten die de overheid nu verleent: in het onderwijs, de arbeidsmarkt, de zorg, infrastructuur, de publieke omroep en huizenmarkt?

  • Over het onderwijs heb ik in het verleden als een aantal keer geschreven (hier en hier). Kortgezegd: ik ben dol op de vrijheid van onderwijs. Maak scholen onafhankelijk van de overheid en stel ze in staat om hun eigen beleid te voeren. Laat vervolgens leerlingen met vouchers toegang tot onderwijs kopen, maar verdeel dit zo dat leerlingen die een achterstand hebben (arme of niet-Nederlandstalige ouders, bijvoorbeeld, maar ook vastgestelde beperkingen) meer vouchers hebben om meer onderwijs te kopen. En beloon vervolgens mensen die excelleren in onderwijs met extra vouchers waarmee ze beter en meer hoger onderwijs kunnen kunnen kopen.
  • Ik vind het Nederlandse zorgstelsel zo slecht nog niet. Ook in internationale vergelijkingen doen we het heel goed. Een verplichte verzekering voor risico’s die iedereen loopt en een regeling voor onverzekerbare risico’s, waar iedereen aan bijdraagt. Ik zou meer gebruik willen maken van het pgb-model voor zorginkoop, omdat dat mensen grip geeft over hun eigen leven: of mensen kiezen voor een flexibele zelfstandige zorgverlener of een goedkope, maar onpersoonlijke en bureaucratische, zorgmoloch is dan hun eigen keuze. Natuurlijk zijn er irrationale aspecten aan de zorgmarkt: denk het feit dat iedereen recht heeft op een nieuwe rollator. Als je mensen een budget geeft om op een zorgmarkt mobiliteitsmiddelen te kopen ontstaat er natuurlijk een gezonde markt in tweedehandsrollators.
  • Op de arbeidsmarkt heb ik misschien wel de radicaalste ideeen. Van mij mag alle bescherming worden opgeheven: ontslagbescherming en het minimumloon. Ze verstoren de arbeidsmarkt en houden daarmee mensen ‘met beperkte verdiencapaciteiten’ in armoede. Neem iemand die achter een lopende band werkt. Om het minimumloon te verdienen moet hij 100 dopjes op een tube tandpasta schroeven, maar door een beperking kan hij er maar 90 opschroeven. Dat betekent dat een bedrijf hem nu niet zal inhuren omdat hij het ‘minimumloon’ niet waard is. Dat betekent dat hij veroordeeld is tot een uitkering (70% van het minimumloon). Terwijl als er geen minimumloon was dan zou hij dus 90% van het minimumloon, en dus 130% van het bijstandsniveau verdienen. Dat betekent niet dat ik vind dat deze persoon maar 90% waard is van zijn collega. Ik geloof alleen niet dat het de rol van de werkgevers is om voor een eerlijk inkomen te zorgen. Dat moeten we als gemeenschap samen doen, bijvoorbeeld door een basisinkomen, dat ervoor zorgt dat iedereen onafhankelijk van zijn ‘verdiencapaciteit’ een menswaardig bestaan kan hebben.
  • Op de huizenmarkt heeft GroenLinks volgens mij de mooiste linkse marktliberale oplossingen: sta verhuurders toe om marktconforme huren te vragen.  Maar compenseer via hogere huurtoeslag die mensen die een zodanig inkomensniveau hebben dat ze ondersteuning verdienen bij het huren van een woning . Zo maak je een eind aan scheefhuurders die in een woning zitten met een sociale huur, maar een inkomen hebben dat ze daar geen recht meer op geeft. (Van mij mag het overigens nog wel wat radicaler: maak van mijn apart alle huren ‘marktconform’ en hef het onderscheid tussen sociale huursector en vrije huursector op). Je moet via de huizenmarkt geen inkomenspolitiek willen voeren. Dat geldt natuurlijk ook voor de hypotheekrenteaftrek. Afbouwen! Het houdt de huizenprijs hoger dan hij zou zijn op een vrije markt. En dat houdt ook starters buiten.
  • Ik heb nooit begrepen waarom de overheid wel radio en televisie verzorgt maar geen kranten. En waarom ik moet betalen voor Lingo dat ik nooit kijk, maar niet voor de volkskrant-website waar ik al mijn nieuws vandaan haal. Volgens mij moeten we dat allemaal over laten aan de markt. Om ervoor te zorgen dat er wel goede journalistiek bedreven wordt, zouden we een fonds voor kwaliteitsjournalistiek moeten hebben, betaald uit belastinggeld, die onafhankelijke nieuwsgaring mogelijk maakt.
  • De voorstellen voor een kilometerheffing waar linkse partijen voor zijn, komen neer op het nadoen van marktwerking. Maar waarom iets nadoen wat de markt zo goed zelf kan. Gewoon stukken weg privatiseren. Rijden iedere dag honderden auto’s over, dat lijkt me een flinke duit waard. In de vrije markt betaalt de gebruiker echt.

Binnen GroenLinks is er een discussie tussen een linkerflank en een middenflank. Linda Voortman staat bekend als een gezicht van de linkerflank. En het is juist zij die in de vorige periode pal voor het PGB stond, en zij verdedigde de innovatieve oplossing van GroenLinks voor scheefhuren. Kortom: de tegenstelling binnen GroenLinks tussen links en midden betreft niet de keuze tussen staat en markt.

Groene dilemma’s

“Groen” twitterde Liesbeth van Tongeren op mijn vraag of GroenLinks een groene, rode of blauwe koers moest varen. Maar de vraag is of groen een eenduidige koers inhoudt.

Recente uitspraken van Louise Fresco over “vanuit het milieu gezien is er niets mis met plofkip en megastal” en nieuws dat elektrische auto’s “allerminst duurzaam” zijn, laten zien dat groene doelen (klimaat, dierenwelzijn, grondstoffen) lang niet altijd hand in hand gaan. Ik wil hier een aantal verschillende groene doelen bekijken en afwegen in hoeverre deze doelen hand in hand gaan.

Instrumentele waarde van natuur: inputs en outputs
Niets is economisch verstandig wat ecologisch onverstandig is, stelde Kathalijne Buitenweg. We kunnen onze natuur zien als een onderdeel van ons economische systeem. Het stelt grenzen aan wat we kunnen doen: wat we kunnen verbruiken, vervuilen en verspillen. In deze visie is natuur instrumenteel, waardevol voor menselijk leven. Wij mensen produceren, verplaatsen en consumeren en dat kost grondstoffen, die door de natuur geleverd worden en levert vervuiling op, die door de natuur wordt afgebroken. Ons economisch systeem heeft inputs nodig en levert outputs op die uiteindelijk uit de natuur komen of naar de natuur toegaan. De vraag is dan hoe we zo efficient mogelijk omgaan met grondstoffen en zo weinig mogelijk vervuiling maken, zodat menselijk leven duurzaam door kan gaan. Technologische innovaties of beprijzingsmechanismen liggen hierbij voor de hand. Een belangrijke vraag is of onze economisch systeem kan blijven groeien gegeven de ecologische grenzen. Het is in deze context, zoals ik daar net al heb gedaan een onderscheid te maken tussen grondstofproblemen (oprakende inputs) en vervuilingsproblemen (te veel negatieve externaliteiten of outputs). Het meest prominente vervuilingsprobleem is op dit moment CO2-uitstoot. We stoten met z’n allen zoveel broeikasgassen uit dat de natuur dit niet meer kan verwerken. De broeikasgassen blijven hangen in de lucht en veroorzaken klimaatverandering.

Intrinsieke waarde van natuur: dierenwelzijn en natuurbehoud
Maar er zijn dingen in de natuur die waarde op zichzelf hebben. Maar ook hier kunnen we onderscheid maken tussen dieren (wiens welzijn waardevol is, ten minste voor het dier zelf) en hele eco-systemen. Dierenwelzijn richt zich op individuen; natuurbehoud richt zich op hele systemen. Dat dierenwelzijn intrinsiek waardevol is, lijkt me self evident, maar gezien het feit dat nog niet iedereen vegetarier is, vereist dat misschien wat verklaring. Een dier heeft waarde op zich, net als mensen. Het is voor een koe niet fijn om te lijden, net als het voor mens niet fijn is om te lijden. De reacties van koeien en mensen op pijn zijn redelijk vergelijkbaar. Als je een koe een schok geeft als ze te dicht bij het rand van het veld komt, dan gaat ze niet meer aan de rand staan.
Waarom is een natuurgebied dat veel soorten heeft (zoals een oerwoud) op zich zelf waardvoller dan een landbouwgebied dat weinig soorten heeft (zoals een grasveld). Komt het omdat deze gebieden mooier zijn om in te ontspannen, of omdat daar meer dieren leven? Dan is natuurbehoud niet intrinsiek waardevol maar mensen- of dierenwelzijn. Of komt omdat we denken dat het voortbestaan van een natuurgebied waardevol is. Het voortbestaan van natuur die er al was voordat de  mens bestond en ook zal bestaan nadat mensen zijn uitgestorven waarde heeft, is waardevol op zich. Gewoon omdat het altijd is geweest.[1]
Als we erkennen dat dingen intrinsiek waardevol zijn, dan voldoet het niet om er efficienter mee om te gaan of er door prijsmechanisme minder van te gebruiken. We zullen moeten stoppen. Als het moreel onjuist is om dieren te eten of bomen te kappen. Dan moeten we onze leven veranderen. Mensen mogen geen vlees meer eten en samenlevingen mogen geen natuurgebieden meer aantasten.

Conflicten tussen verschillende groene doelen
Nu kunnen we in beeld brengen in hoeverre deze doelen hand in hand gaan:

  • Inputs vs. outputs: onze fossiele brandstoffen hebben zowel een inputprobleem (want er is te weinig om op lange termijn door te gaan met olieconsumptie) en een outputprobleem (want door fossiele brandstoffen te verbranden veroorzaken klimaatverandering). Omdat elektrische auto’s grote batterijen nodig hebben waar heel zeldzame metalen in moeten, leveren ze als ze op windenergie rijden (outputprobleem opgelost) weer een nieuw inputprobleem op.
  • Inputs vs. dierenwelzijn: land is een schaarse grondstof. Onze vleesconsumptie kost een boel land (voor dierenvoeder). Minder vlees betekent meer dierenwelzijn en minder land. Maar door mest te vergisten en te verbranden kunnen we een deel van onze olieconsumptie verminderen. Goed voor de inputproblemen maar niet voor dierenwelzijnsproblemen.
  • Inputs vs. natuurbehoud: als we efficienter met onze grondstoffen omgaan hoeven we geen grondstoffen uit natuurgebieden te halen: gas boren onder de Waddenzee, olie boren in de Artic National Wildlife Reserve. Maar schone energie is geen natuurvriendelijke energie. Windmolens tasten natuurgebieden aan. En als we de hele Sahara vol leggen met zonnepanelen blijft er weinig van dat natuurgebied over.
  • Outputs vs. dierenwelzijn: in Meat the Truth laat Marianne Thieme vakkundig zien dat klimaatverandering deels veroorzaakt wordt door intensieve veehouderij. Maar als we vee houden in luchtdichte stallen waar we de door hen geproduceerde broeikasgassen afvangen en onder de grond opslaan, dan is dat niet goed voor het welzijn van de dieren.
  • Outputs vs. natuurbehoud: dat het produceren van vervuiling slecht is voor natuurgebieden lijkt me evident. Maar oplossing voor outputproblemen hoeven niet goed te zijn voor natuurbehoud. Als we de Sahara volplanten met bossen (om CO2 op te slaan), dan tasten we dat originele natuurgebied aan.
  • Dierenwelzijn vs. natuurbehoud: het lijkt alsof dierenwelzijn en natuurbehoud hand in hand gaan. Immers als er geen regenwoud was dan zouden ook allerlei dieren geen huis meer hebben. Echter in de natuur lijden dieren ook. Wolven eten herten. Dat is niet fijn voor het hert. Als mensen ze niet bijvoederen dan gaan in een harde winter een boel herten dood. Dat is de “manier” van het hele ecosysteem om de populatie herten niet te groot te laten groeien. En als we het regenwoud kappen voor sojavelden om koeien te voeden, dan is dat slecht voor die natuurgebieden. En als we de koeien voeden, niet melken en niet op eten, dan is dat niet slecht voor die dieren.

Het oplossen van input en outputproblemen, het zorgen voor dierenwelzijn of natuurbehoud zijn niet per se hetzelfde. Voor GroenLinks staat de laatste jaren klimaat bovenaan en voor de Partij voor de Dieren dierenwelzijn. In Australie is er een partij “Liberals for the Forest”. In het spectrum van de mogelijke groene problemen die je centraal zou kunnen zetten, hebben deze allemaal bestaansrecht, omdat dit onderscheiden problemen zijn.

[1] Hierbij breken we dus de is/ought-distinctie. Iets is waardevol op zichzelf omdat het er altijd is geweest. U begrijpt, ik geloof niet helemaal in de intrinsieke waarde van natuur.

Stelling 8: sociaaldemocraten en Christendemocraten zijn populisten

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de achtste: over de wortels van het populisme.

Stelling 8: “De sociaaldemocratie en de Christendemocratie zijn ontstaan als populistische bewegingen.”

Bij het proefschrift mag je ook vier stellingen leveren die wel over het vak gaan, maar niet over het boek. Dat geeft de mogelijkheid om mijn eigen favoriete verhalen te vertellen. Zo ook de notie dat populisme niet nieuws is, maar terug te zien is in het vroege socialisme en Christendemocratie. Je hoort dit soms wel in het debat over populisme. Historici Van de Velde, Vossen en Lucassen heb ik dit wel horen stellen, maar niet systematisch zien uitwerken. Ik heb er zelf twee kleine blogjes aangewijd.

Het idee is simpel: populisme maakt twee onderscheiden: tussen het pure volk en het corrupte elite, en tussen het goede volk en gevaarlijke anderen. Socialisten waren in hun beginperiode een zeer anti-elitaire beweging, de grote meerderheid van het volk, het proletariaat, wordt eronder gehouden door de elite, de bourgeoisie. In de elite zijn economische en politieke deelbelangen met elkaar gefuseerd: kerk, kapitaal, kroon, kazerne en kroeg vormen een vijfeenheid. Het socialisme wil dat de staat het belang van heel het volk vertegenwoordigt.

De deling tussen het volk en de ander vinden we terug in de vroege Christendemocratie, in het bijzonder in de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk-Historische Unie. Ze verzetten zich tegen het Katholicisme Dit geloof strookte niet met de Nederlandse volksaard, het totalitaire trekjes, maar was bovenal onbetrouwbaar omdat Katholieken niet loyaal waren aan de Nederlandse kroon maar aan een buitenlandse mogendheid. De gelijkenissen met de hedendaagse populistische partijen zijn treffend: tegen de elite en tegen een vreemd, buitenlands geloof.

Het opvallende is dat de Anti-Revolutionairen en Christelijk Historici al snel gingen samenwerken met de Katholieken, en de Socialisten met de Liberalen. Het laat zien dat in Nederland populistische retoriek slechts betrekkelijk is en dat de politieke realiteit partijen inschikkelijk maakt. Ik heb wel eens gesteld dat Wilders zo vice-premier kan worden onder premier Marcouch, zoals de Anti-Revolutionaire Heemskerk minister was onder de Katholieke Ruijs de Beerenbrouck. Onder de druk van de politieke realiteit worden alle populisten realistisch.