Stelling 7: links/rechts is een culturele tegenstelling

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de zevende: over de veranderende aard van de links/rechts-tegenstelling.

Stelling 7: “Wat betreft sociaaleconomische onderwerpen heeft de links/rechts-tegenstelling aan kracht ingeboet, terwijl deze wat betreft sociaalculturele onderwerpen nog steeds dominant is.”

Een van de meest interessante benaderingen van de politiek vind ik het modelleren van het politieke landschap in ruimtelijke modellen. Dit wordt in de laatste jaren steeds minder helder: onderwerpen als de AOW, het ontslagrecht, de studiefinanciering, het aanpakken van scheefhuurders, het eigen risico in de zorg. Volgens sommige mensen wordt de PVV steeds linkser omdat ze tegen hervormingen zijn, en GroenLinks steeds rechtser omdat ze hier voor zijn.

De opkomst van niet-economische onderwerpen als migratie en milieu maakt ruimtelijke modellen ook steeds gecompliceerder. Op migratie zien we PVV en VVD tegenover GroenLinks en SP elkaar staan. De ordening is vrij duidelijk. Op sociaaleconomische onderwerpen wordt de tegenstelling steeds minder helder: bijvoorbeeld bij het verhogen van de AOW-leeftijd staan GL en VVD tegenover PVV en SP. Daarnaast zijn er onderwerpen als belasting en privatisering waarop GL en SP tegenover VVD en PVV staan. Europese integratie is een onderwerp dat vrij goed samenvalt met de tegenstelling over sociaaleconomische hervorming.

 

 

 

 

 

 

Kortom: in het sociaaleconomische terrein vervaagt de links/rechts-tegenstelling. Maar juist op sociaalculturele onderwerpen en milieu zie je het voortduren van de tegenstelling SP en GroenLinks versus VVD en PVV. Wat betreft betekent dat op de sociaalculturele tegenstelling de links/rechtstelling van sterk belang is.

Bi de laatste verkiezingen zagen we in debatten het patroon links tegen rechts, PvdA versus VVD, over eerlijk delen, bezuinigen versus investeren. Hoe verhoudt dat zich tot elkaar? Mijn betoog over een nieuwe sociaaleconomische tegenstelling en zo’n evidente links/rechts-tegenstelling  tussen VVD en PvdA? Vlak voor de verkiezing sloot een hervormingsgezinde alliantie van VVD/CDA/CU/GL/D66 het Lenteakkoord dat zich hield aan Europese begrotingsregels, hervormingen en vergroeningen inzette. Na de verkiezingen sloten de PvdA en VVD een herfstakkoord dat de groene laag van het Lenteakkoord afpoetste maar de sociaaleconomische hervormingen (met name de AOW-leeftijd) versterkte.

Tijdens de campagne werd de illusie gewekt dat het gaat om links tegen rechts over bezuinigen of investeren, na de campagne liet de PvdA en de VVD zien waar het omgaat: Europese regels en sociaaleconomische hervormingen.

De Toekomst van GroenLinks: Rood, Groen of Blauw

GroenLinks staat op een kruispunt in haar bestaan. Na de dramatische verkiezingsuitslag moet de partij gaan nadenken over haar koers, haar plaats in het politieke landschap en daarmee over haar zelfstandige bestaansrecht. Christiaan Jongeneel schetst drie toekomstscenario’s. Ik wil deze hier in hun historische en electorale context plaatsen. De drie scenario’s zijn:[1]

  • Een groene koers: GroenLinks kiest voor een koers met een groene focus.
  • Een rode koers: GroenLinks kiest voor een realistisch linkse koers.
  • Een blauwe koers: GroenLinks richt zich op het progressieve midden.

Doormodderen kan niet: het is te gemakkelijk om de schuld van de uitslag van 12 september op te hangen aan individuen. Het fundamentele probleem is dat GroenLinks geen duidelijkheid geeft over haar koers. Het ontbrak de laatste jaren aan consistentie. In de ogen van sommige kiezers is GroenLinks te veel naar links opgeschoven. In de ogen van andere kiezers is GroenLinks juist te liberaal geworden. Is GroenLinks groen, sociaal of progressief? Deze keuzes zijn van het allergrootste belang nu GroenLinks zich als kleine oppositiepartij zal moeten verhouden tot een kabinet van PvdA en VVD, terwijl er acht andere fracties oppositie voeren.

De plaats van GroenLinks in het politieke landschap 2010-2012
Het probleem van GroenLinks kan het best in beeld worden gebracht als we kijken naar de politieke samenwerkingsverbanden die zijn aangegaan in de laatste twee jaar.

  • In juni 2010 onderhandelde GroenLinks mee over een Paars+ kabinet van PvdA, VVD, D66 en GroenLinks.
  • Halsema pleitte in november 2010 vlak voor haar vertrek voor een intensieve samenwerking tussen GroenLinks, D66 en het progressieve deel van de PvdA.
  • De eerste grote beslissing van partijleider Sap, in januari 2011, was om deel te nemen aan de Kunduz-missie. Deze werd mede gesteund door D66, ChristenUnie, CDA en VVD en niet door de PvdA.
  • Voor de provinciale statenverkiezingen sloot GroenLinks tien lijstverbindingen met de PvdA, twee met de PvdD en twee D66. Ze sloot echter maar één provinciaal coalitieakkoord met de PvdA (in het Groningse Paars+ college) en één zonder de PvdA (in het Utrechtse CDA/VVD/D66/GL-college.
  • In 2011 sloot GroenLinks een lijstverbinding met de PvdD voor de Eerste Kamerverkiezingen.
  • Een jaar later opende GroenLinks het nieuwe jaar samen met PvdA en SP. Die partijen pleitten samen voor een ander Nederland en een gezamelijke strategie tegen de crisis.
  • Maar toen het kabinet van CDA en VVD in mei 2012 op zoek ging naar een nieuwe meerderheid voor haar begroting, werkte GroenLinks zonder de PvdA en de SP maar opnieuw samen met ChristenUnie en D66 mee aan het Lenteakkoord.
  • Voor de verkiezingen van 2012 sloot GroenLinks een lijstverbinding met SP en PvdA.
  • Tijdens het eerste lijsttrekkersdebat pleitte GroenLinks voor een kabinet-Roemer van SP, PvdA, GroenLinks en D66.
  • Een week voor de verkiezingen verlegde GroenLinks haar koers en pleitte zij voor een Paars+ kabinet. Hiermee zijn we full circle.

Vaart GroenLinks een soevereine koers, onafhankelijk van de bestaande partijen, of wordt zij geleid door verschillende zielen in haar borst?

Het politieke landschap
Om de positie van GroenLinks te begrijpen kunnen we de politieke ruimte indelen aan de hand van  twee dimensies. Deze betreffen de kern van het GroenLinks-programma: wat houdt links in en wat houdt groen in?

Op de sociaal-economische dimensie maken we een onderscheid tussen behoudend en hervormingsgezind links. Deze dimensie betreft een aantal onderwerpen: hervormingen op de arbeidsmarkt, het onderwijs, de huizenmarkt en zorg. Het gaat concreet over de eigen bijdragen in de zorg, de AOW-leeftijd, het sociaal leenstelsel het ontslagrecht, de WW en scheefwonen. Deze onderwerpen volgen niet langerde klassieke links/rechtsverdeling. Populistische partijen als PVV en SP staan hier tegenover hervormingsgezinde liberale partijen als D66 en VVD. Deze tegenstelling speelt ook op thema’s van buitenlandpolitiek (Europa, Afghanistan). De tweede tegenstelling is die tussen dark green en bright green partijen. Zij betreft de oplossingen die partijen kiezen (moeten we de techniek aanpassen of onze levensstijl?), waar partijen waarde aan hechten (mensen of dieren?) en het belang dat ze hechten aan economische groei.

In deze ruimte kunnen we de vier partijen die het dichtst bij GroenLinks staan plaatsen: de SP, de PvdA en D66 zijn duidelijk lichtgroene partijen. Ze vinden het milieu best belangrijk zolang het maar niet ten koste gaat van mensenbelangen, onze levensstijl en economische groei.[2]Alleen de Partij voor de Dieren heeft een heldere dark green anti-groei en anti-antropocentrische agenda De SP, PvdA en D66 verschillen wél sterk op sociaaleconomische onderwerpen: de SP is helder anti-hervorming en D66 helder pro-hervorming. De PvdA neemt een middenpositie in (tegen hervormingen in de zorg, maar wel voor het leenstelsel). De PvdD neemt net als de PvdA een middenpositie in. De centrale vraag is: waar moet GroenLinks zich plaatsen op deze twee dimensies?

De PvdA als ijkpunt
GroenLinks is ontstaan als een fusie van verschillende partijen die zich links van de PvdA plaatsten. Twee van de oprichtende partijen zijn ontstaan omdat de grote sociaaldemocratische partij te veel naar rechts neigden: de CPN en de PSP.[3] De PPR is ontstaan als een progressief-Christelijke bondgenoot van de PvdA.[4] In 1989 gingen deze drie partijen samen.[5] Wat zij deelden was dat ze hun eigen positie definineerden in relatie tot de PvdA. GroenLinks wilde de PvdA in de formatie en PvdA-kiezers in de verkiezingen een links alternatief bieden.

Links of hervormingsgezind?
De oprichters van GroenLinks plaatsten zich allemaal in economische zin links van de PvdA. Het debat over economische onderwerpen is in Nederland sinds het eerste kabinet-Van Agt eigenlijk altijd gevoerd in termen van bezuinigen op versus behoud van de verzorgingsstaat. De vrije markt en de individuele verantwoordelijkheid staan tegenover collectieve verantwoordelijkheid en het streven naar inkomensgelijkheid. De PvdA heeft altijd verantwoordelijkheid genomen voor bezuinigingen waar GroenLinks zich tegen verzette. In het Paarse kabinet liet de PvdA zich van haar economisch meest rechtse kant zien: marktwerking en werk stonden voorop. GroenLinks, onder Paul Rosenmöller, werd het gezicht van het verzet hiertegen. De partij beschermde de rechten van uitkeringsgerechtigden. De leus ‘werk, werk, werk’ bood in de ogen van GroenLinks geen afdoende antwoord op uitsluiting en armoede.

Tijdens het tweede kabinet-Balkenende verschoof de positie van GroenLinks. Femke Halsema voelde zich gevangen in de tegenstelling tussen bezuinigend rechts en behoudend links. Met Vrijheid Eerlijk Delen probeerde ze daar een alternatief voor te formuleren: hervormingsgezind links. De kern van Vrijheid Eerlijk Delen was dat mensen niet langer afhankelijk moesten zijn van een uitkering, maar van werk naar werk begeleid moesten worden. Werk is de sleutel voor emancipatie uit armoede. Daarom steunde GroenLinks de versoepeling van het ontslagrecht en de verkorting van de WW. Deze maatregelen zouden misschien leiden tot minder inkomens- c.q. baanzekerheid, maar GroenLinks zou werkzekerheid bieden. GroenLinks wilde de kansen van mensen met weinig rechten op de arbeidsmarkt (zoals flexwerkers, ZZP’ers, starters en deeltijdwerkers) verdedigen tegenover de ‘insiders’. Ze koos hiermee het conflict met de vakbonden, met de PvdA en de SP, die de verworven rechten van insiders verdedigden. GroenLinks omarmde in deze periode ook het sociaal leenstelsel in het hoger onderwijs, de verhoging van de AOW-leeftijd en een grotere eigen verantwoordelijkheid in de zorg. Je kunt ook stellen dat aan de bezuinigingen die de VVD en het CDA voorstelden een sociale draai werd gegeven. Hiermee activeerde Halsema een nieuwe tegenstelling in de Nederlandse politiek die dwars door de links/rechts-tegenstelling liep: die tussen hervormingsgezind en behoudend. GroenLinks moest een hervormingsgezinde linkse partij zijn. D66 was in deze koers een bondgenoot: ook zij was hervormingsgezind maar op een centrumrechtse positie. De PvdA en de SP waren in deze visie behoudend links. Op sociaal-economische onderwerpen had GroenLinks daarmee een onderscheidende positie.[6],[7]

Het sluiten van het Lenteakkoord in april past in deze ontwikkeling. Na de val van de coalitie van CDA, VVD en PVV met haar ongekend rechtse economische programma, dat radicaal bezuinigde op de zorg, de sociale zekerheid, de cultuur en de natuur, sloot GroenLinks samen met CDA, VVD, D66 en ChristenUnie een begrotingsakkoord zonder de PvdA. GroenLinks had nog nooit eerder zo dicht bij de politieke macht gezeten en deed dat zonder de PvdA. Wat de partijen bond was niet hun positie op de links/rechts-dimensie maar hun hervormingsgezindheid. Midden in de crisis waren de voorstellen van GroenLinks over sociaal-economische onderwerpen relevanter dan ooit: het programma leverde op de lange en de korte termijn bezuinigen op en waren goed voor de werkgelegenheid. Het Lenteakkoord hield zich aan de 3%-regel van de Europese commissie, zette een aantal hervormingen in op de arbeidsmarkt en vijlde de scherpe randen af van een grote set bezuinigingen die CDA en VVD al hadden afgesproken met de PVV.

Het Lenteakkoord was een opmerkelijke stapGroenLinks onderschreef een ingrijpend bezuinigingspakket zonder de PvdA. Eerder had de PvdA altijd compromissen gesloten met CDA en VVD over bezuinigingen en hadden GroenLinks of haar voorgangers vanaf de zijlijn kritiek geleverd. Nu stond GroenLinks in het veld, en stelde ze liever vuile dan lege handen te hebben. De PvdA had een vergelijkbaar akkoord kunnen sluiten en GroenLinks had evengoed aan de zijlijn kunnen staan. Maar GroenLinks koos voor het akkoord omdat de partij daarmee een deel van haar hervormingsgezinde linkse agenda kon realiseren, én kon laten zien aan de kiezer dat GroenLinks het verschil kon maken.

GroenLinks, de PvdA en D66
GroenLinks en haar voorgangers hebben hun bestaansrecht altijd ontleend aan hun verhouding tot de PvdA. In sociaaleconomisch opzicht stond GroenLinks links van de PvdA: zo konden ze als concurrent de PvdA naar links trekken en een linkse coalitiepartner bieden. Die positie is overgenomen door de SP, een anti-hervormingsgezinde partij.[8] We kunnen het Lenteakkoord op twee manieren begrijpen: politiek-inhoudelijk en politiek-strategisch.

Als GroenLinks deze koers inhoudelijk onderschrijft, dan geeft de partij prioriteit aan haar sociaaleconomisch hervormingsgezinde positie boven haar linkse positie. Zij kiest dan een progressieve, blauwe koers die focust op sociaal-economische hervormingen op de arbeidsmarkt en de woningmarkt, in de zorg en in het onderwijs. Hierachter zit een visie die individuele ontplooiing boven collectieve arrangementen plaatst. Die voorkeur sluit aan bij een vrijzinnige, individualistische culturele agenda die de rechtstaat en de rechten van moslims en asielzoekers verdedigt zonder de rechten van vrouwen en homo’s uit het oog te verliezen. Hierbij wordt ook de Europese samenwerking omarmd: we kiezen niet voor de zekerheden van de Nederlandse verzorgingsstaat maar voor de kansen van een flexibele Europese samenwerking. De belangrijkste bondgenoot voor GroenLinks bij deze koers is D66. In het Lenteakkoord, met haar mix van hervormingen, bezuinigen en vergroeningen, konden beide partijen zich vinden. D66 durfde tijdens de verkiezingscampagne van 2012 eerlijk te vertellen welke hervormingen nodig zijn op de arbeidsmarkt en in de zorg. In een land dat in economisch en cultureel opzicht conservatief is, helt deze formatie in progressieve richting en vaart dus tegen de stroom in. Nu wordt er nu een paars kabinet gevormd van PvdA en VVD. Hoe verhoudt een blauwe koers tegenover een paars kabinet? Een blauwe oppositiekoers stelt dat het PvdA/VVD kabinet te veel negatief uitruilt, te weinig hervormt en daarmee te veel dingen houdt zoals ze zijn. We volgen hiermee de lijn van Halsema.

Je kunt het Lenteakkoord ook anders interpreteren. De PvdA ondertekende tijdens de formatie van 2012 een Herfstakkoord dat grotendeels overeenkkwam met het Lenteakkoord. De keuze van de PvdA om in de lente van 2012 aan de kant te staan met lege maar schone handen was met name politiek-strategisch. Ook de PvdA is centrumlinks en gematigd hervormingsgezind. Zij koos nu tegen deze voorstellen omdat ze de hete adem van de SP in de nek voelde. GroenLinks wilde aan potentiële kiezers en coalitiepartners laten zien dat zij op lastige onderwerpen verantwoordelijkheid kon nemen. Nu de PvdA in de formatie met de VVD het Lenteakkoord-met-amendementen omarmt en juist een hervormingsgezind linkse positie inneemt, kan GroenLinks ook kiezen voor een rode koers. Deze koers volgt de succesvolle oppositiestrategie van Rosenmöller tijdens het eerste paarse kabinet.. Leg nadruk op het klassiek sociaaleconomisch linkse profiel van GroenLinks. Laat de PvdA maar de lasten dragen voor de hervormingen van het ontslagrecht, de WW en de zorg. Richt je tijdens het PvdA/VVD-kabinet op die onderwerpen die de PvdA in een formatie met de VVD zal moeten slikken, met name waar het gaat om eerlijk delen.

Dit is een duidelijke keuze voor GroenLinks: blauw of rood? Is het nu tijd om definitief te breken met de sociaaldemocratie als kompas waar GroenLinks haar koers vanaf laat hangen? Of biedt het huidige kabinet juist een kans om de plaats van de sociaaldemocraten op te eisen?

Groen
GroenLinks is niet alleen opgericht als een samenwerkingsverband links van de PvdA. Hieraan was ook een groene agenda gekoppeld. Maar groen is niet een eenduidige politieke stroming maar omvat een verschillende richtingen.

Bright green of dark green
Van de oprichters van GroenLinks hadden met name de PPR en de PSP een groen profiel. Ze zijn niet opgericht als groene partijen, maar hun verzet tegen kernenergie en kernbewapening plaatsten hen wel in het groene kamp. Met name de PPR wilde niet dat de nieuwe formatie alleen een links karakter kreeg, maar streefde naar een vernieuwende groene dimensie. Zo zou GroenLinks aansluiten bij de Europese groene familie. Is GroenLinks in deze opzet geslaagd?

In de groene politiek zijn er grofweg twee stromingen: dark green en bright green. Dark green politiek heeft vier kenmerken: zij constateert een door de mens veroorzaakte ecologische crisis; die is niet alleen een probleem omdat de crisis het voortbestaan van de mensheid in gevaar brengt, maar ook dat van dieren, de natuur en de aarde zelf; de oplossing voor onze problemen is een verandering van onze moraal; en economische groei moet worden afgezworen. Bright green politiek onderschrijft alleen de eerste positie: er is sprake van een ecologische crisis, maar de oplossing hiervoor is te vinden in economische groei die voortkomt uit groene innovatie.

  • GroenLinks en haar voorgangers hebben sinds het midden van de jaren ‘60 gerept van een ecologische crisis. De aard van de crisis veranderde met het milieu: de eindigheid van grondstoffen (jaren ’70), de gevaren van kernenergie (jaren ’80), het gat in de ozonlaag (eind jaren ’80) en nu steeds meer klimaatverandering (sinds de jaren ’90).
  • In de ogen van GroenLinks zijn dit verdelingsvraagstukken: een eerlijke verdeling van grondstoffen binnen de huidige generatie en tussen huidige en toekomstige generaties. Groene politiek is eerder een voortzetting van sociale politiek dan een eigenstandige stroming.
  • GroenLinks heeft altijd één oplossing gehad: de verschuiving van de belasting van arbeid naar vervuiling. GroenLinks gelooft in het stimuleren van de markt om groene innovaties te ontwikkelen. Soms moet de overheid zelf vervuilende producten en processen verbieden of juist groene initiatieven ondersteunen. Dit leidt tot groene werkgelegenheid.
  • Dit heeft ook implicaties voor de houding tegenover groei: een groene belastingverschuiving zal in elk geval op korte termijnleiden tot nieuwe banen en groene groei.

Het profiel van GroenLinks is nooit donkergroen maar altijd bright green geweest: een enigszins technocratische benadering die de nadruk legt op slimme en innovatieve oplossingen. De intrinsieke waarde van niet-menselijk leven, een nieuwe moraal en het afzweren van economische groei zijn in de partij nooit mainstream geweest .

In electoraal opzicht is de groene koers succesvol: in de ogen van de kiezers is GroenLinks inderdaad dé groene partij . Een zeer groot deel van de kiezers denkt dat GroenLinks de beste oplossingen heeft voor natuurbescherming en klimaat. En voor een groot deel van de GroenLinks-kiezers is milieu het doorslaggevende onderwerp.

Dit is de kern van een groene koers. Wil GroenLinks haar groene karakter uitbuiten dan moet zij hier sterker de nadruk op leggen. Ecologie moet in politieke zin de kernwaarde zijn die alle onderwerpen verbindt: GroenLinks biedt groene oplossingen, niet alleen voor natuur, klimaat en dierenwelzijn maar ook voor gezondheid (gezond leven) en werk (groene banen). Groen is geen technocratisch verhaal van innovatie, maar een verhaal dat mensen direct in hun leefomgeving raakt. Geduld is gepast: onze tijd komt. We werken aan een consistent groen verhaal, zelfs als het niet het belangrijkste onderwerp voor de kiezer is.

De Partij voor de Dieren
Er zitten twee groene partijen in de Tweede Kamer: GroenLinks en de Partij voor de Dieren. In hoeverre zijn zij concurrenten?

In programmatisch opzicht heeft de Partij voor de Dieren een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. In de eerste zes jaar legde de partij in haar programma, haar parlementaire activiteiten (speeches en moties) en haar buitenparlementaire activiteiten (zoals de films Meat the Truth en Sea the Truth) een grote nadruk op dieren. Het programma van 2012 sprak echter eerst over duurzame energie, gezond voedsel en natuur en pas daarna over dierenwelzijn. De beprijzing van vervuiling is nu een kernpunt geworden. Het programma komt zo steeds dichterbij het GroenLinks-programma.

Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. De Partij voor de Dieren krijgt niet zozeer groene stemmen, maar krijgt met name stemmen van mensen die geen vertrouwen hebben in andere partijen. Het is geen groene partij, eerder een anti-partijenpartij.[9] De electorale uitwisseling tussen GroenLinks en de Partij voor de Dieren is beperkt.

Er bestaat bij de Partij voor de Dieren een grote discrepantie tussen haar programma en haar electorale aantrekkingskracht. In programmatisch opzicht is de Partij voor de Dieren een concurrent van GroenLinks, maar in electoraal opzicht is dat niet het geval.

GroenLinks moet kiezen
De laatste twee jaar heeft GroenLinks een weinig consistente koers gevaren. Kiezers vinden het lastig om die koers te benoemen: is GroenLinks in de laatste jaren te veel naar links geschoven? Of juist te liberaal geworden? Is GroenLinks onvoldoende groen? Of juist te groen? Dat betekent dat GroenLinks staat voor fundamentele keuzes: legt ze de nadruk op duurzaamheid, kansengelijkheid of vrijzinnigheid? Kiest ze voor een oude linkse of een progressieve middenkoers? Gaat ze voor eerlijk delen of hervormen? Gaat GroenLinks voor een diepgroene of een felgroene positionering? Werkt ze samen met de Partij voor de Dieren, D66 of de PvdA? Hier is geprobeerd de veelheid en complexiteit aan keuzes over de koers te ordenen volgens de kleuren groen, rood en blauw.

Een blauw programma
Een kansrijke toekomst. Dat is wat wij willen. De huidige verzorgingsstaat past niet meer bij hoe mensen nu leven en werken, denk aan de obstakels voor ZZP’ers. Deze crisis is een kans om ons land klaar te maken voor de toekomst. Als we onze sociale zekerheden nu hervormen zodat ze toekomstbestendig zijn, dan slaan we twee vliegen in één klap: we werken aan een economie die nu sterk is en straks stand houdt.Wij kiezen voor vijf hervormingen

  • Investeren in onderwijs: want dat betekent eerlijke kansen voor iedere kind;
  • Een flexibele arbeidsmarkt: meer kansen voor ZZP’ers en flexwerkers;
  • Beweging in de huizenmarkt: meer kansen voor starters;
  • Grip op de zorgkosten: dat betekent meer eigen bijdrage, naar draagkracht;
  • En bovendien: digitale grondrechten in de grondwet.
Een rood programma
Een socialer Nederland. Dat is wat wij willen. We moeten nu kiezen hoe we Nederland uit de crisis leiden. Kiezen we voor een Nederland waar iedereen maar zijn eigen problemen moet oplossen? Of hebben we een warm hart voor mensen die het niet breed hebben en juist het hardste geraakt worden door de crisis? Wij leggen de rekening van de crisis bij de banken, die door hun inhalige gedrag talloze mensen in de problemen gebracht hebben. We zorgen ervoor dat mensen met een uitkering kunnen rondkomen en dat mensen die nu aan de kant staan werk kunnen vinden.Dit betekent:

  • De banken aan banden leggen;
  • De zorg voor iedereen betaalbaar houden;
  • Een 60%-tarief voor veelverdieners;
  • De beste docenten voor de klas;
  • En bovendien: geen versoepeling van het ontslagrecht.
Een groen programma
Een schoon land. Dat is wat wij willen. GroenLinks werkt aan een economie die draait op wind en groeit op zon. De groene innovaties van vandaag zijn de duurzame banen van morgen. Een groen land is bovendien een gezond land, waarin onze kinderen zorgeloos kunnen opgroeien. GroenLinks kiest voor duurzaam en diervriendelijk voedsel en voor ruimte voor de natuur. GroenLinks kiest voor een samenleving die in balans is met ons milieu, ons klimaat en onze natuur. Want economie en ecologie gaan hand in hand. Een schoon land is gewoon een kwestie van gezond verstand:

  • 50% schone energie in 2030;
  • Een einde aan 10 miljard subsidies voor vervuilers en de bio-industrie;
  • Gezond leven wordt makkelijker: biologisch eten wordt goedkoper;
  • Vrije uitloop voor dieren: geen megastallen;
  • En bovendien: Nederland kernenergievrij.

[1] Ook de PPR stond begin jaren ’80 op een cruciaal punt in haar geschiedenis. De keuzes die zij toen voor stond werden ook in termen van kleuren gezien (Waltmans, 1983:196).

[2]Denk maar aan het verzet van de PvdA en SP tegen de belasting op de reiskostenvergoeding en de belasting op vlees, van de SP tegen rekeningrijden, van D66 tegen kernenergie en megastallen.

[3] De CPN ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie zich te veel richtte op sociale hervormingen, zoals de achturige werkdag, en niet principieel vasthield aan een principieel socialistische koers. De PSP ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie steun verleende aan het Amerikaanse buitenlandbeleid tijdens de Koude Oorlog, alhoewel al veel oprichters van de PSP de PvdA hadden verloren na de politionele acties in Nederlands-Indië.

[4] Ze kwam voort uit de Katholieke KVP. Zij hoopten dat een progressief akkoord van PvdA, D66 en Christen-radicalen een linkse meerderheid zou kunnen halen. Een linkse minderheid zou midden jaren ’70 het kabinet-Den Uyl afdwingen, waarin de PPR ook ministers zou leveren.

[5] Ook de EVP ging in deze formatie op. Haar positie lijkt enigszins op die van de PPR.

[6] De steun voor de Kunduzmissie lijkt op de steun voor het Lenteakkoord. De oprichters van GroenLinks waren allemaal verbonden met de vredesbeweging. Na de Koude Oorlog zocht GroenLinks een nieuwe buitenlandkoers. Dit uitte zich in een permanente balans tussen verzet tegen het Amerikaanse buitenlandbeleid en het streven naar een internationale rechtsorde. De meerderheid van GroenLinks steunde -zeker na de genocide in voormalig Joegoslavië- het gebruik van militair geweld om mensenrechten te beschermen. GroenLinks steunde militaire operaties in Kosovo (1999) en Afghanistan (2001) en verzette zich tegen de invasie van Irak in 1991 en 2003. De steun voor de politietrainingsmissie was een logische stap: GroenLinks steunde de inval in Afghanistan in reactie op de aanslag van 11 september. Daarna was GroenLinks niet altijd even koersvast. De balans tussen de meer pacifistische achterban en de meer interventionistische partijtop was precair. Voor de interventionisten was duidelijk dat Nederland (en GroenLinks) vanwege haar steun aan deze invasie een verplichting had om de opbouw van de Afghaanse rechtstaat te steunen. Voor de pacifistische achterban kon de missie niet los gezien kan worden van de Amerikaanse Afghanistanpolitiek. De PvdA die het kabinet in 2010 had laten vallen over een militaire missie naar Uruzgan, Afghanistan stond negatief tegenover de missie. Het kabinet vond steun bij de ChristenUnie, D66 en GroenLinks. Binnen GroenLinks waren de partijtop, de achterban en het electoraat verdeeld.

[7] De verschuiving van links naar hervormingsgezind links viel samen met een beweging van Euroskeptisch naar pro-Europees. Eind jaren ‘90 wees GroenLinks het Verdrag van Amsterdam af. In 2005 was zij een van de vocaalste verdedigers van de Europese grondwet. Deze twee bewegingen lopen parallel: GroenLinks omarmde een wereldbeeld van flexibiliteit en globalisering. Tegelijkertijd schoof de PvdA in een Euroskeptische en in sociaaleconomische zin meer ‘behoudende’ richting met name onder druk van de opkomst van de SP.

[8] In 2012 leek de SP de functie van PvdA als natuurlijke linkse regeringspartij over te nemen.

[9] Dit is overigens dezelfde aantrekkingskracht die de Duitse Groenen door hun hele geschiedenis hebben gehad. De Groenen zijn opgericht als anti-partijenpartij. En hun recente renaissance is gebaseerd op hun profiel als betrouwbare, integere partij in een landschap van onbetrouwbare partijen.

Stelling 6: maak parlementaire stemmingen publiek

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de zesde: een open brief van Anouchka van Miltenburg.

Stelling 6: “Voor de vooruitgang van de wetenschap en voor de betrokkenheid van burgers bij politiek, zou de Staten-Generaal er goed aan doen uitslagen van parlementaire stemmingen publiek te maken.”

Geachte Mevrouw de Voorzitter, Beste Mevrouw van Miltenburg,

Eerst wil ik deze kans grijpen om u te feliciteren met uw uitverkiezing tot voorzitter van de Tweede Kamer. Ik was bijzonder blij dat juist u de voorzittershamer heeft gekregen omdat u pleitte voor het invoeren van elektronisch stemmen door Tweede Kamerleden. Ik ben hier een groot voorstander van. Niet alleen omdat hiermee het proces van hoofdelijk stemmen efficiënter wordt, maar juist ook omdat dit een belangrijke stap mogelijk maakt voor het betrekken van burgers bij de politiek en voor de vooruitgang voor de wetenschap der politiek: het direct beschikbaar maken van stemmingsuitslagen.

Het is nu voor kiezers die niet de handelingen van de Tweede Kamer niet spellen niet mogelijk om te zien hoe hun volksvertegenwoordigers hebben gestemd. Als het met een druk op de knop mogelijk is voor volksvertegenwoordigers om te stemmen, is het ook voor burgers met een druk op de knop mogelijk om te zien hoe hun vertegenwoordigers gestemd hebben. Je hoort dat Kamerleden vaak mee wegen in hun stemming hoe het onderwerp ligt in het electoraat. Maar hoe Kamerleden stemmen is een van het best bewaarde geheim binnen de muren van de Kamer.

Maar het zou ook bijzonder helpen om de Tweede Kamer te leren begrijpen. We weten namelijk vrij veel over wat Tweede Kamerleden vinden via bijvoorbeeld het Nederlands Parlementair Onderzoek, maar vrij weinig over wat Kamerleden doen: met welke collega’s werken Tweede Kamerleden samen? Maakt een minderheidskabinet uit  voor hoe Kamerleden stemmen in de Tweede Kamer? Volgen stemmingen eigenlijk de patronen in parlementaire debatten? Hoe sterk in de tegenstelling tussen oppositie en coalitie? En wat bepaalt het succes van Kamerleden? Daar weten we eigenlijk heel weinig over? Het beschikbaar stellen van data wat als u uw voorstellen mag uitvoeren, zal zeker een impuls krijgen, zal een impuls geven aan politicologisch onderzoek.

Veel succes met uw Kamerwerk,

Met de gevoelens van hoogachting,

Simon Otjes

Stelling 5: Coalitiepartijen zijn nee-zeggers

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de vijfde: over de tegenstelling tussen coalitie en oppositie.

Stelling 5: “De tegenstelling tussen regering en oppositie in het Nederlands parlementair stemgedrag wordt veroorzaakt door het feit dat de regeringspartijen tegen de voorstellen van de oppositie stemmen, en niet andersom.”

Een van de dingen die ik heb onderzocht zijn parlementaire stemmingen. Ik heb deze gebruikt om te kijken of de ideologische tegenstellingen in de Tweede Kamer kunnen veranderen. Waar ik al snel achter kwam is dat er behalve ideologische tegenstellingen in de Tweede Kamer, ook een sterke tegenstelling in de Tweede Kamer is tussen coalitie en oppositie. De substantiële vraag is wie veroorzaakt deze tegenstelling. De literatuur wijst naar zowel de coalitie en de oppositie. De oppositie stemt tegen de voorstellen van de coalitie, en de coalitie stemt voor de voorstellen van de coalitie. De oppositie zegt overal nee tegen.

Dit patroon is echter niet zichtbaar in de stemmingen in de Tweede Kamer. We zien dat Tweede Kamerleden van de oppositie niet vaker tegen de voorstellen van de coalitie stemmen dan tegen voorstellen van andere oppositiepartijen. In ongeveer 70% van de moties van de coalitie stemmen oppositiepartijen voor. Bij de coalitie zie we het tegenovergestelde: zij stemmen tegen een groot deel van de voorstellen van de oppositie (zo’n 75%).  De tegenstelling die we zien in parlementair stemgedrag zien we dus niet in het stemgedrag van de oppositie maar slechts in het stemgedrag van de coalitie.

Waarom? De coalitie is gebonden aan het regeerakkoord, aan de wensen van haar coalitiepartners, en aan financiële deugdelijkheid. Een lid van de oppositie kan alles voorstellen wat hij goed vindt, zonder te kijken naar wat er afgesproken is in het regeerakkoord, wat acceptabel is voor de coalitie en wat betaalbaar is.

Sterker nog: als zij voorstellen doen, dan hebben leden van de oppositie er belang bij om voorstellen te doen die lastig liggen bij de coalitiepartners, het regeerakkoord en de rekenmeesters. Kleine linkse partijen kunnen zo bijvoorbeeld de PvdA kleur laten bekennen.

In de kern wordt de tegenstelling tussen coalitie en oppositie gevoed door het stemgedrag van de coalitie. Veel meer dan de oppositie zijn zij namelijk nee-zeggers.

 

Stelling 4: kleine partijen kunnen een groot effect hebben

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de vierde: een open brief aan Marianne Thieme.

Stelling 4: “De Partij voor de Dieren is een krachtige ondersteuning van de stelling die vaak toegeschreven wordt aan Margaret Mead: “Never doubt that a small group of thoughtful, committed people can change the world.””

Beste Marianne Thieme,

Voor uw partij, de Partij voor de Dieren, heb Ik een bijzonder grote bewondering, zowel als politicoloog als als partijgebonden kiezersonderzoeker. Toen uw partij zes jaar geleden in de Tweede Kamer kwam deed u dat op een verkiezingsprogramma dat sterk verschilde van de bestaande verkiezingsprogramma’s door haar exceptionele focus op landbouw en dierenwelzijn. In uw Kamerwerk toonde u en uw collega’s ook een bijzondere focus op landbouw. U eindigt iedere bijdrage met de woorden “tevens ben ik van mening dat de bio-industrie afgeschaft moet worden.” Door de grote aandacht die u besteedt aan landbouw heeft u dit onderwerp op de agenda gezet. De Partij voor de Dieren is, zeker gezien haar beperkte grootte, de meest succesvolle nieuwe partij in de Nederlandse geschiedenis.
In mijn proefschrift heb ik onderzocht waarom de PvdD zo succesvol is. Het mechanisme dat ik daarachter heb gevonden, is dat partijen controle willen houden over de definitie van het conflict over landbouw. Als de PvdD moties gaat indienen over landbouw dan moeten andere partijen wel volgen omdat ze anders alleen maar tegen moties van de PvdD kunnen stemmen. Zo kan zelfs een kleine partij de agenda beïnvloeden. Daarmee is de PvdD een krachtige ondersteuning van de stelling die vaak wordt toegeschreven aan Margaret Mead: een kleine groep van bedachtzame en toegewijde mensen kan de wereld veranderen.

Als partijgebonden kiezersonderzoeker heb ik grote bewondering voor uw partij. Zelfs als we tijdens de verkiezingstijd regelmatig speldenprikjes aan elkaar hebben uitgedeeld: u citeerde een twitterdebat met mij tijdens een discussie over het Lenteakkoord; uw partij publiceerde een lange lijst met tendentieuze uitspraken over de mijne; dus vervolgens heb ik on-line ieder van de uitspraken weerlegd. Politieke partijen kunnen het beste herkend worden door kiezers als ze sterk focussen op een bepaald thema: D66 focust op onderwijs, de PVV op migratie en de PvdD, dus, op dierenwelzijn. Zo zijn partijen herkenbaar voor kiezers. Veel partijen vinden het lastig om focus te kiezen. Eén van de verklaringen voor het slechte resultaat van de PvdA in 2006 is dat ze zich niet op een centraal thema konden richten: onderwijs, zorg, eerlijk delen of veiligheid.

Daarom verbaast het laatste programma van de PvdD mij wel: dat programma focust niet dierenwelzijn maar besteedt veel aandacht aan gezond voedsel, schone energie en mooie natuur. Hiermee komt de PvdD met een groen en sociaal programma dicht bij de PvdA, D66, GroenLinks, de CU en de SP. De Partij voor de Dieren heeft haar radicale, niet-antropocentrische programma naar de achtergrond geschoven. De verhouding tussen dieren en mensen is in dit programma stevig verschoven richting mensen. Het programma stelt “mensenrechten zijn erom te worden nagestreefd” maar heeft het niet over dierenrechten. Het is een teken aan de wand van een veranderende focus. Het radicale dierenrechtenprogramma, is ingeruild voor een breed groen en sociaal programma met oog voor mens, milieu en dier.

Uw partij lijkt haar unieke karakter op te geven. En dat vind ik een groot gemis voor de Nederlandse politiek.

Vriendelijke groet,

Simon Otjes

Stelling 3: nieuwe partijen versterken de links/rechts-tegenstelling

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de derde: over de aard van de links/rechts-tegenstelling.

Stelling 3: “De deelname van nieuwe partijen aan het parlementaire spel versterkt eerder de links/rechts-tegenstelling dan dat dit nieuwe tegenstellingen creëert”

De felste discussie met mijn promotoren betrof deze stelling. Mijn co-promotor heeft namelijk het tegenovergestelde gevonden voor de electorale arena. Sommige nieuwe partijen introduceren volgens hem nieuwe tegenstellingen. Ik vond dit patroon in mijn eigen onderzoek in het parlement niet. Nieuwe partijen versterken eerder bestaande tegenstellingen.

Hiervoor zijn twee oorzaken: de onderwerpen die nieuwe benadrukken zijn bijvoorbeeld migratie (CD, LPF, PVV), landbouw (PvdD), defensie (EVP) en arbeidsmarkt (SP).  Het conflict op deze onderwerpen volgt de links/rechts-tegenstellingen. De PvdD vindt haar bondgenoten volgens haar eigen zeggen aan de linkerkant van de Kamer; de PVV vond in 2006 de Generaal Pardon meerderheid tegenover zich. Als je meer aandacht besteedt aan deze onderwerpen wordt de links./rechts-tegenstelling over het algemeen sterker. Ten tweede, worden veel nieuwe partijen opgenomen in linkse en rechtse bondgenootschappen: de LPF in het rechtse kabinet-Balkenende, D66 en PPR in het linkse Progressief Akkoord, DS’70 in het rechtse kabinet-De Jong. De tegenstelling over democratisering stond haaks op de links/rechts-tegenstelling voor 1967 (PvdA/VVD tegen ARP/CHU/KVP). In de jaren ’70 volgde stemmingen over democratisering het algemene patroon (PvdA-KVP-ARP-CHU-VVD). Dit komt mede omdat D66 was toegetreden tot het Progressief Akkoord en zo democratisering onderdeel was geworden van de links/rechts-tegenstelling.

Wat uiteindelijk de felle discussie met mijn co-promotor onderlag, was een verschil in inzicht in wat de links/rechts-tegenstelling inhoudt. Mijn co-promotor ziet de links/rechts-tegenstelling als een sociaaleconomische tegenstellingen. Andere onderwerpen modelleert hij als haaks op de die tegenstelling. Voor mij heeft de links/rechts-tegenstelling geen intrinsieke betekenis, maar het gaat om de volgorde van partijen: als we zien dat op veel onderwerpen PVV en VVD aan een zijde staan en SP en GroenLinks aan de andere zijde, dan vormen deze onderwerpen samen de links/rechts-tegenstelling. Mijn onderzoek naar parlementair stemgedrag laat zien dat deze tegenstelling zo sterk is dat zij allerlei onderwerpen als migratie, landbouw en defensie, in zich kan integreren, zelfs als deze geen ‘intrinsiek ‘ onderdeel zijn van de sociaaleconomische links/rechts-tegenstelling; en de links/rechts-tegenstelling is zo sterk dat ze ook juist onderwerpen  die nieuwe partijen op de agenda zetten, in zich kan integreren.

Peter Mair stelde dat het politieke conflict niet zo zeer ging tussen de bestaande partijen op de bestaande conflictslijnen, maar tussen nieuwe en bestaande partijen over de definitie van het politieke conflict. De bestaande linkse en rechtse bestaande partijen hebben baat bij de links/rechts-tegenstelling. Een nieuwe groene partij wil misschien juist een conflict zoeken tussen groene en grijze partijen. Ik denk dat hij daarin gelijk had, maar dat de bestaande partijen en de bestaande links/rechts-tegenstelling zeer sterk zijn gebleken.

Oktober opdracht 2012

Net als vorig jaar had ik een Oktober opdracht. Het samenstellen van een aantal CDs voor mijn vader. Nu is het goed om aan te tekenen dat mijn vader een zwak heeft voor country muziek, dus heb ik hem Sigh no more van Britse blue grass kwartet Mumford & Sons gegeven en de CD van Barnyard Tea, een blue grass trio uit de Hollandse klei. Ik heb nog twee CDs zelf samengesteld: een CD van recente combinaties van klassieke en moderne invloeden, en een lofzang op het onconventionele leven.

Classical Progress

# Naam Artiest Album Jaar
1 7/8 The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
2 Goat Rodeo Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011
3 Mushroom Clould The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
4 Isolated System Muse The Second Law 2012
5 Attaboy Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011
6 The Ballad The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
7 Game of Thrones Jason Yang – 2011
8 Hill Justice Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011
9 While I Was Away The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
10 Less is Moi Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011
11 Survival Muse The Second Law 2012
12 The Void The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
13 Quarter Chicken Dark Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011

Dit album bestaat uit nummers die klassieke en progressieve muziek combineren. Vier nummers zijn afkomstig van The Kyteman Orchestra van de Nederlandse hip-hop musicus Kyteman. Vier nummers komen van The Goat Rodeo Sessions een samenwerking van de klassieke cellist Yo-Yo Ma met drie Amerikaanse blue grass musici. Twee nummers komen van de nieuwste CD The Second Law van Muse. Een nummer komt van youtube en is een cover van de intromuziek van de populaire serie Game of Thrones.

 

Unconventional

# Naam Artiest Album Jaar
1 From St. Kilda to Fitzroy Amanda Palmer Theatre is Evil 2012
2 Welcome to Mystery Plain White T’s Wonders of the Younger 2010
3 Wig in a Box Hedwig Hedwig and the Angry Inch 2001
4 Sweet Transvestite Rocky Horror Picture Show Rocky Horror Picture Show 1975
5 Trout Heart Replica Amanda Palmer Theatre is Evil 2012
5 Midnight Radio Hedwig Hedwig and the Angry Inch 2001
6 Blood for Poppies Garbage Not Your Kind of People 2012
7 A Grand Theft Intermission Amanda Palmer Theatre is Evil 2012
8 Touch-a-Touch-Me Glee Cast Rocky Horror Glee Show 2010
9 Born this Way Lady Gaga Born this Way 2011
10 Mens durf te leven Wende Chante! 2008
11 Ukele Anthem Amanda Palmer Theatre is Evil 2012

Dit album is een ode aan het niet-conventionele leven. Drie nummers komen van de CD Theatre is Evil van de eigenzinnige Amanda Palmer. Daarnaast komen enkele nummers uit de campy rock musicals Hedwig and the Angry Inch en de Rocky Horror Picture Show.. Na de “Grand Theft Intermission” volgen Lady Gaga en een cover van de Rocky Horror Picture Show door de Amerikaanse feel-good televisieserie Glee. Beide maken van het onconventionele een hapklaar commercieel product. De toegift bestaat uit de klassieke lofzang op het vrije leven “Mens durf te leven” door Wende en het hilarische “Ukele Anthem” van Amanda Palmer.

Waar wonen de overgebleven GroenLinks-kiezers?

Waar werd het meest op GroenLinks gestemd bij de afgelopen verkiezingen? Een electoraal-geografische analyse.

Electorale geografie

In 2010 haalde GroenLinks meer dan 600.000 stemmen, in 2012 was dat net meer dan 200.000 stemmen. Is er een verschil tussen de kiezers die blijven en de kiezers die zijn vertrokken? Hier kijken we naar de spreiding van GroenLinks kiezers over Nederland: in welke gebieden wonen GroenLinks-stemmers? Waar verliest GroenLinks meer en waar minder? En met welke kiezersgroepen overlapt GroenLinks?

Electorale geografie is een ingewikkeld vakgebied: we kunnen zien in welke gemeenten partijen sterk staan en sterk blijven staan. Dit hoeven echter niet dezelfde kiezers te zijn: het is mogelijk dat alle kiezers van partij wisselen met hun buurman, dan blijft de uitslag hetzelfde, blijft de partij sterk in dezelfde gebieden maar is 100% van de kiezers gewisseld. Bovendien, als we vinden dat in zeg gemeenten met veel D66-kiezers mensen ook veel GroenLinks stemmen, hoeft niet te betekenen dat deze electoraten overlappen. Het kan, zeg, mogelijk zijn dat alle mannen D66 stemmen en alle vrouwen D66. Toch kunnen we zo inzicht krijgen in welke kiezers GroenLinks stemmen.

Concentratie

In 2010 konden we vaststellen dat GroenLinks 50% van haar stemmen ophaalde in 38 van de 416 Nederlandse gemeenten. GroenLinks kiezers zijn bijzonder geconcentreerd. Dit zijn onder anderen vier grootste gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) en universiteitssteden als Groningen, Leiden en Maastricht. In 2012 kreeg GroenLinks 50% van haar stemmen in slechts 30 gemeenten. De kiezers van GroenLinks die nog over zijn, zijn sterker geconcentreerd dan het electoraat uit 2010. De gemeenten die nu niet meer in de top staan, zijn Randstad slaapsteden als Zoetermeer, maar ook grote provincieplaatsen als Emmen.

Het GroenLinks electoraat is dus sterker geconcentreerd. Dit betekent dat GroenLinks meer zou verliezen in de gebieden waar ze al niet sterk was; en minder in de gebieden waar ze sterker stond. We kunnen deze hypothesen toetsen: wat is de relatie tussen de steun voor GroenLinks in 2010 en het relatieve verlies van GroenLinks in 2012? We zien dat hier een relatie tussen is. Deze relatie is niet bijzonder sterk, maar in Utrecht is het relatieve verlies minder groot dan in plaatsen waar GroenLinks heel zwak stond als Bunschoten.

Geconcentreerd en progressief

Wat kunnen we zeggen over de gemeenten waar GroenLinks sterk scoort: zijn deze meer links-liberaal of klassiek-socialistisch georiënteerd? Hiervoor gebruiken we een ruimtelijk model van stemgedrag: Gemeenten waar hetzelfde gestemd wordt, clusteren en partijen die in dezelfde gemeenten stemmen krijgen, clusteren. Er ontstaat dan een driehoek: in de eerste plaats zijn de SGP en CU sterk in een aantal kleinere gemeenten, daarnaast zien we een onderscheid tussen de grote steden waar een aantal progressieve partijen als GroenLinks, D66, de PvdD en de PvdA sterk staan, een een aantal kleinere provincieplaatsen waar conservatieve CDA, de VVD, de PVV en 50+ sterk staan. De SP neemt een middenpartij in tussen het progressieve blok en het conservatieve blok. GroenLinks staat extreem aan de progressieve kant van het model. Dit bevestigt dat GroenLinks geconcentreerd is een beperkt aantal gemeenten waar progressief gestemd wordt.

Komen deze patronen ook terug in de voorkeursstemmen? Is er samenhang tussen stemgedrag en regio? Wij kijken hiervoor naar de stemmen in de twintig kieskringen. Veel van de kandidaten scoren inderdaad goed in een bepaalde kieskring. In laatste figuur zijn een aantal patronen weergegeven. We zien hier dat er drie gebieden clusteren: in het Noorden krijgen bepaalde (namelijk noordelijke kandidaten) meer stemmen. In het Zuiden (en dan met name in Limburg) krijgen andere kandidaten meer stemmen. De rest van de kieskringen clustert samen. Met name Amsterdam en Rotterdam vallen hier op: in het Westen scoren de rest van de kandidaten goed. Overigens is deze analyse gecorrigeerd omdat er een gebied is waar één kandidaat bijzonder goed scoort: de Zeeuwse kandidaat in Zeeland. Echter Zeeland legt voor GroenLinks weinig gewicht in de schaal.

Kortom

Het GroenLinks-electoraat is sterk geconcentreerd in de grote steden van Nederland, zowel in de Randstad, als in grote provincieplaatsen buiten de Randstad. Dit zijn plaatsen waar GroenLinks ook eerder al sterk stond. Ook de PvdA, D66 en de PvdD scoren sterk in deze gemeenten. Bij de voorkeursstemmen zien we echter een veel sterker onderscheid tussen de Randstad, het Noorden en het Zuiden die in de andere patronen in het stemgedrag niet evident zijn.

GroenLinks is geen Randstadpartij. GroenLinks staat sterk in de Randstad, maar ook in universiteitssteden in het zuiden en het noorden van Nederland. Het is verstandig hier rekening mee te houden in verkiezingstijd. Verkiezingscampagnes ‘op de grond’ gaan over het mobiliseren van de eigen kiezer en het overtuigen van twijfelaars. De GroenLinks-kiezer is sterk geconcentreerd. In 30 gemeentes halen we nu 50% van de stemmen. Het is goed dat er kandidaten op de lijst staan die niet in Den Haag, Amsterdam of Utrecht wonen. Zoek dus gericht naar regiokandidaten die aansluiten bij gemeenten en gebieden waar je sterk staat. Kiezers in het noorden en het zuiden willen immers graag een kandidaat uit de omgeving. Een lijstduwer uit Groningen stad of Den Bosch – gebieden waar GroenLinks sterk staat – past dus beter dan een lijstduwer uit Zeeland.

Stelling 2: Bestaande partijen zijn conservatief

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tweede: wat te doen met onbevredigende resultaten.

Stelling 2: “In de electorale arena zijn politieke partijen conservatieve organisaties die alleen reageren op nieuwe partijen als ze verkiezingen hebben verloren.”

Een van de minst bevredigende uitkomst van mijn onderzoek was dat ik voor verkiezingsprogramma’s geen of nauwelijks een effect heb kunnen vinden voor nieuwe partijen. Het lijkt erop dat bestaande partijen nieuwe partijen grotendeels negeren. Ze focussen op hun eigen thema’s. Onder beperkte voorwaarden kunnen nieuwe partijen een effect hebben op bestaande partijen in de electorale arena. Alleen als we kijken naar anticipatie in plaats van reactie. En vervolgens kijken naar partijen die de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Alleen dan ontstaat er een effect van nieuwe partijen. Dat wil zeggen nieuwe partijen hebben alleen een effect in de verkiezingen waarin ze waarin ze in de Tweede Kamer komen en alleen op partijen die de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Het idee is dat het verliezen van verkiezingen een wake-up call is voor bestaande partijen die vervolgens meer letten op de politieke omgeving.

Dat nieuwe partijen alleen effect zouden hebben op programma’s in de verkiezingen dat ze in de Kamer komen, zet wel vraagtekens bij het effect. Want immers het kan zo zijn dat zowel de bestaande partij die de verkiezingen heeft verloren en dat succesvolle nieuwe partijen allebei bij het schrijven van hun programma onafhankelijk vaan elkaar dezelfde maatschappelijke onderstroom hebben geraakt?

Dat laat zien dat waar zover het nieuwe partijen betreft bestaande partijen in de electorale arena bijzonder non-responsief zijn. Bestaande partijen focussen op hun eigen thema’s, bij verkiezingen laten zich niet van de wijs brengen door nieuwe partijen. Een onbevredigend resultaat, maar een niet te min een resultaat.

1994 en 2012

Al bij het bekijken van de GroenLinks-lijst voor de Tweede Kamerverkiezingen viel me een ding op: de opvallende gelijkenissen en banden met de GroenLinks-lijst uit 1994. Maar tijdens de campagne dringen nog meer analogieën zich op.

Twee referenda
Laten we beginnen met het lijsttrekkersreferendum. Dat was er in 1994 en 2012. In 1994 werd Ina Brouwer gekozen. Ze vormde een koppel met Mohammed Rabbae. Ze won van het koppel Paul Rosenmoller/Leonie Sipkes. In 2012 betrof het referendum de keuze Sap of Dibi.
Sap en Brouwer haalden de slechtste en de een-na-slechtste verkiezingsuitslag in de geschiedenis van GroenLinks en verlieten allebei na deze uitslag de politiek.
Het meest interessante in mijn ogen is de relatie tussen Brouwer en Sap. In 1993 kwam Brouwer in contact kwam met een jonge promovenda, die aan de Universiteit van Amsterdam werkte aan een proefschrift over de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen: Jolande Sap. Ze ontmoette elkaar op een conferentie die Sap had georganiseerd over feministische economie. Brouwer betrok Sap bij de doorrekening van het verkiezingsprogramma van GroenLinks. In 1994 verliet Brouwer de politiek en kwam te werken als directeur emancipatiezaken bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In 1996 kwam Jolande Sap ook te werken bij dat ministerie. Onder anderen als projectleider van het meerjarenbeleidsplan Emancipatie.

Op plek twee stond 1994 Rabbae, de woordvoerder van een generatie Nederlands-Marokkaanse arbeidsmigranten. Hij was de running mate van Brouwer. In 2012 is Dibi de tegenstrever van Sap. Hij is het gezicht van jonge generatie Nederlandse-Marokkanen. Het congres zette hem op plek #10. In beide gevallen deden deze twee Nederlands-Marokkaanse politici onhandige uitspraken die hun partij op achterstand stelden.

Bam! Daar is Bram!
Op plek twee stond in 2012 Bram van Ojik. Van Ojik stond namelijk in 1994 ook al op de lijst. Hij was toen nummer 7 en campagneleider. Hij verloor de verkiezingen en kwam zo net niet de Kamer in. Hij was namelijk al sinds 1993 lid. Van Ojik was afkomstig uit de groene PPR. In 1989 stond hij bekend als een pleitbezorger van het basisinkomen en werd hij woordvoerder landbouw; in 2012 na een periode als ambassadeur en topambtenaar bij BZ, heeft hij ook nog een buitenlandprofiel. Groen, sociaal en internationaal. Een all-round GroenLinkser. In 2012 stond de campagneleider ook op de lijst, Jesse Klaver. En in de diepte moment van de verkiezingsnacht zag het ernaar uit dat ook hij niet in de Tweede Kamer zou komen. Een lijstverbinding zorgde echter voor een restzetel voor Klaver.

Vakbond
Als linkse partij, heeft GroenLinks natuurlijk kandidaten met banden met de vakbeweging prominent op de lijst. Op plek 3 stond in 1994 de jonge charismatische vakbondsvoorzitter Paul Rosenmöller, die voor zijn tweede termijn ging. In 2012 gaat oud-CNV-jongerenvoorzitter Jesse Klaver (#4) op voor een tweede termijn. Op plek 8 stond in 1994 Ineke van Gent, op veel manieren is Linda Voortman (#5) haar opvolger: een Gronings sociaal gezicht met wortels in de FNV, een grote persoonlijke betrokkenheid en wortels in de partij.

Groen
Plek drie is in 2012 voor Liesbeth van Tongeren, de groene topkandidaat. Ook in 1994 was er een heldere groene kandidaat op vijf Marijke Vos. Van Tongeren heeft wortels in GreenPeace, Vos in MilieuDefensie (waar Van Ojik ook voorzitter van was). Maar Van Tongeren heeft (afhankelijk van hoe je telt) elf collega’s op de lijst met een groen profiel: waaronder vijf in de top tien naast Van Tongeren zijn er Grashofff, Van den Berge en De Jonge van Ellemeet. In 1994 waren er misschien twee kandidaten met een groen profiel, terwijl de lijst in 2012 veel groener is.

Eco-liberaal of eco-socialistisch
Voor de verkiezingen van 1994 was er binnen GroenLinks een debat opgekomen tussen zogenaamde eco-liberalen en eco-socialisten. De eco-liberalen waren meer gericht op samenwerking met D66, waren meer marktgeoriënteerd en waren vaak afkomstig uit de PPR. De eco-socialisten waren meer gericht op samenwerking met de SP, waren meer staatsgeoriënteerd en waren vaak afkomstig uit de PSP. De eerste groep noemden we sinds 2005 voorstanders van de middenkoers van Halsema, terwijl de tweede groep zichzelf Kritisch GroenLinks noemde.

Gratis water of geen XTC
De campagne van 1994 stond bekend als de slechtste campagne die GroenLinks heeft gevoerd. Onduidelijkheid over het tweehoofdige leiderschap van de partij droegen hieraan bij maar zeker ook een aantal incidenten zoals een door GroenLinks georganiseerd house feest. 3000 jongeren feesten tot diep in de nacht op kosten van GroenLinks. Volgens partijbestuurder Van Poelgeest zou hier geen XTC genomen worden. Natuurlijk vonden journalisten vonden dat wel. Tijdens de campagne van 2012 was er na enige media-aandacht voor het voorstel voor GroenLinks om gratis kraanwater te schenken in de media een heksenjacht naar flesjes water bij GroenLinks. In het bijzonder in het campagnecentrum waar net als in 1994 groepen jonge GroenLinksers nachten wakker bleven. Na de campagne van 1994 werd er geëvalueerd: de conclusies waren dat de interne strijd binnen GroenLinks over het lijsttrekkerschap grote onduidelijkheid over het leiderschap had geschapen. Daarnaast waren de verschillen met D66 niet voldoende duidelijk geworden.

Toekomstbeeld
De commissie-Van Dijk zal haar eigen conclusies trekken uit de uitslag. Maar de uitslag van 1994 laat zien dat een slechte uitslag niet het bestaansrecht van de partij hoeft aan te tasten. In het Paarse kabinet voerden PvdA en VVD een ongekend rechts bezuinigingsbeleid met weinig oog voor groen. GroenLinks voerde daar onder de charismatische Rosenmöller herkenbare oppositie tegen. Herkenbaar groen en sociaal, haalde GroenLinks vier jaar later de beste uitslagen uit haar geschiedenis: GroenLinks verdubbelde in 1998 het aantal Tweede Kamerzetels, won bij de gemeenteraadsverkiezingen, haalde ongekend goede uitslagen in de Europese en Provinciale Statenverkiezingen.