Mijn advies voor Rutte

Mark Rutte wil een snelle formatie. In minder dan een maand moet er een nieuw kabinet staan. Andere partijen reageren voorzichtig: Alexander Pechtold wil liever dat er langer geformeerd wordt als daar een stabieler kabinet tegenover staat. Maar is er een relatie tussen de lengte van de formatie en de stabiliteit van het kabinet?

Lengte
In de figuur hiernaast kan je zien wat de relatie is tussen de de duur van de formatie en de lengte van het kabinet. Dit zijn alleen kabinetten die na de verkiezingen zijn gevormd in de na-oorlogse periode. De duur van het kabinet verwijst naar de tijd dat het kabinet heeft gezeten exclusief demissionaire periodes door crises of na verkiezingen. Er lijkt geen sterke relatie te zijn tussen de twee variabelen (correlatie .06). Echter in drie van de vier hoeken staan wel meedere casussen: er zijn voorbeelden van formaties die lang duurden en langzittende kabinetten op leverden, maar ook bij kortere formaties waren er duurzame kabinetten. Evenzeer zijn er uit korte formaties ook instabiele kabinetten gekomen. Er is maar een geval van een lange formatie met een kort kabinet: Van Agt II. Het patroon duidt erop dat een hele lange formatie wel kan bijdragen aan een stabiel kabinet, maar dat er andere factoren zijn die daar ook aan kunnen bijdragen.

Er is een betere voorspelling van de zittingsduur van een kabinet: de partijpolitieke samenstelling van dat kabinet:

  • Deelname van het CDA aan een kabinet is geassocieerd met een kortere zittingsduur  (-.32). De twee kabinetten waar het CDA wel in had kunnen zitten maar dat niet deed (Kok I en Kok II) zaten allebei erg lang.
  • Bij de voorgangers van het CDA geldt dat de KVP altijd in het kabinet heeft gezeten (niet genoeg variantie), de CHU gerelateerd is aan iets kortere kabinetten (-0.07) en de ARP met langere kabinetten (+0.29). Daaarbij geldt wel dat voor beide partijen het weer zo is dat ze maar in twee kabinetten niet hebben deelgenomen.
  • Deelname van de VVD, PvdA en D66 wordt niet geassocieerd met een korter of een langer kabinet: de correlatie-coefficienten zijn erg laag (+0.08, +0.06, en +0.04).

Dan is er dus maar een advies aan Rutte als hij een stabiel kabinet wil: je kan kort formeren maar doe dat dan zonder het CDA!

Zoek de verschillen? De Partij voor de Dieren

De Partij voor de Dieren zoekt de
verschillen
op met GroenLinks: ik vind het knap dat ze zoveel
verschillen hebben gevonden tussen partijen die elkaar in de Tweede Kamer zo genaderd
zijn. Het wetenschappelijk bureau van de Partij voor de Dieren zelf
geeft GroenLinks een 9,6 qua dierenrechten en PvdD een 9,7.

Maar waar zitten de verschillen dan? De verschillen van de Partij voor
de Dieren komen de neer op drie tegenstellingen:

  • Op bepaalde, specifieke milieu- en dierenonderwerpen verschillen
    de twee zusterpartijen, van mening: waar het gaat om biogas, schilpadden
    en duurzame visserij is de Partij voor de Dieren iets groener. Volgens
    haar eigen bureau is dat dus een-procent van de stemmingen.
  • Waar het gaat om sociaal-economische onderwerpen neemt de Partij
    voor de Dieren wel andere onderwerpen in:

    • De PvdD is voor het stelsel van studiebeurzen die geen rekening
      houdt met verschillen in inkomens tussen studenten en hun ouders en dus de-facto
      studenten met uit de hogere klassen bevoordeeld. 
    • De PvdD is tegen hervorming van het verouderde en verzuilde omroepstelsel, terwijl GroenLinks als progressieve hervormingspartij kiest voor een nieuwe publieke omroep naar het BBC-model.
    • De PvdD wil helemaal uitgaan van het principe "de vervuiler betaald", wat uiteindelijk een (relatief) zwaardere last zal leggen op lage inkomen dan op hoge inkomens, terwijl GroenLinks met haar belasting voorstellen inkomens eerlijker verdeeld, werkgelegenheid schept en milieuvervuiling bestrijdt.
  • Daarnaast wijst de partij voor de Dieren erop dat Halsema in het
    verleden zich laatdunkend heeft uitgelaten over hun eigen partij.
    Daarbij speelt ze ook sterk op de vrouw: Halsema is geen vegetarier en
    Thieme wel.

Maar er zijn nog wel een aantal andere verschillen tussen de twee partijen:

  • GroenLinks is een transparante, democratische partij waarin alle openheid gediscussieerd kan worden tussen leden en kamerleden, en waar verantwoordelijkheden gescheiden worden. De PvdD houdt de deuren van congressen gesloten voor buitenstaanders, en Marianne Thieme is partijvoorzitter en fractievoorzitter tegelijk.
  • GroenLinks is een radicale hervormingspartij: zij schaft bijvoorbeeld op termijn de hypotheekrente af (die de PvdD wil deze behouden) en hervormt de AOW op een sociale manier (die de PvdD wil behouden op 67 onafhankelijk van hoe lang je hebt grwerkt).

Waar het gaat om die kleine verschillen, zou ik zeggen: kies voor een partij

  1. met het meest groene programma (volgens Greenpeace) en het meest groene stemgedrag (volgens natuurmonumenten)
  2. met een programma om Nederland sociaal te hervormen zodat we de crisis niet afwentelen op toekomstige generaties of mensen met minder kansen.
  3. met een levendige, open, transparante partijdemocratie.

En als je dan op een vegetarier wil stemmen: kies Niels van den Berge (#12), dan heb je ook nog een groene idealist een hart voor dierenrechten en duurzaamheid!

Mijn voorkeursstem

Het wordt GroenLinks voor mij. Maar wat nou als ik op een andere partij zou willen stemmen, omdat je vindt dat GroenLinks met haar uitzonderlijke combinatie van vrijzinnige, sociale en groene idealen gewoon te perfect is? Wie vertegenwoordigd er daar linkse en progressieve idealen?

Sabine185_325613a
Lijst 1: CDA. Eigenlijk is het een uitermate tragische lijst. Zo’n lange lijst met gevestigde politici. Grijze oude, regenteske heren. Maar gelukkig is er een uitzondering: #31 Sabine Uitslag. Een jong gezicht. Ze zet zich in voor de positie van verplegend personeel, waarop het CDA eindelijk een beetje sociale posities inneemt. Daarnaast is ze zangers van een rockband, wat toch een progressief jong gezicht tussen al die grijze heren.

Meili_vos
Lijst 2: PvdA. Ik kies voor Mei Li Vos (#38). De reden daarvoor is dit campagnefilmpje: de balans zoeken tussen vrijheid en solidariteit om ervoor te zorgen dat zij kan worden die zij wil zijn. Zij noemt dan Vrij Links. Ik noem het GroenLinks. Helaas is Vos die 4 jaar geleden door de PvdA is binnen gehaald op een zijspoor gezet: een onzichtbare portefeuille en nu een heel lage plaats.

Image
Lijst 3: SP. Krista van Velzen (#21) is mijn soort SP’er: een echte milieu- en vredesactivist met een sociaal hart. Dat is de combinatie van groene, sociale en progressieve politiek die ik met GroenLinks associeer. Actief in de anti-kernenergiebeweging en de anti-kernwapenbeweging. Was eigenlijk in de kamer ook meer activist dan politica.

300pxjeaninehennisplasschaert
Lijst 4: VVD. Tussen conservatieve liberalen als Charlie Aptroot en regelrechte Law & Order populisten als Fred Teeven staat Jeanine Hennis-Plasschaert (#4), een echte progressieve liberaal. Ze zit nu in het Europees Parlement, waar de VVD samenwerkt met centrum-linkse partijen als Liberal Democrats. En dat blijft toch aan Hennis plakken: in het parlement maakte zij zich sterk voor burgerrechten in Europa en daarbuiten. Een echte progressief.

Br_kamerlidfleuragema_photorobertvo Lijst 5: PVV. Absoluut niet mijn partij. En weinig politici spreken mij aan: een lijst vol met volgzame mensen die het vooral Wilders niet te moeilijk moeten maken. En hem toe staan om allerlei onzin te verspreiden over de Islam. Maar dan moeten we toch kiezen: Fleur Agema (#2). Die maakt als PVV’er met name in op de zorg. En gedraagt zich daar eigenlijk als een soort SP’er. Dat is natuurlijk nog geen GroenLinks’er.

3266457751
Lijst 7: ChristenUnie. Ik kies voor IJmert van Muilwijk (#10). Hij heeft als voorzitter van PerspectieF sterk bijgedragen aan het verschuiven van het profiel van de ChristenUnie van een sectarische religieuze partij naar een groene hervormingspartij met een sociaal hart, die over grenzen heen kan kijken. Ik denk dat op veel onderwerpen het "Vooruitzien" van de ChristenUnie sterk overeenkomt met het "Klaar voor de Toekomst" van GroenLinks.

Borisvanderham
Lijst 8: D66. Als er een progressieve niet-GroenLinks politicus is die door zijn persoonlijke internetcampagne mijn hart heeft gewonnen dan is het Boris van der Ham (#2). In vrijzinnige schriftlezingen neemt hij een tekst van een klassieke liberale politicus die hij koppelt aan het D66 programma. Hij laat daar een sterk vrijzinnig verhaal zien. Individuele vrijheid staat bij Van der Ham hoog in het vaandel staan.

Estherouwehand Lijst 9: Partij voor de Dieren. Programmatisch staat de centrum-linkse diep-groene Partij voor de Dieren dichtbij GroenLinks. Maar de moralistische toon en de autoritaire manier waarop de partij geleid wordt. Daarom kies ik niet voor Thieme maar voor Esther Ouwehand doe tegenwil van de partij top in op #2 werd gezet.

Twee dingen over deze lijst: ten eerste, veel van deze kandidaten hoort in mijn ogen op een GroenLinks lijst thuis (Agema en Hennis-Plasschaert uitgezonderd overigens eigenlijk een SP’er en een D66’er): de eigenzinnige progressief Vos zou binnen onze partij niet op zo’n zijspoor gezet worden. Ouwehand zou haar groene idealen kunnen uitdragen zonder tegengewerkt te worden door Thieme. Van Muilwijk is veel groener en socialer dan dat hij conservatief-Christelijk is. De keuze voor echte vrijzinnige, sociale en progressieve politiek is natuurlijk GroenLinks.
Ten tweede bij het maken van deze lijst viel me op dat er een aantal overlappen zijn met de lijst van Veronica: veel jonge vrouwen. Dat zegt iets over een voorkeursstem die bij toch gevoelsmatig naar een vrouw gaat, maar ook iets over de ruimte die er in Nederland ontstaat voor progressieve politiek, als er meer vrouwen in de Kamer komen.

En mijn voorkeursstem bij GroenLinks? Daarover snel meer!

Regeren is over je eigen schaduw heen springen

Na de Tweede Kamerverkiezingen zal er geformeerd moeten worden. Partijen
wisselen nu al voorkeurscoalities uit: het
CDA wil met de VVD, D66 en GroenLinks
, D66
wil met VVD, PvdA en GroenLinks
, de
PVV wil met CDA en VVD
.

2le18i1Eerlijk is eerlijk, we moeten nu nadenken en eerlijk zijn over mogelijk coalities. Laat ik mijn inzet formuleren. Nederland staat voor drie crises: een klimaatcrisis, een economische crisis en een financiele crisis. Niets doen is geen optie. Het komende kabinet zal moeten proberen drie stappen tegelijk te nemen: aan de ene kant zal er bezuinigd moeten worden, terwijl we tegelijkertijd de verzorgingsstaat op een socialere manier inrichten en onze druk op het klimaat te verminderen. Groen & sociaal hervormen.

In mijn ogen zijn naast GroenLinks twee partijen die daar een heldere visie op hebben: dat zijn D66, de partij die zich expliciet heeft gecommiteerd aan een set hervormingen: in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, op de huizenmarkt en in het klimaatbeleid. En de ChristenUnie, die onder het motto "Vooruitzien" zich wil inzetten voor een land met een sociale en duurzame economie. GroenLinks, D66 en de ChristenUnie zijn drie partijen die een sociale en groene visie delen. Partijen die durven te hervormen en hun verantwoordelijkheid te nemen om de begroting op orde te krijgen. Welke partijen we ook aan deze combinatie toevoegen: de ideeen komen uit deze hervormingsgezinde, sociale en groene as.

33xvtbqJe moet echter niet naar D66 of de ChristenUnie met zo’n idee komen: die beginnen dan over homo-docenten, medisch-ethische vragen, vrouwenemancipatie, biotechnologie en de plaats van religie in de samenleving. In mijn ogen zijn deze progressieve punten erg belangrijk. Maar we moeten nu over deze symbolen heen stappen. Tussen de ChristenUnie en D66 komt er geen onvereenstemming over homo-docenten of euthanasie. Kunnen we niet vier jaar lang deze onderwerpen stil zetten: kunnen we niet afspreken dat we een pas op de plaats maken? Zijn de economische, ecologische en financiele crises niet zo groot dat we ons moeten inzetten voor sociale en groene hervormingen? Een as van ChristenUnie-D66-GroenLinks zou een begin kunnen zijn van een eerlijker land.

Voor de number-crunchers onder u, we zullen twee partijen extra nodig hebben: samen halen D66, ChristenUnie en GroenLinks 30 zetels. We hebben twee van de grote machtspartijen extra nodig hebben voor een meerderheid. En dan wordt het toch lastig: de VVD wil wel graag hervormen maar doet dit niet sociaal en niet groen. De VVD heeft echt maar een verhaal: minder overheid. De PvdA weet niet of ze wil hervormen. Het kan wel groener en socialer bij de PvdA, maar ze durven daar geen knopen door te hakken zonder dat ze het drie keer door laten rekenen en door laten spreken in focusgroepen en opiniepeilers. En het CDA tsja het CDA. Een kat in het nauw maakt rare sprongen: ze maakt van stilstand op de huizenmarkt een breekpunt maar wil wel met "hervormingsgezinde" partijen in het kabinet. Al met al zullen ze machtspartijen zich aan moeten sluiten bij de ideeen van echte groene en sociale hervormers.

Afbeeldingen afkomstig van het forum van Retekool.

Hoe bijzonder zullen de verkiezingen van 2010 zijn?

Donderdag en vrijdag was ik op het politicologenetmaal, de grootste politicologie-conferentie van Nederland en Belgie. Twee dagen discussie over de populisme in Bulgarije, Henk en Ingrid, en nieuwe partijen in de regering. Martin Rosema hield een interessant betoog waarin hij de komende verkiezingen in historisch perspectief zette. Alhoewel er grote electorale verschuivingen zullen optreden, zo betoogde hij, is er een grote mate van stabiliteit. Ik wil hier een aantal van zijn beweringen in een breder perspectief zetten,

Naamloze_afbeelding
Als we de gemiddelde peilingen (TNS, De Hond, Barometer) vergelijken met de laatste verkiezingen zien we een groot verlies voor het CDA en de SP, en grote winst voor de VVD, PVV en D66. Er ontstaat nu een relatief gelijkmatig verdeeld parlement: er zijn vier partijen met ongeveer 10 zetels, twee partijen met twintig zetels en twee partijen met 30 zetels of meer. Grote fragmentatie dus. Dat maakt het heel lastig om een kabinet te formeren.

Naamloze_afbeelding_2_3 Om de fragmentatie van het parlement te meten, gebruiken politicologen de maat "Effectieve Aantal Partijen". Deze drukt uit hoeveel partijen er zijn maar houdt ook rekening met hun onderlinge verhoudingen. De rode lijn geeft deze maat weer. In 1986 was er 3.5 partij: het CDA, de PvdA, de VVD en een aantal kleine partijen die samen voor een half tellen. Er zijn nu 5.5 partijen in de Tweede Kamer. Als de peilingen uitkomen zullen er 6.5 partijen zijn. Het parlement is bijna twee keer zo gefragmenteerd als 24 jaar geleden. Echter in 1971 en 1972 was het parlement ook sterk gefragmenteerd: er waren toen veel partijen met ongeveer 10 zetels, oude partijen, zoals ARP en de CHU, en nieuwe partijen als DS70 en D66. Voor de jaren ’70 was de fragmentatie weer aanzienlijk kleiner: gedurende jaren ’40 en ’50 waren er ongeveer vier effectieve partijen, naast de KVP en de PvdA waren er drie middelgrote partijen (VVD, ARP en CHU) en een aantal kleinere.
Echter dit perspectief houdt geen rekening met de dynamiek van het partijensysteem: in de jaren ’70 was het parlement niet alleen opgebroken in 14 partijen maar ook in twee allianties: het Progressief Akkoord tussen PPR, D66 en de PvdA en een samenwerkingsverband tussen de Christelijke partijen die het CDA zouden worden. In kabinetsformatie vormden deze partijen samen een blok (of ten minste dat probeerden ze). De blauwe lijn geeft deze ontwikkeling weer. Door de twee allianties was de Nederlandse politiek toen veel minder gefragmenteerd dan ooit te voren. Als we nu naar de ontwikkeling kijken zien we dat Nederland sinds de jaren ’70 nog nooit zo gefragmenteerd is geweest.

Naamloze_afbeelding_8
Een andere manier waarop het Nederlandse politiek een grote mate van stabiliteit toont is de balans tussen links en rechts. Tussen 1918 en 1967 had rechts (de Christelijke en de rechts-liberale partijen) 66% van de stemmen. Sinds 1971 is de balans ongeveer 56%: alleen bij de verkiezingen van 2002 wordt dit patroon echt gebroken. Met 59% valt de balans in 2010 tamelijk sterk voor rechts uit. Let wel hierbij reken ik vanuit historisch perspectief de CU bij rechts, omdat de RPF en de GPV duidelijk rechtse partijen waren, terwijl ik nu zou stellen dat de CU hoort bij de brede linkse "Generaal Pardon"-coalitie.

Naamloze_afbeelding_9 Echter de samenstelling van dat linkse en rechtse blok verandert sterk. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er drie partijen geweest die de grootste zijn geweest: de KVP, de CDA en de PvdA. Hun ontwikkeling is in dit figuur te zien. Als de VVD op 9 juni inderdaad een zetel of 36 haalt en de PvdA een zetel of 30, dan zal dit de eerste keer sinds de Eerste Wereldoorlog zijn dat het niet een Christen-democratische of een sociaal-democratische partij de grootste partij is in de Tweede Kamer. Het is ueberhaupt de tweede keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat de VVD de grootste partij op rechts is.

En daarmee zij we full circle: het lijkt alsof we een zeer gefragmenteerd parlement zullen hebben met samenstelling die sterk afwijkt met de periode 2006-2010. Als we de ontwikkelingen preciezer volgen zien we dat er een grote mate van stabiliteit is tussen blokken en dat er eerder sterke fragmentatie is geweest. Echter als we nog preciezer naar deze ontwikkelingen kijken is het duidelijk dat er wel grote veranderingen zijn: nog nooit was het parlement zo gefragmenteerd terwijl de partijen zo individueel opereerden, nog nooit waren de liberalen de leidende partij in een rechts blok dat op een meerderheid kan rekenen.

Roemer Girls en Halsema Boys

De dag nadat vier mannen met elkaar in debat gaan over wie er premier
  moet worden (terwijl
  Nederland eigenlijk een vrouw wil
) een bespiegeling over geslacht
en leeftijd in de toekomstige kamer: de SP blijkt een partij van oude
mannen. GroenLinks toont zich een partij van jongeren en vrouwen. Een
verschil tussen progressieve en conservatieve politiek?. De grote
partijen zijn gevuld met oudere beroepspolitici met een lange politieke
ervaring: echte regentenpartijen?
Laten we er eens vanuit gaan dat het gemiddelde van de huidige
peilingen (peil, de barometer en nipo)
een aardig beeld geeft van de kamer: een stuk of 10 zetels voor de SP
(9), GL (10), CU (9) en D66 (11). Een stuk of 20 voor PVV (18) en CDA
(23). En iets meer dan 30 zetels door VVD (35) en PvdA (32). Daarnaast
is er een zetel voor de dierenpartij en twee voor de SGP.

ManvrouwIn de
hele kamer zitten nu zo’n 63 vrouwen.
Na de verkiezingen worden dat er 59. Dat is iets minder. Deze zijn
schreef verdeeld tussen de partijen. Uiteraard levert de SGP alleen maar
mannen, en de Partij voor de Dieren een vrouw en bij de PvdA valt het
natuurlijk 16/16 uit elkaar. GroenLinks is de enige grotere partij met
een vrouwelijke  meerderheid (6/4). GroenLinks
kiezers zijn ook al dominant vrouw
. De PVV en de SP zijn
daarentegen een echte mannenpartijen: slechts twee op de negen
kamerleden is daar vrouw. Je ziet dat vrouwen met name in de
progressieve en minder mate in de linkse hoek zitten: bij het CDA (8/15)
en VVD (13/22) zijn er minder vrouwen dan aan de linkerkant. Bij D66 is
er een kleine mannelijke meerderheid (5/6), maar ook bij de   
ChristenUnie, die tot 8 jaar geleden nog nooit een vrouw in hun   
gelederen had, valt het redelijk gelijk uit (4/5). Al met al valt met
name de slechte score voor de SP valt uit de toon: Roemer laat zich
omringen door mannen. Opvallend is ook dat partijen die veel
vrouwelijke kiezers hebben
zelf ook veel vrouwelijke kandidaten
hebben (de relatie wordt heel sterk als we de eenvrouws- en de
tweemansfracties eruit gooien).

De gemiddelde leeftijd van de
kandidaten op verkiesbare plekken is 44. De jongste onder hen
verkiesbare plaats is Jesse Klaver
(GroenLinks – 24) en de oudste is Jan de Wit (SP –
65).  Maar opnieuw zijn er sterke verschillen tussen de partij. Bij de
kleinere partijen zitten met name jongere kandidaten: De PvdD is de
jongste partij (38) gevolgd door de kleinere partijen, die allen onder
de 44 jaar zitten. Grote partijen (CDA, VVD en PvdA) hebben met name
oudere kandidaten, die zitten allemaal boven de 45. Dat zal er wel met
name mee te maken hebben dat je een grotere baanzekerheid hebt bij een
grote partij. Dit hangt samen met de lengte die hun kandidaten al in de
nationale politiek zitten: zij zitten allemaal in de 4 jaar politieke
ervaring (het CDA zelfs 7 jaar). Bij de grote groeiers (PVV en D66)
hebben de kandidaten maar 2 jaar ervaring in de nationale politiek. Ook
GroenLinksers hebben 3 jaar ervaring in de nationale politiek. Overigens
de CU en de SP lijst zijn ook tamelijk ervaring (5 en 6 jaar).

Waar
de leeftijd voor vrouwen en mannen ongeveer gelijk is over het
algemeen, zijn er grote verschillen tussen de partijen: bij GroenLinks
zijn de vrouwen zo’n tien jaar ouder dan de mannen. De mannen van
Halsema zijn gemiddeld maar 35 jaar. Daar staan de vrouwen van Roemer
tegenover: gemiddeld 33 en zo’n 14 jaar jonger dan de SP mannen. Bij
andere partijen is het beeld gelijkmatiger: D66 mannen zijn zes jonger
dan D66 vrouwen, en de ChristenUnie mannen zijn dan weer vijf jaar
ouder.

Opvallende conclusies zitten dus met name bij de SP: veel
oudere, mannelijke kandidaten die al lange tijd in de politiek rond
lopen. Daar staat GroenLinks tegenover: veel vrouwelijke, jonge
kandidaten die minder politieke ervaring hebben. Vrouwen zitten bij
progressieve, linkse partijen met vrouwelijke  kiezers: de verschillen
tussen de feminiene en de masculiene cultuur van SP en GL worden steeds
groter. Daarnaast lijken met name de grote partijen oudere kandidaten te
hebben met meer ervaring: mensen die kunnen rekenen op een stabiele
baan in de Nederlandse politiek, tegenover de jongere kandidaten van de
nieuwe partijen: nieuwe, vernieuwende, jonge politiek tegenover oude
politiek.

Deserving and Undeserving Poor

Je zou simplistisch kunnen stellen dat het “links” is om de
zwakkeren in de samenleving te willen ondersteunen, en dat het “rechts” is om
de eigen verantwoordelijkheid van mensen te benadrukken. Links kiest voor
kleinere verschillen tussen inkomens en rechts kiest ervoor mensen te belonen
voor hun inzet.

Dit is echter een zeer beperkt beeld van hoe partijen staan
tegenover de sociale voorzieningen. Zo verbaast het veel mensen dat een partij
als de PVV (“rechts”) zich zo sterk verzet tegen de verhoging van de
AOW-gerechtigde leeftijd en zich sterk laat horen waar het gaat om de
gezondheidszorg. Maar je ziet dat
rechtse partijen zich vaker inzetten voor bepaalde groepen aan de “onderkant”.
Erica Terpstra is een mooi voorbeeld van een VVD politica die zich hard maakte
voor ouderen en gehandicapten. Maar ook Fortuyn wilde de inkomens van ouderen
versterken. En binnen het CDA ligt bezuinigen op de voorzieningen voor ouderen
en gehandicapten ook nooit goed. Sterker nog, de ouderenpartijen uit de jaren
’90 stelden zich op veel sociaal-economische thema’s rechts op: lage
uitkeringen, verplicht solliciteren en snel weer aan het werk. Behalve waar het
om ouderen en gehandicapten ging.

Daarom is het misschien nuttig om een onderscheid te maken
tussen verschillende groepen armen. Je zou een onderscheid kunnen maken tussen
armen die het niet verdienen om arm te zijn en armen die het aan zich zelf te
wijten hebben. Lui of echt behoeftig. In de Engelse Poor law wordt dat
deserving en undeserving poor genoemd.

Het lijkt alsof rechtse politici een sterk onderscheid maken
tussen mensen die het niet verdienen om arm te zijn, zoals ouderen en
gehandicapten, en mensen die dat wel verdienen, zoals veel werkelozen en mensen
aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Aan de voorzieningen voor de “onverdiende
armen” mag je eigenlijk niet komen. De AOW is daar een goed voorbeeld van, in
het verleden waren het juist de rechtse partijen die hierop niet wilden
bezuinigen, de fiscalisering van de AOW werd weggezet als Bos-belasting en de
PVV verzet zich sterk tegen de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Rechtse partijen zien weinig in regelingen voor arme mensen,
die dat “aan zich zelf te wijten hebben”: die moeten niet te veel in de watten
gelegd worden, die moeten worden gestimuleerd wat van hun eigen leven te maken.
Sobere regelingen, lagere lonen, kortere uitkeringen. Een partij als de SP,
maar ook andere linkse partijen, zet zich vaak juist in voor zulke groepen: kan
het niet wat menselijker? Kunnen de lonen niet hoger? Kan zo’n regeling niet
inkomensafhankelijk?

Rechtse partijen beroepen zich vaak op eigen
verantwoordelijkheid om regelingen voor armere mensen af te breken: mensen
moeten zelf wat van hun leven maken, niet afhankelijk gemaakt worden van
publieke voorzieningen. Maar er spelen ook vaak morele argumenten een rol: je
moet werken, want dat is de enige manier om wat van je leven te maken. Voor
kinderen zorgen, vrijwilligerswerk, op de bank hangen: daarvoor betaalt de
hardwerkende Nederlander niet.

Progressieve, linkse politiek moet dit idee van behoeftige
en luie arme mensen niet overnemen. Aan de ene kant omdat ouderen en
gehandicapten niet “zielig” zijn en niet allemaal onze sympathie, compassie of medelijden
nodig hebben: we moeten ervoor zorgen dat ook juist deze mensen zelf
verantwoordelijk kunnen blijven voor hun eigen leven. Dit zijn geen zielige
mensen die we moeten verzorgen en beschermen, maar mensen die ook regie en sturing
moeten kunnen houden over hun eigen leven.

Aan de andere kant denk ik
niet dat we mensen in uitkeringen snel moeten afdoen als luie mensen die
strengere arbeidsmoraal moeten worden aangeleerd. Niet alleen omdat zulke
morele oordelen geen rol hebben in vrijzinnige progressieve politiek –alhoewel
dat voor mij altijd op de achtergrond blijft spelen– maar ook omdat
inkomensverschillen voor een groot deel niet kunnen worden terug gebracht op
eigen verantwoordelijkheid: zeker als armoede en werkloosheid in hoge mate van ouder
op kind wordt door gegeven.

Het Persoonlijke is Politiek

"Het Persoonlijke is Politiek" zo luidt een oud feministisch motto. HP/De Tijd en de Weekend namen dit erg letterlijk door een glossy uit te brengen over de prive-levens van politici: "Het Binnenhof". De cover -met een rokende Femke Halsema- zegt dat het blad onthullend is. Echter wat er "onthuld" wordt is niet interessant en de methodes zijn onethisch. Hoe je met integere journalistiek een veel interessanter, onthullender en persoonlijker beeld kan schetsen, toont Steffie Kouters in een interview met diezelfde Halsema in het Volkskrant Magazine.

Het Binnenhof is een kleine 150 pagina’s van de zwakste journalistiek in jaren. De artikelen die er in staan bevatten nauwelijks nieuwe informatie. Om het blad gevuld te krijgen met roddels moeten de auteurs (ze journalisten noemen is een belediging voor deze beroepsgroep) terug gaan tot 1946 (!). In lijsten van omstreden politici en grote graaiers komen de klassieke verhalen naar voren: de zonnebril van Bos bijvoorbeeld en het belletje van Bomhoff. Er was nauwelijks informatie over hedendaagse politici. En wat er wel was overschreed duidelijk de grenzen van integere journalistiek. Foto’s van de huizen met prijzen en hypotheken van lijsttrekkers kunnen misschien nog – de informatie kan door iedereen worden na gezocht, al was de Terrorisme-tzaar niet blij. Foto’s van het prive-leven van politici (Halsema met sigaret; Rutte bij de supermarkt) is in mijn ogen al een inbreuk van de privacy. Foto’s van de kinderen van politici is echter een brug te ver: zij zijn geen "publieke figuren" – in zoverre politici dat wel zijn. De auteurs toonden zich echte riooljournalisten door in het afval van politici te zoeken. Daarmee braken ze ernstig in op de prive-sfeer van politici en hun familie. En door persoonlijke paramedische informatie en brieven van scholen te tonen zonder dat dit enige nieuwswaarde had, lieten de auteurs zien geen enkel oog te hebben voor de scheiding voor publiek en privaat. Meest opvallend misschien wel, in een week dat de kranten vol stonden over het prive leven van een staatssecretaris van Defensie, schreef dit blad daar geen letter over. Kortom: in Het Binnenhof leren we niets over onze volksvertegenwoordigers dat het waard is om te weten, terwijl daar allerlei inbreuken op de privesfeer van hen en hun familie tegenover staan.

Daar staat het openhartige interview van Femke Halsema in het Volkskrant Magazine tegenover. Dit is natuurlijk een fundamenteel andere vorm van journalistiek. De journalist kan slechts rapporteren wat de politica toont. Het enige wat de journalist kan doen is de politica verleiden om meer te vertellen. De politica blijft in control. Dat betekent echter niet dat we niets leren over Halsema als persoon: ze vertelt openhartig over haar kinderen en de manier waarop ze zich opstelt als "witte" moeder in een "zwarte" school en over hoe het overlijden van een kind van een collega haar het politiek functioneren heeft beinvloed. In het interview staat niet het prive-leven van Halsema centraal, maar des te meer de manier waarop een prominente politica om gaat met het publieke beeld van haar persoonlijk leven. In een mooie analyse van hoe ze met journalisten praat(te) over haar jeugd en studietijd, toont Halsema zich van haar reflectieve kant: door voortdurend een paar anecdotes te herhalen over die tijd kan Halsema een deel van haar persoonlijk leven afschermen.

Het interview van Halsema in de Volkskrant laat een vele malen interessanter, opener en onthullender beeld van de persoon Halsema dan een paar foto’s van haar kinderen of een opengesneden afvalzak.

Post-Convention Spin IV: Hoe rationeel was het congres?

Van de week zag ik de notulen van het Groenlinks congers met daarin de uitslagen van de verschillende stemmingsronden. Op basis hiervan kunnen misschien iets beter doorgronden hoe de stemgedrag bij de veelbesproken GroenLinks verkiezingsprocedures in elkaar steekt.

Wat ik hier met name wil bekijken is of het congres collectief rationeel was. Als een groep mensen niet rationeel stemt zou je dit in een aantal dingen moeten kunnen zien: vrij kleine meerderheden (want er is geen coordinatie), onverwachte uitslagen in tweede rondes, en een vrije chaotische wisseling van voorkeuren tussen rondes als kandidaten erbij komen of wegvallen. Dit is natuurlijk geen goede definitie van rationaliteit, maar om een formeel rationaliteitsbegrip te toetsen zou ik veel meer informatie nodig hebben. Een aspect van rationaliteit dat ik niet toets maar aanneem is dat stemmers niet tussen stemmingen van voorkeur wisselen.

Een quick reminder over de procedure: voor iedere plek wordt er in twee ronden gestemd over iedere plek op de kiestlijst: ik noem deze Ronde A (waarin alle kandidaten mee mogen doen) en Ronde B (waarin alleen de twee hoogst geplaatse kandidaten uit ronde A mee mogen doen). Ik kijk hier alleen naar deze plekstemmingen en niet naar de blokstemming.

Ik loop eerst de stemmingen voor 1 tot 11 individueel af om te kijken naar wisselingen tussen stemmingen. Dan kijk in een wat breder perspectief naar plek 12 tot 15 en 16 tot 20. Ten slotte kijken we naar alle plekken vanuit het perspectief van GroenLinks als een partij met verschillende stromingen, en specifiek naar opkomst en blanco stemmen. 

Plek 2
Plek_2
Voor plek 2 stemt bijna de helft van de aanwezige leden in ronde A al voor Sap, een kwart op Dibi en een achtste op Peters en een achtste op Van Tongeren. In de tweede ronde gaan vervolgens tweede derde van de Peters & Van Tongeren-stemmers voor Sap en een kwart voor Dibi. En zo wordt Sap verkozen met een twee-derde meerderheid.

Van plek 2 naar 3
Plek23
Van plek 2 naar plek 3 zien we opvallende veranderingen en stabiliteit. Er komen meer dan 400 Sap stemmers vrij: we zien dat Peters en Van Tongeren min-of-meer de steun houden die ze al hadden. 100 daarvan gaan over naar Dibi en Dirkmaat en 200 naar Klaver. De stelling dat er een "groen" blok is wordt hierdoor gelogenstraft: de deelname van Dirkmaat breekt het aantal Van Tongeren stemmers niet op. Dibi wordt vervolgens door de leden gekozen.

Van plek 3 naar 4
Plek34
Van plek 3 naar plek 4 vallen er 361 Dibi stemmers vrij: een groot deel daarvan (186) gaan naar Peters, 96 gaan naar Van Tongeren en zo’n 40 naar Klaver en Dirkmaat. De richting waarin de leden gaan is vrij helder: er is een grote swing naar Peters die vervolgens in ronde B gekozen worden.

Van plek 4 naar 5
Plek45
Van plek 4 naar plek 5 is er een opvallende beweging. Er komen 305 Peters-stemmers vrij, die lijken zich niet te verdelen over de andere kandidaten, maar ze gaan dominant naar Van Gent. Van Gent trekt ook stemmen weg bij Dirkmaat (-5), Van Tongeren (-14) en Klaver (-21). Zelfs met deze nieuwe kandidaat blijven de blokken dus tamelijk gelijk. Van Gent wint vervolgens in ronde B.

Van plek 5 naar 6
Plek56 Vanaf plek 6 doen 5 extra kandidaten mee. Daarnaast komen er 338 Van Gent stemmers vrij. Zo’n 148 stemmers komen uit bij een van de nieuwe kandidaten. Geen van het haalt meer dan 50 stemmen. 152 gaan naar de bestaande kandidaten: 70 bij Van Tongeren, 51 bij Klaver en 31 bij Dirkmaat. Daarnaast vallen er zo’n 38 stemmers uit. Klaver die al drie keer als tweede uit de bus kwam in een ronde A komt nu als eerste uit, in deze ronde echter komt hij uit als eerste, maar wordt hij in ronde B toch niet gekozen. Dit komt de hele lijst maar 4 keer voor dat degene die als eerste uit ronde A komt, niet ronde B wint.

Plek 6 naar 7
Plek67 Op plek 7 komen er 242 Van Tongeren stemmers vrij. Daarvan gaan er 91 naar Klaver. De rest van de stemmen wordt relatief evenwichtig verdeeld: 21 voor Dirkmaat, 25 voor El Fassed, 24 voor Braakhuis, 6 voor de Bruin en 1 voor Van Bogelen. Van den Berg verliest 1 stem. Daarnaast doen er twee extra kandidaten mee: de vakbondsvrouwen Van Pijpen en
Voortman. Die krijgen 25 en 57 stemmen. Klaver wint nadat hij deel heeft genomen aan 5 rondes B.

Plek 7 naar 8
Plek78Op plek 8 komen er niet alleen 365 Klaver stemmers vrij, maar ook 185 Dirkmaat-stemmers, die op dit punt zijn handdoek in de ring gooide. Er komen dus samen zo’n 550 stemmers vrij: een ruime meerderheid van de congresgangers. Daarnaast zijn er vier extra kandidaten. In totaal zijn er 11 kandidaten. De verdeling van de stemmen is, in vergelijking met eerdere rondes relatief evenwichtig: alle kandidaten gaan erop vooruit. Maar drie kandidaten komen het beste eruit: El Fassed wint 59 stemmen, Braakhuis 106 en Grashoff komt binnen met 112 stemmen. De strijd is dus tussen Braakhuis en El Fassed en wordt gewonnen door de eerste.

Plek 8 naar 9

Plek89 Op plek 9 komen er "maar" 165 stemmen vrij. Daarnaast gaan er van enkele kandidaten (Grashoff, Van Boggelen, en Uijlenhoet) stemmen weg. We zien grote stabiliteit bij veel kandidaten. Alleen El Fassed en Voortman gaan er sterk op vooruit. El Fassed zal dan ook winnen

Plek 9 naar 10
Plek910
Met de verkiezing van El Fassed komen er 208 stemmen vrij. Twee nieuwe kandidaten doen mee Brugman en Van Putten. De stemmen van El Fassed worden ongelijk  verdeeld. Alleen Voortman gaat er sterk op vooruit: zij wint 80 stemmen, terwijl de rest min-of-meer stabiel blijft.

Plek 11
Plek1011
Plek 11 is een geval apart, vanwege de herstemming en de interventie van de Marijke Vos. Er komen 200 Voortman-kiezers vrij en bijna 100 De Bruin-kiezers. Veel van de andere kandidaten verliezen een paar stemmers. Zo’n 20 stemmers verlaten het congres. Twee kandidaten profiteren met meest van deze verschuivingen: Grashoff die uitkomt op 205 stemmers achter zich krijgt en Van der Bergie die daar met 227 net bovenuit komt.
Plek11_2
In de tweede  ronde is er (net) geen meerderheid. Van den Berge staat met 373 stemmen voor op Grashoff die 367 stemmen heeft gekregen. 16 mensen stemmen blanco en 18 mensen doen niet meer mee. Herstemming is noodzakelijk
Dan is er de interventie van Vos die het congres oproept om op Van Boggelen en Van den Berg te stemmen. Er is een nieuwe ronde A. Daarin doet Van den Berge het iets beter dan daarvoor. Grashoff verliest 20 stemmen. Van Boggelen en Van den Berg ("C") in de figuur hiernaast, winnen samen bijna 45 stemmen meer dan daarvoor. De overige kandidaten die in beide rondes mee doen ("E") verliezen zo’n 25 stemmen, en twee kandidaten doen niet mee in deze tweede ronde ("F"). Maar drie mensen stemmen blanco, en in vergelijking met de ronde A hiervoor zijn er 45 mensen die niet meer mee doen. Een tweede ronde B is nodig. Grashoff doet het hier bijna even goed als daarvoor en Van den Berge verliest 23 stemmen. 20 blanco stemmen en 35 mensen die niet mee doen. Grashoff is verkozen.
De interventie van Vos lijkt maar een klein deel van het congres aangesproken te hebben: 45 congres gangers volgen haar advies. Evenveel mensen haken af.

Plek 12-15
Plek1215_3
Voor plek 12 tot 15 is het volgende patroon te zien: er zijn vier kandidaten die boven de 70 stemmen uit komen in de ronde A voor plek 12: Van den Berg, Van den Berge, Van Boggelen en Van Os. Deze worden door het congres in die volgorde op de lijst gezet. Deze kandidaten springen vooruit als er weer een kandidaat verdwijnt omdat deze op de lijst wordt gezet. Onder hen staan zo’n 8 kanidaten die nauwelijks vooruitkomen: deze blijven juist relatief stabiel staan op het aantal stemmen dat ze voor plek 12 al gekregen hadden. Dit logenstraft het beeld dat het congres een tombola is: want dit patroon was eerder ook al te zien. Er zijn weinig kandidaten die uit de onderste regionen helemaal naar boven komen. Sterker nog er lijkt een grote minderheid op het congres lijkt iedere keer correct voorspeld op wie het congres dan zou stemmen. Van grote collectieve actie problemen is geen sprake, anders zou er niet zo consistent gestemd.

Plek 16-20
Plek1620
Voor plek 16 tot 20 valt grotendeels hetzelfde te zeggen als voor plek 16 tot 20. Je ziet dat voortdurend kandidaten opstijgen: Uijlenhoet, Ganzevoort, Van Putten, voortdurend zie je een grote groep op het congres samen voor de kandidaat gaan die het uiteindelijk wordt. Een andere groep kandidaten lijkt veel minder goed instaat om congresgangers achter zich te krijgen. De enige persoon voor wie dit patroon niet geldt, is Paul Smeulders. Hij wordt hier drie keer achter elkaar afgewezen. De laatste keer staat hij 30 stemmen voor op zijn tegenstrever maar weet deze hem toch in de tweede ronde te verslaan.

Ronde B

Ronde_b
Dat opent een nieuwe vraag: hoe gaan uitslagen van de eerste naar de tweede ronde? Van deze uitslagen is iets te zien in de figuur hiernaast. Deze laat zien hoe mensen stemmen in ronde B, voor zo ver zij niet in ronde A gestemd hebben op #1 of #2 (of blanco). Dit zijn dus de extra stemmen, die #1 en #2 (en blanco) erbij krijgen van ronde A naar ronde B. Er zijn drie gebieden: relatieve chaos aan het begin en het eind en grote stabiliteit in het midden: aan het begin lijkt kandidaat #1 de grootste kans te hebben: Sap, Dibi en Peters winnen zo’n 67% van de extra stemmen. Dan komt plek 5 (Van Gent vs. Klaver). Hierbij krijgt juist Klaver (#2) het merendeel van de extra stemmen: de Van Gent stemmers hadden zich in ronde A al aan haar verbonden. Op plek 6 en 7 zet deze trend zich door de #2 krijgt veel stemmen, maar nu is juist de #1 Klaver. Vanaf plek 8 tot plek 16 krijgen de #1 en de #2 kandidaat allebei ongeveer 50% van de stemmen. Het congres valt half/half uit. Vanaf plek 17 zijn de verschillen groter. Het is relevant om op te merken dat voor plek 18, 19 en 20 iedere keer een kandidaat minder stemmen krijgt: Paul Smeulders, onafhankelijk van of hij op #1 of #2 eindigde.

Blokken

Gso_2
Na het congres ontstond bij veel mensen het beeld dat het groene deel van de partij onder gepresenteerd was en dat daarom zoveels sociale kandidaten waren door gekomen. Dat zou er op duiden dat het congres uit stabiele blokken bestaat die voortdurend op de kandidaat van hun kleur zouden stemmen. We kunnen dit toetsen door alle kandidaten aan een kleur toe te kennen en dat te kijken of deze blokken stabiel zijn. Uiteraard is het toe wijzen van kandidaten aan kleuren arbitrair en lastig. Ik heb gekozen voor het Groen/Sociaal/Open model: waarbij groene kandidaten mensen zijn met een interesse voor milieu, landbouw en verkeer en/of wortels in de milieubeweging. Kandidaten die lastig te plaatsen zijn hebben een * achter hun naam. Groen zijn in dit geval Van Tongeren, Dirkmaat, Grashoff*, Van den Berg, Brugman, Van den Berge en Berkelder. Rood zijn kandidaten met een interesse in zorg en werk & inkomen en/of wortels in de vakbond. Dat zijn Sap, Klaver, Van Gent, Voortman, Van Boggelen, Van Pijpen, Kaspers, Van Schendelen, Mevis*, Smeulders* en Kerkwijk*. Dan vallen de andere kandidaten dus in Blauw, dat gaat van internationaal, via justitie en onderwijs naar integratie: Dibi, Peters, Braakhuis*, El Fassed, De Bruin*, Uijlenhoet*, Van der Meer*, Van Putten, Van Os, Ganzevoort, Barrahmun, Harika*, Springer en Diks*. Wat opvalt is niet zo zeer de stabiliteit tussen de blokken, maar de grote pieken in de ontwikkeling. Dat duidt op een heel ander patroon: het congres dat plek voor plek besluit dat het iemand’s beurt is en daar in grote meerderheid op stemt.

Opkomst
Opkomst Wat zijdelings ook interessant kan zijn is de opkomst: wanneer en waarom haken congresgangers af? De blauwe lijn geeft de opkomst in de ronde A weer en de rode
lijn in de ronde B. Er is een zeer sterke relate tussen deze twee
lijnen. Je ziet dat over tijd de opkomst daalt: er is een zeer sterke
relatie tussen de plek waarvoor gestemd wordt en het aantal stemmers.
Dit gebeurt in ogeveer 3 drie gebieden: tussen plek 1 tot 9 ligt de
opkomst min-of-meer stabiel op 850. Daarna valt de opkomst naar beneden
met ongeveer 30 stemmers per keer. Dan is een scherpe cesuur tussen plek
15 en 16. Dan valt de opkomst van 612 naar 424. Daarna is de opkomst
opvallend stabiel rond de 400.
GroenLinks leden lijken dus met name
bij te willen te dragen aan plekken die tellen en lopen weg als er geen
relevante plekken in stemming komen. Dat valt zeker op te vatten als rationeel gedrag. Van de 850 GroenLinksleden die
stemmen zijn er 400 echte die-hards. Er wordt wel eens geklaagd over het
feit dat maar 2% van de Nederlanders lid is van een partij. Deze data
is echter nog schokkender: Van de 5% van de GroenLinks stemmers die ook
GroenLinks lid is, stemt maar 4% mee met de kandidatenlijst en daarvan
blijft maar 50% hangen voor de hele lijst.

Blanco-stemmen

Blanco
Een ander fenomeen zijn blanco stemmen. Veel blanco stemmen kan erop duiden dat stemmers voor geen van de kandidaten een voorkeur heeft en dus geen volledige preferentie ordening bezit.
Je ziet hier het aantal blanco stemmen in ronde A en B als percentage
van het totale aantal stemmen. Het eerste wat opvalt is dat mensen in
ronde A vaak wel een preferentie kunnen uit drukken, uit alle kandidaten
die mee doen hebben ze een eerste keuze. Minder dan 1% kan dan niet.
Waar het gaat om ronde B is er een groter deel van het congres dat niet
kan kiezen. Als we de eerste plek over slaan (waar blanco stemmen
betekent "tegen Halsema", de enige kandidaat), kunnen we aantal dingen
zien: ten eerste, er is een vrij sterke correlatie tussen het aantal
stemmen in ronde A en B. Als veel mensen in ronde A niet kunnen kiezen
kunnen nog meer mensen dat in de B niet. Daarnaast zien we een sterke
opgaande trend: hoe lager de plaats is, des te meer mensen geen voorkeur
hebben voor een der kandidaten. Maar daarnaast zien we een sterke
schommeling die er op duidt dat een blanco stem sterk context afhankelijk
is.

Conclusie
Welke conclusies kunnen we hier uit trekken? Ik denk dat er een belangrijke conclusie is, als je het stemgedrag bekijkt is het geen tombola of een strijd tussen blokken. Het congres lijkt redelijk rationeel plek voor plek gekozen te hebben voor de kandidaat die zij het beste vond. Je ziet vaak dat de kandidaat die als tweede uit de ene ronde B komt, in de volgende ronde B wordt gekozen (12 van de 16 stemmingen): bijvoorbeeld Dibi verloor van Sap voor plek #2 en krijgt vervolgens plek #3. Je ziet ook vaak dat de kandidaat die als eerste uit ronde A komt ook in ronde B wordt gekozen (15 van de 19 stemmingen): dus Sap was eerste voor plek #2 in ronde A en wint dus ook plek #2 in ronde B. Dat duidt allemaal op een grote mate van rationaliteit en coordinatie. Kandidaten die onderaan staan, blijven in verschillende stemmingen de steun houden die ze hadden.

Er zijn een paar punten waar dit misloopt: Klaver die voor plek 3 tot 6 als #1 of #2 uit de ronde A komt maar pas voor plek #7 een meerderheid achter zich krijgt. Dirkmaat die zich terug trekt voor plek #7, terwijl als je kijkt naar het stemgedrag het congres hem waarschijnlijk plek #8 had gegeven. De zeer kleine marges bij plek #11 die leiden tot herstemming. Van Schendelen die door een zeer opvallend persoonlijk verhaal in een keer plek #16 weet te veroveren. En Smeulders die drie keer wordt afgewezen voor een plek op de lijst terwijl hij zeer goed uit de ronde’s A komt. Opvallend genoeg speelt dit bij drie jonge, DWARSe kandidaten, Klaver, Van den Berge en Smeulders. Misschien dat een deel van het congres deze kandidaten erg jong vond en kandidaten met meer ervaring steunde.

Balancing the Court

Nog geen jaar na de vorige vacature is er weer een plek over in de Supreme Court of the United States (SCOTUS). Obama heeft nu Elena Kagan, zijn landsadvocaat, voor gedragen voor de post. En hiermee ontstaat er een bijzondere situatie in het Supreme Court: drie vrouwelijke, drie joodse rechters. En geen enkele blanke, protestantse Amerikaan, de WASP, die Amerika domineerde.

SCOTUS heeft negen leden. Na de Amerikaanse president zijn zij de machtigste politieke actoren in Washington, door hun vermogen om wetten ongrondwettelijk te verklaren en nieuwe jurisprudentie te maken. Zoals alle Amerikaanse politiek worden hun politieke opvattingen gezet in een een-dimensionaal model: van progressieve activistische rechters naar conservatieve rechters die zich aan de letter van de grondwet houden. De huidige 9 rechters zijn:

  • John Roberts, de huidige chief justice, een gematigde katholieke conservatief benoemd door Bush jr.
  • John Stevens, die nu aftreedt, was door de Republikeinse president Ford in de jaren ’70, toch behoorde hij tot de liberale vleugel. Hij was de laatste protestant on the bench.
  • Antonin Scalia, een van de helderste conservatieve geluiden in SCOTUS. Benoemd door Reagan. Ook een katholiek.
  • Anthony Kennedy, de "mediane" opperrechter die dan wel de liberale of wel de conservatieve meerderheid maakt. Wederom een katholiek benoemd door Reagan.
  • Clarence Thomas, een Afro-Amerikaanse opperrechter, die (en dat is bijzonder voor Afro-Amerikanen) katholiek en conservatief is. Benoemd door Bush sr. Wordt algemeen beschouwd als een van de minst gekwalificeerde opperrechters.
  • Ruth Bader Ginsberg, een gematigd liberale, Joodse, opperrechter, benoemd door Clinton.
  • Stephen Breyer, wederom een liberale, Joodse, opperrechter, benoemd door Clinton.
  • Samuel Alito, een conservatieve katholiek, benoemd door Bush sr.
  • Sonia Sotomayor, de gematigd liberale opperrechter benoemd door Obama, de eerste Hispanic.

En nu wordt dus Kagan benoemd. Dan zouden er twee vrouwen opperrechter zijn en drie mensen met een Joodse achtergrond. Hiermee verschuift de demografie van het Hoge Gerechtshof sterk. Balans speelde altijd een belangrijke rol bij benoemingen. Eerst balans tussen de regio’s van de Verenigde Staten. Zo was er altijd een "zuidelijke zetel" voor de Zuidelijke staten. Daarna speelden religie een belangrijkere rol en was er een vaste "Katholieke zetel", in een dominant Protestants hof. Die situatie veranderde de laatste jaren sterk toen er plotseling een groot aantal Katholieken werden benoemd zodat Protestanten zich eerst in een minderheid bevonden en nu zelfs geen "eigen zetel" meer hebben. Sinds de jaren ’60 speelt etniciteit een grote rol toen Thurgood Marshall benoemd werd, als eerste Afro-Amerikaanse opperrechter. Hij werd op de spreekwoordelijke "zwarte zetel" opgevolgd door Thomas. En met de benoeming van Sotomayor zijn ook Hispanics (weer?) vertegenwoordigd. Met de benoeming van Sandra Day O’Connor in de jaren ’80, waren ook vrouwen vertegenwoordigd. Als Kagan benoemd wordt zouden dus drie van de negen vrouwen vertegenwoordigd zijn.

Puur wiskundig gezien, zijn Joden een sterk overtegenwoordigde groep. Slechts 2% van de Amerikanen is Joods en straks is 33% van de opperrechters Joods. Ook Katholieken zijn overtegenwoordigd: 66% van de rechters en 25% van de bevolking. De 50% van de Amerikaanse bevolking is Protestants. Die hebben dus 0 opperrechters. Vrouwen (50% van de bevolking) hebben 33% van de rechters. Met 12% en 15% van de bevolking zijn Afro- en Hispanic-Amerikanen goed vertegenwoordigd.

De meest opvallende verschuiving is toch die naar een Katholiek Hoge Gerechtshof. In de jaren ’80 was er een Katholiek. Midden jaren ’90 was er een niet-Protestantse meerderheid. Midden jaren ’00 werd dat een Katholieke meerderheid. En nu dus geen enkele Protestant meer. Een goede verklaring heb ik er niet voor. Behalve misschien dat Katholieken zowel voor Democraten als voor Republikeinen een interessante achterban vormen: veel Katholieken zijn conservatief op morele vraagstukken (en dus Republikeins) maar de religie heeft ook een traditionele band met de Democratische partij, die in het verleden het sterk voor Katholieke migranten opnam.

Er is nog een twist aan de voordracht van Kagan: in de Amerikaanse pers gaat het gerucht de ronde dat Kagan lesbisch is. Ik zou het heel veel belovend vinden als ook deze groep een plek in het Oppergerechtshof zou krijgen, zeker nu homo-rechten steeds meer een politiek vraagstuk wordt -en bijvoorbeeld in Zuid Afrika het Hoge Gerechtshof het homohuwelijk heeft gelegaliseerd. Echter het zijn maar geruchten die ontkend worden door het Witte Huis.

Benoemingen naar het Hoge Gerechtshof gaan altijd om balans: ideologische balans tussen liberale of conservatieven, maar ook balans tussen de verschillende groepen in de VS: eerst waren dat regio’s, later religies en nu etniciteiten en sekses.