Top 5 beste films

Na een aantal toppen van beste muziek werd ik gister uitgedaagd tot een top van beste films. Eigenlijk best lastig. Maar na een analyse van mijn filmkast kwam ik tot deze top vijf in willekeurige volgorde:

1 Life Aquatic with Steve Zisou: de beste film van Wes Anderson die een aantal geniale absurdistische familiekomedies heeft geproduceerd allemaal over dysfunctionele familierelaties, dit keer met Cate Blanchett.
2  V for Vendetta: verily a fascinating film, focusing on a vilified victim, who vanquishes a violent veteran vice-roy. Een verfilming van een boek van Alan Moore, bewerkt door de Wachowski Brothers, met Stephen Fry. De beste superheldenfilm met een sterke politieke boodschap.
3 Charlie and the Chocolate Factory: het topwerk van Tim Burton, die in iedere film een gothische wereld schept vol met Duits Expressionistische invloeden. Dit keer weer met Johnny Depp en Helena Bonham Carter. Nu geheel met liedjes en een freaky snoepmaker.
4  The Two Towers: Eigenlijk kan je de triologie van Peter Jackson en J.J.R. Tolkien niet uit elkaar halen. Allemaal spelen ze in een prachtig gemaakte wereld. Maar Two Towers is toch echt de beste.
5 Jesus Christ Superstar: toch een musical in de top 5. En wel over het leven van Jesus in een modern jasje geheel met een vertwijfelde verlosser.

Op vallend voor wie mij kent: geen science fiction. Al met al vallen science fictions tegen met name omdat er geen ruimte is voor de politiek complexiteit of de grote, meeslepende plots, die ik zo waardeer.

2015

De verkiezingsuitslag van 2011 staat eigenlijk al min of meer vast: het PVV en D66 winnen veel. GroenLinks een beetje. De ChristenUnie, VVD, PvdD en SGP blijft stabiel. SP, CDA en PvdA verliezen. Maurice zegt het, de Barometer zegt het. Dat zit er dik in. Dan weten we de coalitie ook al: Roti: CDA/VVD/D66/GL. Het hervormingskabinet, dat de verzorgingsstaat hervormt, snijdt in de bestuurlijke vetlaag, en misschien ook nog wat doet voor het klimaat (of niet Helma?).

Dan is de interessantere vraag: wat is de uitslag van de verkiezingen van 2015? Hoe reageren kiezers op 4 jaar progressieve hervormingspolitiek? Regeren is halveren zeggen ze bij D66. Je hebt in elk geval de grote kans om kiezers te verliezen, als er een alternatief voor ze open staat.

  • CDA: De grootste partij van de coalitie staat nu op ongeveer 30 zetels in de peilingen. Houdt de premier-bonus vast. Het CDA verliest wel wat maar niet veel. Ik schat dat ze zo’n 25 zetels overhouden.
  • VVD: Heeft zo’n 21 zetels in de peilingen. De tweede partij van de coalitie. De rechtsbuiten. Grote concurrentie op rechts van de PVV. Ze houden zo’n 15 zetels over.
  • D66: staat op 19 zetels in de peilingen. Als progressieve centrum partij drukt het een grote stempel op het beleid. Toch is regeren halveren voor D66. 9 zetels blijven over.
  • GroenLinks: staat nu op 11 zetels in de peilingen. De linksbuiten va de coalitie. Grote concurrentie op links van de SP en PvdA. Regeren is ook halveren met onze linkse broeders in de oppositie: 6 zetels.
  • PVV: heeft nu 23 zetels. Grootste oppositie partij tegen een progressief kabinet met veel islamknuffelaars en klimaathysterici. Ze winnen zo’n 10 zetels van CDA’ers en VVD’ers voor wie het kabinet te progressief is: 33. De grootste partij.
  • PvdA: heeft nu 17 zetels over. Een kabinet sloopt wat de PvdA in de laatste 60 jaar heeft opgebouwd. Linkse D66’ers en GroenLinks’ers wijken uit naar de PvdA. De PvdA wint zo’ 13 zetels uit deze hoek: 30.
  • SP: heeft nu 16 zetels over. Wint wat zetels van oud-linkse GroenLinkers. Gaat naar 18.
  • ChristenUnie: heeft nu 6 zetels. Wint er eentje van conservatieve CDA’ers voor wie dit hyperliberale kabinet toch misschien net te ver gaat.
  • PvdD: staat op 3 zetels. Er zullen groene GroenLinks’ers zijn die uitwijken naar deze diepgroene partij als een kabinet waarin GroenLinks junior partner is niet groen genoeg is. Van 3 naar 5.

In 20105 valt het kabinet van 82 zetels naar 54 zetels. Regeren blijft verliezen.

De situatie wordt voor GroenLinks anders als de alternatieve keuze zijn opgenomen in het kabinet. In een kabinet van CDA, PvdA, D66 en GroenLinks kunnen GroenLinks’ers moeilijk uitwijken naar de klassieke progressief-linkse alternatieven. Maar dat is voor CDA en D66 weer niet acceptabel want dan zit de VVD weer niet in het kabinet, waar zij kiezers aan kwijt kunnen raken.

Filosofie in Den Haag

Hoe filosofisch is het Binnenhof? Enerzijds is politiek snel
en dynamisch, misschien is er geen ruimte om filosofen aan te halen. Anderzijds
zijn filosofen als Plato en Aristoteles nog altijd actueel, misschien kan hun
werk bij dragen bij de normatieve beslissingen die ze moeten nemen. Ik heb eens
gekeken welke filosofen regelmatig worden aangehaald door kamerleden in
debatten in de Eerste en de Tweede Kamer.

Naamloos3
En eerlijk gezegd valt het me alles mee. Ik heb tussen 1994
en 2008 147 references gevonden naar 26 politieke filosofen die ik als
bijzonder invloedrijk beschouw: The Greats zoals Plato, Locke en Rawls. De
meest gerefeerde filosoof is Marx. Hij wordt 28 keer aangehaald. Een groot deel
daarvan (8) is door GL-ers. Oud-PSP’ers Vendrik en Platvoet verwijzen beiden
een paar keer naar Marx. Daarop volgt het CDA (6) en VVD (5), die dat bijna
nooit in positieve zin doet. De SP opvallend weinig (2). Adam Smith wordt na
Marx het meest aangehaald (16 keer), met name door VVD’ers. Daarop volgt J.S.
Mill (11 keer), waar D66’ers (4)
vaak naar verwijzen. Het is opvallend dat het niet de klassieke filosofen zijn
maar negentiende eeuwse politieke economen die het meest genoemd worden. Dat
zal wel met name te maken hebben met de achtergrond van het denken van de PvdA,
D66 en de VVD. Thomas van Aquino (8) , Aristoteles (7), Calvijn (5) en
Augustinus (5) zijn met name populair met name onder het CDA, SGP en CU.

Naamloos2
De meeste verwijzingen komen uit de hoek van de PvdA (28), D66
(23), GL, CDA en VVD (18). Dit zijn echter grote fracties, die veel aan het
woord zijn. De meeste verwijzingen naar filosofen per kamerlid(jaar) komt uit
onverwachte hoek: de  CD (0,23), SGP
(0,21) en de ChristenUnie (0,13). Kars Veling, Van den Berg en Van der Vlies
zijn alle drie goed voor 4 verwijzingen. Weinig filosofisch ingesteld zijn, als
we het per kamerlid bekijken, het CD (0,02) en het CDA (0,02). Om nog maar te
zwijgen over de PVV of de LPF met nul verwijzingen.

Naamloos1Als een kamerlid een filosofische verwijzing maakt, komt dat
eigenlijk eens per persoon voor. Er zijn maar een aantal kamerleden die het
gemiddelde aantal verwijzingen per persoon om hoog krikken. Met stip op 1 staat
Boris van der Ham, die in zijn eentje goed is voor 10 verwijzingen. Hij
verwijst met name naar liberale grootheden als Spinoza en J.S. Mill. Een
recente nieuwjaarsboodschap verraadde wederom zijn filosofische orientatie.
Andere veel-verwijzers zijn PvdA senatoren Jurgens (6 met name Cicero) en
Witteveen (6 met name Aquinas) en minister Van Middelkoop (5).  Echter ook minister Bos (4, onder andere
een memorabele naar John Rawl
s) en CU-kamerlid Veling (4, met een maidenspeech
tegen Rawls) kunnen er wat van.

Ten slotte: de Eerste Kamer maakt zijn naam als chambre de
reflexion waar: terwijl er twee keer zoveel tweede als eerste kamerleden zijn,
komt toch 51% van de verwijzingen uit de Eerste Kamer. Het debat is hier
misschien toch beschouwender en filosofischer. Een discussie over de finer
point
s van Martha Nussbaum’s autonomiebegrip tussen senatoren Van Beeten en
Dupuis in een debat over dwangbehandeling kan in dit verband niet ongenoemd
worden.

Gamma Canon: Consensusdemocratie

Het Gamma Canon is begonnen bij de Volkskrant. Na het canon van de geschiedenis en van de natuurwetenschappen, een overzicht van de belangrijkste begrippen uit de sociale wetenschappen. Een begrip dat mijns inziens zeker niet kan ontbreken is "consensusdemocratie". Bij deze dan alvast een outline voor een bijdrage.

Als je de Nederlandse kranten open slaat zou je het bijna vergeten: Nederland is -in vergelijkend verband- een consensusdemocratie. Een democratie waarin er ruimte is voor minderheden: waarin minderheden parlementaire vertegenwoordiging kunnen krijgen; waarin minderheden deel kunnen nemen aan coalitiekabinetten; waarin minderheden autonomie krijgen; en waarin minderheden worden beschermd worden door de grondwet en de rechter. Dit concept "consensusdemocratie" is ontwikkeld door de Nederlands-Amerikaanse politicoloog Arend Lijphart.

Nederland geldt als een van de sterkste voorbeelden van een consensusdemocratie: een meerpartijensysteem (op dit moment 11 partijen in het parlement) met coalitiekabinetten, waarin regelmatig "overbodige" partijen zitten (bv. D66 in Paars II). Een parlement verkozen met een extreem evenredig kiesstelsel dat (in vergelijkend verband) sterk staat tegenover het kabinet. Sociale partners worden betrokken bij de besluitvorming. Politieke besluiten zijn in Nederland niet slechts de wil van een partij, maar een uitgewerkt compromis tussen verschillende politieke partijen en maatschappelijke groeperingen. Het feit dat een kleine christelijke partij wiens maatschappelijke basis bestaat uit slechts 4% van de bevolking in Nederland mee regeert is een kenmerk van onze consensusdemocratie. In veel andere landen zou de ChristenUnie niet eens in het parlement kunnen zitten.

Tegenover een consensusdemocratie staat een meerheidsdemocratie. Daarin kan een partij, als het de verkiezingen wint het land regeren als een "gekozen dictatuur": de meerderheid hoeft macht niet te delen met minderheden, hoeft zich niets aan te trekken van het parlement. In zo’n democratie is macht niet verdeeld tussen een centrale en regionale laag en wordt de macht niet gecontroleerd door de rechter. Het Verenigd Koninkrijk wordt vaak gezien als het goed voorbeeld van zo’n democratie. Echter door bijvoorbeeld de vorming van regionale parlementen in Schotland en Wales, wordt dit land steeds meer een consensusdemocratie.

Een consensusdemocratie is niet alleen beter voor minderheden. Er zijn sterke statistische correlaties tussen consensusdemocratie en een heel aantal positieve kenmerken: er is een beter milieuzorg, hogere economische groei, minder stakingen, minder politieke moorden en meer ontwikkelingssamenwerking in consensusdemocratieeen dan in meerderheidsdemocratieeen. In de politieke wetenschappen gold consensusdemocratie daarom jarenlang als het voorbeeld: daar moesten we naar streven.

Er is echter ook een schaduwkant aan consensusdemocratieen: als verschillende partijen in een coalitie samen compromissen moeten verdedigen, wordt het lastig onderscheiden te zien tussen de grote politieke partijen. Daarnaast is het kiesstelsel vaak relatief open voor nieuwe partijen. Die twee factoren zorgen ervoor dat consensusdemocratieen grote populistische partijen krijgen: het zijn landen als Nederland, Oosterrijk, Belgie, Zwitserland en Italie allemaal consensusdemocratieen, waar rechtse populistische bewegingen het grootste zijn. De keerzijde van een democratie waarin alle minderheden mee kunnen beslissen, is dat dan ook populistische minderheden invloed krijgen.

5 jaar later

Net naar Femke Halsema gekeken in Vijf Jaar Later, met de een-dag-geen-tv-maar-dus-uitzending-gemist-vertraging. Een interessant interview, waar ik toch tweel kanttekeningen bij wil plaatsen:

Drie stippen aan de horizon

Sinds het laatste congres spreekt Femke Halsema waar het gaat om regeringsdeelname in een drieslag: groene banen, sociale hervormingen en het aanpakken van de bestuurlijke vetzucht. Toen al, maar zeker na deze herhaling vind ik het laatste punt erg raar: bestuurlijke vetzucht? Jarenlang werd er binnen GroenLinks gezocht naar een tweede thema, "Groen plus". Milieu & klimaat hebben we, maar wat is het tweede thema van GroenLinks? Sociaal was altijd een moeilijk onderwerp, want we zijn links net als de PvdA en de SP. Maar nu met de hervorming van de AOW, blijkt dat GroenLinks een steeds helderder profiel heeft: sociale hervormingspartij tegen over het conservatisme van de SP en de twijfel van de PvdA. We probeerden het met de WW en het ontslagrecht, we hadden een ijzersterk voorstel voor de AOW, maar straks met de 20% bezuinigingen is dat echt nodig: een sociale hervormingspartij die links en progressief is.

Maar wat doet Halsema nu? Ze lijkt door te slaan. Het tweede thema is gedekt, maar ze schiet door naar een derde thema: bestuurlijke vetzucht. Iedere partij is tegen bureaucratie, maar het past erg bij populistisch rechts: VVD, LPF, PVV. Minder ambtenaren met linkse plannetjes. Halsema heeft zelf echter "weinig populistische aanleg". Maar nu met de bezuinigingen denkt GroenLinks het thema "minder ambtenaren" te kunnen claimen: minder ministeries, minder bestuurslagen. Weg met het waterschap en weg met de minister van Jeugdzorg! Zelfs als daar ruimte is voor sociaal en groen beleid. Daarnaast is er geen beter derde thema voor GroenLinks: vrijzinnigheid? emancipatie? tolerantie? globalisering?

En is Small niet Beautiful? Is twee niet genoeg? groen werkt & progressief op sociaal?

Macht & Tegenmacht

Een van de mooiste uitspraken van Halsema vijf jaar geleden was "als ik me wel heb laten verleiden door de macht, dan vind ik
mezelf niet veel waard." Pauw deed hier helemaal niets mee. Zonder context kan je natuurlijk niet zo veel met die uitspraak. Het is wel een rare uitspraak voor iemand die nu een partij leidt die nu zo expliciet zich presenteert als "klaar voor de macht".

Maar we kunnen de uitspraak wil in de context van Halsema’s intellectuele ontwikkeling plaatsen: in 1997 zei Halsema toen ze de PvdA verliet: de PvdA was te zeer een bestuurs- en machtspartij geworden. "Het belang dat wordt gehecht aan continuering van de regeringsmacht, maakt de ruimte voor alternatieve opvattingen heel gering." Het breekpunt voor Halsema was de manier waarop de PvdA omging met de demonstranten bij de EU top in Amsterdam in 1997: "Er was zo weinig gevoel voor
wat die demonstranten bewoog!
" (volkskrant 1997). Anders dan de top van de PvdA had Halsema sympathie voor de tegenmacht van deze (Euroskeptische) demonstranten. Nog geen vier jaar geleden kwam Halsema’s lastige relatie met de macht weer naar voren in een Volkskrant interview: "Ik hoor bij de tegenmacht, ik houd van het parlement" (volkskrant 2006). In dat zelfde jaar introduceerde Halsema echter ook de karakterisering van GroenLinks als "ideeënpartij op zoek naar macht" (volkskrant 2006).

Halsema verliet de PvdA die teveel een machtspartij was geworden zonder eigen ideeen. En vormde GroenLinks om tot die ideeenpartij op zoek naar macht. Ze wil zich dus niet laten verleiden door de macht, maar misschien wel de macht verleiden om zich in te zetten voor haar ideeen. In dit beeld is GroenLinks een partij moet niet in de regering gaan om macht zelf, maar om wat ze daar kan bereiken.

Dat klinkt als een prima verhaal: maar zou Wouter Bos daar echt anders over denken? Hij zit toch ook in de politiek omdat "dit land zoveel beter kan"?

Wat de peilingen niet laten zien…

In het Nederlandse politieke spectrum zijn er grote verschuivingen zichtbaar: D66 is in enkele jaren van 3 zetels naar 21 gestegen, de vrije val van de PvdA lijkt geen onder grens te hebben. Maar er is een stabiele factor in Nederland: dat is het SGP. Sinds 2002 staat die partij in iedere peiling en iedere verkiezing op 2 zetels in de Tweede Kamer. Ik denk dat die stabiliteit op dit moment schijn is en dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat het SGP nog wel eens een of meer zetels kan winnen.

Ik heb hiervoor twee aannames nodig:

  1. De SGP kan slecht worden gepeild;
  2. en ontevreden ChristenUnie stemmers moeten ergens heen.

Een peiling is niet zomaar een aggregatie van de mening van 1000 willekeurig geselecteerde Nederlanders. Zo wordt een peiling vaak uitgevoerd per telefoon of internet. Mensen die geen internet hebben, mensen die geen telefoon op nemen, of mensen die niet maatschappelijk betrokken genoeg zijn om drie vragen te beantwoorden. Orthodox Christelijke kringen vallen in twee van die drie categorien lijkt me: minder telefoons en minder internet. Daarnaast lijken orthodoxe Christenen ook in aantal categorieen zitten die zich moeilijk laten bellen (bv. grote gezinnen, die rond etenstijd te druk zijn voor enquetes) en minder internet hebben (ouderen). Dus het is heel moeilijk om orthodox Christelijke kringen goed te peilen. Daarom wordt daar vaak in een peiling om heen gebouwd. Zo kan er van alles gewogen worden. Maar doen moet je wel weten hoe groot je denkt dat zo’n partij ongeveer wordt. Dus is de schatting van het aantal SGP-stemmers gedeeltelijk geconstrueerd. Een andere aanvliegroute, is het  verhaal dat mij ooit door een SGP-campaigner is verteld: ze gebruiken daar geen peilingen omdat in de peilingen de 1.7% van de SGP altijd wordt gebruikt om de peilingen te ijken: is dat meer of minder dan klopt de peiling niet. Hoe dan ook: peilingen zijn een heel slecht middel om verschuivingen in orthodox Christelijk kring waar te nemen.

Daarnaast: er moeten ontevreden ChristenUnie stemmers zijn. De ChristenUnie is de junior partner in een onpopulair kabinet.

  • De ChristenUnie is de kleinste partner in een kabinet dat weinig klaar speelt. De ChristenUnie ministers spelen geen van allen de sterren van de hemel. Eerder worden hun namen geassocieerd met fouten en stilstand: Rouvoet weet de jeugdzorg niet op orde te krijgen, Huizinga stuntelt met de OV-chip kaart en van Middelkoop lijkt niet de leiding te hebben op het gebied van defensie. De beloften die de partij in 2006 maakte op het gebied van jeugdzorg en milieu zijn niet waar gemaakt.
  • De ChristenUnie moet heel wat slikken op ethisch gebied (abortus, euthanasie en homo-huwelijk), toch belangrijke thema’s: een moratorium op nieuw beleid werd er in 2007 afgesproken, maar onder tussen probeert de PvdA en met name de liberale oppositie toch aan die afspraken te zagen. Hoe dan ook, wat de achterban eigenlijk wilt: terug draaien van de wetgeving is niet gelukt.
  • Op de moeilijke culturele thema’s neemt de ChristenUnie een ambigue positie in: wel voor de Europese Grondwet, maar toch tegen Euroskeptische campagne voeren; en voor behoud van de Christelijke identiteit van Nederland, maar toch instemmen met het softe migratie- en integratiebeleid van de PvdA.

Het kabinet staat duidelijk onder druk: de peilingen laten grote verschuivingen zien vanuit de PvdA en het CDA richting de PVV. Maar er is een andere oppositiepartij met een anti-Islamitisch en Euroskeptisch geluid. Een partij die dit echter combineert met een Christelijke retoriek. Een partij die zich wel uitsprak tegen minaretten die bijdragen aan "gevoelens van vervreemding en van aantasting van de historische Nederlandse identiteit"; die net als de PVV meent dat de islam een bedreiging voor de rechtsstaat is. Maar ook een partij die zich nog steeds uitspreekt tegen homohuwelijk, abortus en euthanasie. De Staatkundig Gereformeerde Partij.

Maar die orthodoxe Christenen zijn toch zou trouw aan hun partij? Dat
is natuurlijk niet helemaal waar. De RPF en de GPV zijn juist ontstaan
uit splitsingen. Orthodoxe Christenen zijn met name trouw aan hun
principes, die in dit kabinet er niet goed uit komen.

Maar de ChristenUnie staat toch op winst? Inderdaad voorspellen de peilingen een lichte winst voor de ChristenUnie: maar een partij kan zetels verliezen aan de ene kant en winnen aan de andere kant: denk aan de VVD leeg getegen door Wilders maar nu opgevuld met ontevreden CDA’ers.

Er is dus goede reden om aan te nemen dat deze partij bij de komende Tweede Kamerverkiezingen gaat winnen. Niet veel 1 a 2 zetels. Maar toch: in de peilingen zie je de ontwikkeling niet, maar het zou best kunnen gebeuren.

Solidariteit

Wat is solidariteit? Ik had vrijdag op de DWARS reunistenborrel een discussie over het woord solidariteit. Een kernbegrip voor linkse politiek. Maar wat betekent het eigenlijk?

Simpel gesteld is solidariteit eenheid tussen individuen verenigd door een gemeenschappelijk doel. Daar heb je politiek gezien weinig aan. Het stelt niet wat mensen verenigd en wat ze over hebben voor hun eenheid. Dan zijn alle politieke partijen solidair omdat hun leden verenigd zijn door hun politieke idealen, en dan zijn ze allemaal voor solidaire politiek, omdat ze een doel voor Nederland hebben waar ze de bevolking achter willen krijgen.

Dus misschien moeten we eens kijken naar een organisatie waar solidariteit bij uitstek een rol heeft: de vakbond. Een vakbond is een organisatie waar de leden (werknemers) verenigd zijn met een gemeenschappelijk doel. Door samen met werkgevers te onderhandelen kunnen de lonen op een hoger niveau leggen dan als ze alleen onderhandelen. Samen staan ze sterk tegenover de werkgevers.

Maar is solidariteit dan niets meer dan verenigd worden door eigen belang? In zekere zin is een vakbond een opmerkelijke organisatie. Het onderhandelingsresultaat (de CAO) wordt algemeen bindend verklaard. Voor iedereen, vakbondslid of niet. Dus hebben veel mensen geen reden om lid te worden van een vakbond: ze krijgen het hogere loon toch wel. Solidariteit kan dan betekenen dat mensen het wel op nemen voor hun gezamelijk belang, zelfs als ze dat rationeel niet zouden moeten, door lid te worden van een vakbond.

Dat leidt tot een belangrijk aspect van het begrip solidair: dat je je eigen belang juist ontstijgt en het opneemt voor de leden van de groep, die er misschien minder goed voor staan. Dus dan delen we samen de kosten die mensen op lopen vanuit ziekte of werkeloosheid. Volksverzekeringen zijn dan solidair: we dragen gezamelijk de kosten, maar lopen heel andere risico’s: mensen die gevaar lopen ziek te worden en gezonde mensen dragen allemaal even veel bij.

Het kernvoorbeeld van het eigen belang ontstijgen is internationale solidariteit: we geven geld aan mensen die we niet kennen uit een ander land zodat zij hun land kunnen opbouwen en ontwikkelen, omdat we verbonden worden als mensen. Dat leidt meteen tot een volgend punt: lotsverbondenheid. Dat mensen zich aan een groep verbonden voelen, hun toekomsten aan elkaar verbinden. Verbondenheid gaat maar zo ver: mensen uit het zelfde land voelen zich meer verbonden aan elkaar dan mensen uit verschillende landen.

Solidariteit is dus dat een groep mensen het samen op neemt voor elkaar, waarbij mensen hun eigen belang overstijgen en hun toekomsten aan elkaar verbinden.

Het is belangrijk om solidariteit te onderscheiden van drie andere begrippen:

  • eigen verantwoordelijkheid: dat de leden van de groep het alleen op nemen voor zich zelf, waarbij mensen slechts letten op hun eigen belang.
  • naastenliefde: dat de leden van de groep hun eigen belang overstijgen maar niet vanuit een gevoel van verbondenheid met de groep, maar vanuit hun verbondenheid met een individu. Naastenliefde is een op veel kleiner schaal, dan solidariteit. Bij solidariteit verdwijnt de identiteit van de individuele leden en is er alleen nog maar groepslidmaatschap, dat ertoe doet.
  • reciprociteit: dat leden van een groep hun eigenbelang niet overstijgen maar toch deel uit maken van de groep, omdat ze erop rekenenen dat ze evenveel uit de samenwerking krijgen als dat ze erin deden.
  • sociale rechtvaardigheid: voor deze exercitie had ik geen onderscheid gemaakt tussen sociale rechtvaardigheid en solidariteit. Maar solidariteit is een veel beperkter begrip dan wat ik sociale rechtvaardigheid zou noemen. Laat ik een voorbeeld geven: als vijf vrienden uit eten gaan en ze delen uiteindelijk de rekening door vijf. Dan is dat zeker solidair: ze dragen samen de kosten van hun eten. Maar het is niet per se sociaal rechtvaardig, dan zou er een principe van rechtvaardigheid nodig zijn om te bepalen hoe ze de kosten dragen: bijvoorbeeld dat ze letten op wat iedereen verdient of wat iedereen gegeten heeft.

Dick Pels directeur van het Wetenschappelijk Bureau

Dick Pels wordt directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. Welkom en opmerkelijk nieuws.

Pels is op dit moment een van de meest prominente progressieve, linkse denkers van Nederland, alhoewel hij zichzelf liever als "sociaal-individualist" beschrijft. Sinds 2004 neemt hij een steeds prominentere rol in het publieke debat in Nederland in. Hij publiceerde in dat jaar in progressief manifest, waarmee hij de "leegte op links" wou opvullen. Vrijzinnige en linkse idealen moet met elkaar in balans gebracht worden. Vrijheid staat voor Pels centraal, maar dit moet geen schaars goed zijn. Solidaire politiek is daarom  nodig. Pels pleit voor "Socialisme ter wille van het individualisme", in navolging van de dwarse socialist Jacques de Kadt. Deze ideeen over de relatie tussen vrijheid en gelijkheid, over de relatie tussen socialisme en liberalisme komen in grote mate overeen met mijn eigen ideeen hierover. Pels past prima in het profiel van GroenLinks als de meest progressieve en linkse partij van Nederland. Deze visie vertaalt zich in innovatieve ideeen over belonings- en inkomenspolitiek (waar hebzucht moet worden vervangen door eerzucht) en over de Nederlandse identiteit (waar zekerheid moet worden vervangen door twijfel). Goed onderbouwde standpunten die een welkome vernieuwing en verdieping geven aan het GroenLinks programma.

Toch is Pels’ benoeming opmerkelijk: ten eerste waar het gaat om partijpolitiek heeft Pels zich eerder uitgesproken voor een nieuwe verband: de Vrijzinnig Democratische Bond zou heropgericht moeten worden. Dit nieuwe verband zou de progressieve elementen uit de PvdA, GroenLinks, D66 en de VVD moeten opnemen. Het bleef niet alleen bij ironische speeches. Pels’ Waterland Stichting werkt(e) serieus aan een nieuw verkiezingsprogramma voor deze VDB. De Waterland Stichting herpubliceerde het beginselprogramma van de VDB "Wat Vrijzinnig Democraten willen". Allemaal gericht op een nieuwe brede progressief linkse beweging. Gedeeltelijk werd Pels’ beweging ingehaald door de politieke realiteit. Toen het initiatief begon was links in crisis. De vorming van een nieuw progressief-links verband was misschien een optie. Maar met de herrijzenis van D66 lijkt er een nieuw breed progressief verband te ontstaan: D66. Pels kiest echter nu voor GroenLinks, en niet voor D66.

Maar het gaat verder, Pels schrijft niet alleen maar over economische en culturele politiek, maar ook over de politiek zelf. In het debat over de personalisering van de politiek en de ontwikkeling van het populisme,
neemt hij een bijzondere positie in. Pels toont zich voorstander van de
personalisering van de politiek, omdat dit een nieuwe binding tussen
kiezer en politiek kan vormen, in plaats van het verouderde stelsel van
partijen. Populisme ziet hij als een welkome ontwikkeling omdat dit
voorkomt dat een regentenklasse ontstaat. Dat sluit moeilijker aan bij
de positie van GroenLinks: het is immers een politieke partij die zich
in een steeds ingewikkelder politiek landschap probeert staande te
houden. Een democratische partij, geen populistische beweging. Een
ideeenpartij, geen een-persoonsbeweging. Het is op z’n minst opmerkelijk dat iemand die zich zo skeptisch heeft uitgesproken over de huidige partijpolitiek nu binnen een van die partijen zo’n prominente plek in neemt.

Ik denk dat het debat binnen GroenLinks er een stuk interessanter op wordt nu deze prominente progressieve denker directeur van het wetenschappelijk bureau wordt.

The Square Root Parliament

Kent u  Ans Willemse-Van der Ploeg? Agnes Wolbert? Paul de Krom? Of Henk van Gerven? Alle vier Tweede Kamerleden. U kent ze niet, want het zijn niet de meest publieke figuren. In de grote fracties van het CDA, de PvdA, de VVD en de SP kan niet iedereen woordvoerder zijn over prominente onderwerpen. En dan is er een derde woordvoerder consumentenzaken nodig. Van de 150 kamerleden zijn er misschien wel 50 teveel: dat zorgt voor debatten met 12 woordvoerders over detail onderwerpen. Dat is niet goed voor de politiek.

Daarom zag ik wel wat in de oproep van AJ Boekestijn om terug te gaan naar 100 zetels. Gewoon de 50 kamerleden terug sturen naar de gemeenteraden, wethoudersposten en burgemeesterschappen van plattelandsgemeenten waar ze vandaan kwamen. Tot ik me realiseerde dat dat inhoudt dat die partijen die kleur en smaak geven aan de kamer daardoor zwaar geraakt worden: de PVV gaat terug naar 6, de CU terug naar 4 en D66 naar 2. Dat zijn al partijen die moeilijk hun woordvoerders naar alle debatten kunnen sturen, die moeilijk aan het sociale en parlementaire debat kunnen mee deel nemen. Dat betekent dat kamerleden als Barry Madlener, Tofik Dibi en Boris van der Ham nooit verkozen zouden worden.

Dus hoe kunnen we die twee belangen balanceren? Dat de kleine partijen niet geschaad worden door een verkleining van het parlement? En we toch een efficientere Kamer krijgen? Ik denk dat we de oplossing moeten zoeken in een wiskundige truuk die vaak wordt gebruikt om getallenreeksen af te vlakken: worteltrekken. Het verschil tussen wortel 2 en wortel 3 is groter dan het verschil tussen wortel 33 en wortel 34. Als we nou simpel weg partijen in plaats het precieze percentage zetels geven dat ze stemmen hebben, partijen een aantal zetels geven dat afhankelijk is van de wortel van het aantal stemmen (maal een factor om ervoor te zorgen dat er 100 zetels zijn), dan is het aantal saaie grijzen muizen en het aantal smaakmakende parlementarier zo in balans gebracht.

Ik vind overigens wel dat het aantal stemmen dat partijen hebben in de kamer evenredig moet blijven aan het aantal stemmen van de bevolking. Aangezien dat Nederlandse parlementariers eigenlijk altijd mee stemmen met hun fractie is er geen probleem: ook bijvoorbeeld in de Europese raad en de Duitse Bundesrat is er geen relatie tussen het aantal vertegenwoordigers en het aantal stemmen per (bundes)land. 

Sqrt_parliament
In het figuur hiernaast zie je een vergelijking: het huidige parlement met 150 zetels. Het model Boekestijn waarbij 50 zetels zo worden opgeheven. En het wortel-model. Blauw is de huidige Tweede Kamer. 41 zetels voor het CDA en 2 zetels voor de SGP.
Rood is het simpele 100 zetels model. Alle partijen gaan gelijk naar beneden: het CDA heeft 26 zetels, de PvdA 21, en D66 naar 2 en ChristenUnie naar 4. Groen is het wortel model: het CDA gaat naar 21, de PvdA naar 18. De SGP krijgt er zelfs een zetel bij (3), de PvdD zelfs naar 4. D66 krijgt er ook een zetel bij. De ChristenUnie en GroenLinks blijven gelijk, terwijl het CDA (-20) en de PvdA (-15) veel minder grijze muisen erbij krijgen.

Dus: Dag Ans, Agnes, Paul en Henk! Welkom Elbert, Bernd, Bert!

Landelijke trends Leids vertaald

Ik ben al een tijdje bezig met het perfectioneren van mijn lokale fingerspitzenpeilingen. Ik heb nu een model gemaakt dat op basis van eerdere verkiezingen landelijke peilingen naar de Leidse situatie vertaald om dan vervolgens daar op basis van de mening van verschillende watchers van de Leidse gemeentepolitiek een bonus of malus aan toe te voegen voor lokale omstandigheden. Als basis gebruik ik het gemiddelde van de peilingen van Maurice en de Politieke barometer. Het levert een interessant beeld op voor de laatste twee maanden:

Links6decOp links: sinds eind oktober oscilleren de PvdA, SP en GroenLinks alledrie rond de 13% van de stemmen genoeg voor 5 zetels. Soms iets meer, soms iets minder. Dat zou een zwaar verlies voor de PvdA beteken, een licht verlies voor de SP en lichte winst voor GroenLinks. Links doet het na alle verrekening beter in Leiden dan in de rest van Nederland. Zij ze in Leiden samen goed voor zo’n 40% van de stemmen, landelijk is dat zo’n 30%. Op basis van de laatste peilingen eindigen ze allemaal op 5 zetels.

Untitled_image_5
In het midden: drie min of meer constante lijnen voor de drie middenpartijen CDA, D66 en CU. D66 op eenzame hoogte met 21% van de stemmen (8-9 zetels). Het CDA is goed voor zo’n 11% (4-5 zetels). En de ChristenUnie 5% (2 zetels). Voor D66 betekent dit verdrievoudiging. Voor het CDA licht verlies en voor de ChristenUnie stabiliteit. D66 doet het beter in Leiden dan in de rest van Nederland, maar dat is eigenlijk altijd zo. Het CDA doet het aanzienlijk slechter en de ChristenUnie doet het net iets slechter.

Untitled_image_6
En ten slotte op rechts: Daar is de enige echte trend zichtbaar. De kiezers lopen weg van Leefbaar Leiden en Stadspartij Leiden Ontzet, terwijl de VVD groeit. De VVD heeft in de laatste twee maanden 3% van de stemmen gewonnen en 2 zetels: met 16% en 7 zetels zijn ze de tweede partij van Leiden. Ze komen steeds dichter bij D66. De Leefbaren zijn gezakt van 8% naar 7% en Leiden Ontzet van 3% naar 2%. Bij de Leefbaren betekent dit een zetel verlies. De Stadspartij verdwijnt onder de kiesdrempel. Hiermee wordt de landelijke winst van de VVD en het lichte verlies van populistisch rechts ook in het Leidse weerspiegelt.

Korte samenvatting: de conservatieve en progressieve liberalen gaan het in Leiden winnen van de socialisten en sociaal-democraten.