Pluralisme & Liberalisme

Al eerder schreef ik lovend over Amartya Sen en Rutger Claassen, als invloedrijke liberale filosofen. Echter Sen en Claassen hebben een moeilijke, kritische relatie ten opzichte van het liberalisme. In zekere zin zijn Sen en Claassen’s posities eerder pluralistisch dan liberaal. Zij stellen niet zo zeer de waarde vrijheid centraal als absoluut principe, maar zijn leggen een nadruk op een veelvoudigheid van rechtvaardigheidsprincipes en waarden,

Er zijn verschillende manieren om het begrip pluralisme in te vullen, misschien is het verhelderend om eerst dit begrip pluralisme uit te werken, om vervolgens te laten zien waar de frictie tussen het pluralisme en liberalisme zit.

  • Moreel Pluralisme: dit houdt in dat er in de samenleving ruimte is voor een veelvoud aan opvattingen van het goede leven. Tolerantie voor verschillende opvattingen van het goede leven is de kern van het liberalisme. Denk aan John Locke en zijn Letter concerning Toleration.
  • Goederenpluralisme: dit houdt in dat het goede leven niet opgevat kan worden als een enkele staat, handelingen of vermogen (gelukkig zijn, kunnen kiezen etc.) maar dat juist verschillende staten, handelingen of vermogens samen het goede leven constitueren. Dit is de kern van de kritiek van Sen op het liberalisme. Volgens hem draaien principes van verdelende rechtvaardigheid niet zo zeer om het verdelen van geld, maar om het verdelen van de mogelijkheid om deze waardevolle staten, handelingen en vermogens.
  • Sferisch Pluralisme: dit houdt in dat er verschillende principes van
    rechtvaardigheid van toepassing zijn op verschillende sociale sferen. Dit is de centrale stelling van  Walzer‘s Spheres of Justice.
    Waar het gaat om de verdeling van inkomen gelden er andere principes
    dan waar het gaat om de verdeling van gezondheidszorg of politieke
    macht. Dit is vrij intuitief: we vinden dat politieke macht gelijk
    verdeeld moet worden (gelijk stemrecht), maar we vinden dat inkomen
    verdeeld moet worden op zo’n manier dat arbeidsprestatie daarbij een
    rol speelt. Claassen leest ook Hannah Arendt‘s the Human Condition op deze manier.
  • Principe pluralisme: dit houdt in dat er niet een absoluut principe geldt waarop alle politieke beslissingen gebaseerd zouden moeten zijn: niet een principe van rechtvaardigheid maar meerdere. Dat vindt je vaak terug bij politieke partijen. Het PvdA beginselprogramma noemt vijf uitgangspunten: Vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, duurzaamheid en solidariteit. Deze principes bestaan naast elkaar. Standpunten van de de PvdA worden gebaseerd op een afweging van deze vijf principes.

Moreel en goederenpluralisme draaien om ethiek: de erkenning dat er een veelvoud aan verschillende waardevolle manieren zijn om je leven in te vullen. Principe en sferisch pluralisme draaien om politiek: de erkenning dat er meer dan een principe van rechtvaardigheid is.

Er is een sterke spanning tussen moreel en goederenpluralisme. Moreel pluralisme stelt dat de overheid zich niet moet bemoeien met hoe mensen hun eigen leven in vullen. Mensen met het recht hebben om zelf vorm te geven aan hun eigen leven en daar moet de culturele ruimte voor zijn. Goederenpluralisme stelt dat mensen in hun leven de ruimte moeten hebben om verschillende waardevolle toestanden te bereiken. De crux zit echter in de manier waarop goederenpluralisme vaak wordt vorm gegeven. Martha Nussbaum heeft een lijst opgesteld van waardevolle staten en handelingen, die de overheid moet ondersteunen: deelname aan de samenleving, politieke macht, een gezond leven, etc. Zo’n lijst is echter niet neutraal ten opzichte van ideeen van het goede leven. Bepaalde vermogens worden wel als waardevol aangewezen (deelname aan de samenleving) maar andere niet (werken, kunst produceren of zien, maar ook een lange dag op de bank hangen). Daarmee is het niet meer neutraal ten opzichte van ideeen van het goede leven. Sommigen worden bevoordeeld anderen worden niet erkend. Maar zelfs als Nussbaum’s lijst laten voor wat het is, is Sen’s positie moeilijk te verenigen met moreel pluralisme: Sen stelt dat een goed leven bestaat uit verschillende waardevolle vermogens en staten. Maar wie is Sen om te bepalen dat geluk of vrijheid niet het summum bonum is voor een individu? Juist dat dat kan iemand in een tolerante samenleving zelf bepalen, dat moet niet van boven gedecreteerd worden. Claassen, Sen en Nussbaum laveren tussen de positie van de ethicus (die bepaalt wat goed is) en de politiek filosoof (die bepaalt wat rechtvaardig is).  Een moreel pluralist kan dus geen goederenpluralist zijn.

Sferisch en principe pluralisme zijn veel lastiger om "uit te schakelen". Ik meen dat deze niet zo zeer fundamenteel onjuist zijn, maar een teken zijn van een weinig doordachte filosofie. Waarom zou niet principe van rechtvaardigheid (of een set principes zoals Rawls voorstelt) genoeg kunnen zijn? Dat vereist gewoon dat je door denkt. Ik vind zelf dat moreel pluralisme een heel ver komt als hoofdprincipe van rechtvaardigheid: de centrale notie dat mensen zelf hun eigen leven moet kunnen vorm geven en dat zij daarvoor de politieke rechten, de economische middelen en de culturele ruimte voor moeten krijgen. Voor mij geldt dat uitgangspunten als solidariteit, duurzaamheid, diversiteit, vrede en democratie hier uit afgeleid worden. Sferisch pluralisme is dan ook niet meer nodig: het principe van moreel pluralisme geldt als hoofdprincipe bij de verdeling van vrije tijd, werk, inkomen, onderwijs en zorg.

Kwaliteit van Leven

Ik ben bezig Amartya Sen te herlezen. Deze Indiase filosoof is een van de meest innovatieve denkers binnen de politieke filosofie die een sterke invloed heeft op het hedendaagse liberalisme en utilisme. Voor zijn denkwerk binnen de welvaartseconomie heeft hij een nobelprijs gekregen

Sen bendrukt dat als we na denken over herverdeling we ons dan niet moeten richten op geld. Bij herverdeling zijn dit slechts middelen om iedereen instaat te stellen een gelijke kwaliteit van leven te bereiken. Sen stelt voor kwaliteit van leven op te vatten in termen van "waardevolle" handelingen en toestande: Sen noemt dingen als lichamelijke en geestelijke gezondheid, kritisch reflecteren, deelname aan politieke besluitvorming. Samen vormen deze een waardevol leven. Als we geld herverdelen dan gaat het ons eigenlijk om een eerlijke verdeling van deze waardevolle vermogens. Dit wordt wel de capability-approach genoemd.

Ik heb het altijd lastig gevonden om te begrijpen wat deze "kwaliteit van leven" precies inhoudt. Het is wel belangrijk, maar het is heel moeilijk om onder woorden te brengen wat daarmee wordt bedoeld. Dat is tot dat ik een bril kreeg. Hiermee kan ik heel direct hoe goed ik mijn wereld kan waarnemen. Met bril zie ik beter dan zonder bril. Het is maar een klein verschil, maar het is wel heel direct waarneembaar voor mij. Dat gaat niet om het geluk dat je krijgt van eten van een reep chocolade. Je kan dat moeilijk in geld uitdrukken. Het gaat om een waardevolle toestand, het vermogen om de wereld om je heen waar te nemen.

Je kan ingewikkelde boeken en artikelen lezen over begrippen als kwaliteit van leven. Luisteren naar colleges over wat geluk en welzijn in houden. Maar dat soort dingen kan je eigenlijk alleen begrijpen door het te ervaren.

GroenLinks Lokaal

Nadat ik op wikipedia een aantal artikelen had geschreven over GroenLinks wethouders in grote steden die op landelijke lijsten hebben gestaan (bv. Lenie Scholten, Saskia Bolten, Gon Mevis, Bart Eigeman) begon ik me af te vragen of er patronen zaten in hoe GroenLinks deelneemt aan colleges. Ik heb daarvoor even gekeken naar de samenstelling van de Colleges van B&W in de 25 grootste gemeenten. 

In alle 25 grootste gemeenten zit GroenLinks in de raad. Dat varieert van 1 zetel (Emmen) tot 7 (Amsterdam). GroenLinks zit 17 keer in het college. Bijna altijd met 1 wethouder. In twee gemeenten met twee wethouders (Nijmegen en Amsterdam).

Als GroenLinks in het college zit is dat altijd, ten minste in deze grote steden, met de PvdA. Naast de overlap die er is tussen het GroenLinks programma en het PvdA programma in het algemeen spelen hierbij een aantal factoren: de PvdA zit in al die grote steden in het college zeker na de verkiezingen van 2006 was het een macht waar je niet om heen kon. De PvdA kon GroenLinks uitnodingen om de balans tussen links en rechts in het college te bewaren. We regeren veel vaker met het CDA (11 keer) of de VVD (7 keer) dan met onze linkse broer SP (4 keer) of de groen/sociale ChristenUnie (3 keer). In totaal zitten we 12 keer in het college zonder de SP maar met het CDA en/of de VVD.

Er is een zeer zwakke relatie tussen hoe sterk we in deze steden zijn of we mee regeren (Pearson’s R 0.14). In sommige gemeenten staan we buiten het college als een van de grootste partijen (bv. in Utrecht). Soms regeren we mee als een kleinste fracties (bv. in Rotterdam). Hoe goed GroenLinks het heeft gedaan in de verkiezingen of de partij mee regeert lijken dus twee verschillende vraagstukken.

GroenLinks neemt vaak de milieu portefeuille op zich (10 keer) en/of gerelateerde "groene" portefeuilles als mobiliteit & verkeer of natuur/openbare ruimte. Daarnaast richten we ons vaak op integratie & emancipatie (6 keer) dan wel zorg & welzijn (5 keer). Gerelateerde "progressief-sociale" portefeuilles als onderwijs (4 keer) of cultuur (ook 4 keer) komen ook voor. Ik ben geen GroenLinks wethouder voor werk & inkomen tegen gekomen. Dat is toch zeer opvallend omdat die onderwerpen de kern vormen van onze sociale agenda. Daar speelt deelname van de PvdA waarschijnlijk weer een belangrijke rol: het is (ook) hun portefeuille.

Dus welke algemene patronen vallen het meest op? GroenLinks is de groen-progressieve bijwagen van de PvdA in centrum-linkse colleges. Een milieu partij die zich niet bezig houdt met de kern van linkse politiek (werk & inkomen). Een partij die liever regeert met rechtse partijen als de VVD en het CDA dan met de SP. 

Partijbestuur, Partijbestuur

In mijn zoektocht naar lijsten van stemmingen in de Tweede Kamer kwam ik op de serie Parlement & Kiezer. Deze boekjes, die tussen 1913 en 1999 ieder jaar uitkwamen, staan vol met interessante politieke feitjes. Naast -niet al te handig weer gegeven- stemmingslijsten van de Tweede Kamer zijn bijvoorbeeld ook verkiezingsprogramma’s integraal op genomen.

Maar ook lijsten van de samenstelling van partijbesturen. Veel informatie die in de boekjes staan kan je op een andere manier handiger vinden maar een integraal overzicht van de samenstelling van partijbesturen en bij sommige partijen zelfs de partijraden had ik nog niet eerder gezien. Partijvoorzitters zijn makkelijk te vinden. Maar hele partijbesturen! Ik heb de GroenLinks besturen meteen maar op wikipedia overgenomen. Helaas is voor de periode 1999 – 2005 moeilijk de juiste informatie te vinden.

Opvallend is dat een groot aantal GroenLinks partijbestuurders door groeit in het politieke werk: Platvoet, Karimi, Vos, Lagendijk, Pormes, Harrewijn, De Rijk, Ozutok en Diks kwamen allemaal na hun tijd als partijbestuurder in een parlement te recht. Erik Meijer ook maar die werd bestuurder voor de PSP. Anderen groeien door in het lokale bestuur: Wiebosch werd burgemeester, Van Poelgeest, Grashoff en Scholten wethouder.

Opvallend is ook hoe verschillende partijen hun besturen organiseren. De PPR had een klein bestuur met veel vrije bestuursleden. De CPN had volgens de principes van het democratisch centralisme een reusachtig bestuur met daarin een dagelijks bestuur dat echte touwtjes in handen had. De PSP daarentegen had een een middelgroot bestuur met bestuursleden met helder omschreven taken: propagandisten, aktiecoordinatoren, voorzitters van de radio- en televisiecommissie. Maar ook politiek secretarissen. De PSP had maar twee of drie Tweede Kamerleden en een of twee Eerste Kamerleden maar in hun partijbestuur zaten wel 10 politiek secretarissen van racismebestrijding en migrantenbeleid via milieu en technologiebeleid tot vredesvraagstukken. GroenLinks heeft met verschillende modellen ge-experimenteerd over de jaren. Het begon met een bestuur van 3 personen (voor ieder van de oprichtende partijen een vertegenwoordiger) kijk dat is efficient.

Hoe interessant deze redelijk makkelijk te verkrijgen dat ook is, ik kan maar moeilijk een interessante wetenschappelijke vraag formuleren voor deze data. Er liggen wel wat interessante wetenschappelijke problemen bij de verschuiving van de macht van de partijbesturen naar de fracties in de laatste 50 jaar, maar de personele samenstelling van partijbesturen kan daar weinig over zeggen.

Een wilde gok III

Onne vraagt na mijn blogje over de Europees Parlementsverkiezingen iets te schrijven over de Europa-wijde voorspelling voor de uitslag van die verkiezingen die gedaan is door Simon Hix, professor aan de LSE.

Ik had nu zelf ook eerder een voorspelling gedaan voor de Europese verkiezingen. Op basis van recente verkiezingsuitslagen en peilingen van rond de jaarwisseling schatte ik de uitslag. Hix’ schatting is veel geavanceerder dan de mijne: peilingen plus effecten van regeringsdeelname, rekening houden met lokale kiesstelsels. Hix en ik zijn het niet met elkaar eens: onze schattingen verschillen 188 zetels op 159 zetels. Dat is dus meer dan een zetel per partij. Over de uiteindelijke uitslag zijn we het ook niet eens. De verschillende uitslagen zijn weer gegeven in het eerste figuur. Over het algemeen overschat ik de grootte van het centrum van de sociaal-democratische PES en de centrum-rechtse EPP. Bij Hix de kleinere partijen groter: met name de Euroskeptische partijen verenigd in de ID en de UEN en de toekomstige MER maar ook de radicaal linkse UEL/NGL en de groene EGP/EFA en de liberale ALDE. Deze kleinere partijen zijn vaak Euroskeptischer, radicaler en vaker lid van de oppositie.

Eup09

Laten we eens naar twee relevante gremia binnen deze peiling kijken. De Nederlandse en de groene delegatie. Ik heb zelf de Nederlandse delegatie twee keer geschat. Een keer op basis van de algemene peiling naar Europese zetels methode en een keer op basis van preciezere peiling met daarbij opkomsteffecten en bonussen voor Euroskeptische en oppositiepartijen. De verschillende uitslagen zijn weer gegeven in het tweede figuur.

Nldeu09

Een aantal opmerkingen: Qua grote patronen zijn we het over het algemeen eens. Sommige partijen schatten we zelfs het zelfde: de PVV en CU/SGP. Het CDA, VVD en de PvdA vallen terug. SP en D66 gaan vooruit. GroenLinks kan of gelijk blijven of achteruit gaan. Het hangt er echt om of GroenLinks een tweede zetel haalt. Om Bas naar Brussel te krijgen moeten we alles uit de kast halen. Daarnaast: Hix geeft de Partij voor de Dieren 1 zetel. Dat lijkt me extreem
onwaarschijnlijk. Al jaren staat de PvdD op 2 zetels in de Peilingen
van Maurice en de politieke barometer. PvdD stemmers zijn weinig
politiek betrokken. Ik verwacht niet dat die en-masse op komen.

Greu09

Als we kijken naar de samenstelling van de groene fractie zijn er een aantal opvallende ontwikkelingen. Deze worden weergegeven in het derde figuur. De groepen zijn uitgedrukt
in percentages van de gehele groene fractie. De Duitse Groenen blijven de grootste fractie maar ze veriezen grond. Andere West-Europese groenen verliezen ook in vergelijking met 2004: de Franse Groenen vallen het sterkst volgens Hix: van 6 zetels nu naar 2 zetels. Daarvoor in de plaats zullen Oost-Europese Groenen (uit Tsjechie, Letland en Griekenland) een grotere rol gaan spelen. Maar ook de regionalisten van de Europese Vrije Alliantie en allerlei onafhankelijken zullen erop voor uit gaan.

Op wat kleine problemen na denk ik dat de schatting van Hix een heel aardig beeld geeft van de aankomende verschuivingen. Veel beter dan mijn eigen schatting. Maar uiteraard: the proof of the pudding is in the eating.

D66 heeft er weer niets van begrepen

Geert Wilders stuurt Barry Madlener Europa in met de boodschap "Kies voor Nederland, Kies PVV". De SP wit niet dat Brussel de hoofdstad van Nederland wordt. De ChristenUnie voert campagne "tegen de superstaat". De VVD-lijsttrekker Hans van Baalen gaat op komen voor "het Nederlands belang". De Euroskpetische partijen organiseren voor de verkiezingen van Juni. D66 gaat in de contramine en zegt "Ja" tegen Europa. De Volkskrant gooit een schepje op het vuur en noemt de verkiezingen een tweede referendum over Europa. De eerste Europese verkiezingen in jaren die echt over Europa gaan.

Maar helaas voor al die partijen zit het niet zo. Het Europees Parlement gaat niet over meer of minder Europa. Daarover gaan nationale parlementen. Het Verdrag van Lisabon geeft het parlementen de mogelijkheid om met een "oranje kaart" uit te spelen en zo uit te spreken dat een aangelegenheid niet op het Europese niveau maar op het nationale niveau geregeld moet worden. Als er competenties over geheveld moeten worden naar het Europese vlak gebeurd dat door een verdragswijziging, goedgekeurd door nationale parlementen en nationale regeringen.

De keuze in het Europees Parlement gaat niet over meer of minder Europa, maar over welke kant we op gaan met Europa: linksom of rechtsom. Dat is wat het Europees Parlement wel kan doen. Waar het Europees Parlement medebeslissingsrecht heeft kan zij het beleid iets naar links of iets naar rechts bewegen. En daarmee kan het Europees Parlement veel betekenen om de lidstaten groener, socialer en toleranter te maken. De keuze die voor ligt is voor een Europa van mens en milieu of een Europa van markt en munt. Niet voor meer of minder Europa. Daar zouden nationale verkiezingen over moeten gaan.

Maar als de Europese verkiezingen gaan over de keuze voor een Europa van mens en milieu of van markt en munt dan komen er rare allianties. Er is eigenlijk geen verschil tussen wat de VVD ("Het Nederlands belang voorop"), D66 ("Voor Europa") of de PVV ("Voor Nederland") bieden. Deze marktliberale partijen staan allemaal voor een kil Europa van markt en munt. GroenLinks met die lijst van pro-Europese groenen, de PvdA of het nu Eurofiel Berman of Euroskepticus Cuperus is en de anti-Europese SP staan voor het zelfde sociale Europa. 

Ik ga voor een groen en links Europa, dat mag u niet verbazen. Als u een kil en grijs Europa wil dan kan je altijd op die gezellige pro-Europese partij D66 stemmen.

Amsterdamse school in Amsterdam

Eerder schreef ik al dat sommige delen van Amsterdam verschrikkelijk lelijk zijn. Maar gelukkig heeft Amsterdam ook een ander gezicht. Daar heb ik gister een deel van mogen zien. We zijn een middag door de Rivierenbuurt heen gezworven. Een wijk met middenklasse appartementenblokken in de stijl van de Amsterdamse school.

De Amsterdamse school is een bouwstijl uit de periode tussen de oorlogen. De stroming staat tussen de hele strakke vormgeving van na de oorlog en de barokke bouwstijlen van de oorlog. Het is strak maar niet te, het is versierd maar niet te. Veel van wat er in Europa gebouwd is tussen 1900 en 1940 heeft die twee slachtigheid. Tussen de truttige, romantische verfijning van de 18e eeuw en de weinig menselijke betonnen kolossen van na de Tweede Wereldoorlog. De strakheid van stromingen als de Amsterdamse school is een reactie op de verfijning en zwierigheid van daarvoor. In deze zin breken ze een nieuw tijdperk van "moderne" architectuur aan. Maar die moderne architectuur kan dan nog alle kanten op. Er zit iets ambigus in de architectuur van die tijd. Kenmerkend voor de Amsterdamse school is het gebruik van baksteen. En hoe kleine, organische elementen in de gebouwen verwerkt worden. Hierdoor blijven de gebouwen menselijk.

In het gebied in Oud-Zuid waar we door heen zijn gelopen staan er veel appartementenblokken. Ieder appartementenblok heeft een vergelijkbare structuur: meerdere deuren naast elkaar waarvan er vaak een aantal in portaal boven zitten. Drie verdiepingen. Veel appartementen hebben een klein balkon. Toch is er niet iedere keer het zelfde blok neer gezet maar is er juist iedere keer met deze elementen gespeeld, gevarieerd. Mooi is dat de gebouwen die in de wijk geplaatst worden geintegreerd zijn in de stijl: modern, maar toch duidelijk in lijn met de Amsterdamse school.

Ik kwam er vanochtend achter terwijl ik aan het kijken was naar meer Amsterdamse school, dat we maar een klein gedeelte van de Amsterdamse school in Amsterdam hebben gehad. Er is nog een boel moois te zien in Amsterdam. Blijkt die stad toch niet de poel van verderf waar ik hem voor aanzag.

Waarom GroenLINKS?

Een verzoekje van Steven: hij vroeg mij te bloggen over de vraag of het uit zou maken als GroenLinks, niet GroenLinks had geheten maar De Groenen of Groen! had geheten?

Bij de vorming van GroenLinks in 1989 was de naam een belangrijk strijdpunt. De CPN en de PSP stonden op een naam waarvan "Links" een belangrijk onderdeel was. Deze partijen zagen zichzelf primair als linkse partijen en hadden sociale rechtvaardigheid hoog in het vaandel staan. De PPR wilde "Groen" in de naam. Deze partij streefde naar vernieuwing en zocht naar aansluiting bij de internationale groene beweging. Het compromis was zo gevonden: GroenLinks. Deze naam combineerde een aansluiting met de socialistische traditie en groene vernieuwing.

Echter de termen rechts en links zijn heel flexibel. Soms wordt rechts
gekoppeld aan een fascistische staat, soms juist aan een open
samenleving. Links kan worden opgevat als zijn voor overheidsinmenging
in de economie, maar juist ook liberalen noemen zich links. In Denenmarken waren er lange tijd drie partijen in het parlement: de marxistische Linkse Socialisten, het sociaal liberale Radicaal Links, en het klassiek liberale Links. Allemaal konden zij zichzelf zonder problemen links noemen omdat zij die term anders in vulden.

Iedere
GroenLinkser kan zich vinden in de term links: of het nu gaat om
Kritiese GroenLinksers die det term "links" koppelen aan die socialistische
traditie of Femke Halsema die GroenLinks als "links-liberale partij"
ziet.

Echter voor mij is er wel een groot voordeel aan de naam GroenLinks boven Groen! Met de keuze voor GroenLinks laat de partij zien dat ze staat voor meer thema’s dan alleen die linkse thema’s. "Groen+", "Meer dan Groen Alleen". In de tijd van Rosenmoeller waren die thema’s misschien meer gekoppeld aan een socialistische invulling van links en onder Halsema misschien meer aan liberale, progressieve invulling van het begrip links.
 

stemgedrag tweede kamer

We leven in een digitaal tijdperk. De politiek maakt hier vaak graag gebruik van. Politici bloggen, twitteren en podcasten wat af om hun boodschap naar buiten te brengen. Wil jij weten wat het sterrenbeeld is van Jan Peter Balkenende? Zo gevonden. Wat Femke Halsema vroeger wilde worden? Staat op het internet. Wat Wouter Bos vindt van zijn vrienden op Hyves? Vertelt hij op YouTube.

Opvallend is echter dat het heel moeilijk is informatie te vinden over wat Nederlandse politici echt doen, waarvoor we ze betalen: in de Tweede Kamer werken aan wetgeving en beleid. Het zoeken naar de tekst van een specifiek beleidsdebat op internet duurt al uren. Dat komt alleen al omdat de handelingen verdeeld zijn over twee verschillende sites (een van de Koninklijke Bibliotheek en een van de SDU) en je ze alleen kan door zoeken met niet al te handige zoekmachines. In zolderkamertjes worden er kleine initiatieven genomen door betrokken en technische burgers. Zij proberen de debatten van de tweede kamer en de stemmingen van parlementariers toegankelijk te maken voor het publiek. Het groepsblog GeenCommentaar heeft zijn best gedaan de handelingen van de Tweede Kamer makkelijker doorzoekbaar te maken. De site politix.nl houdt de stemmingsuitslagen van "belangrijke" stemmingen bij. Maar als je iets wilt zeggen over alle stemmingen of alle debatten in de Tweede Kamer is dat voor een gewone burger niet te doen.

Ook ik ben een van die betrokken burgers in zo’n zolderkamertje. Voor mijn promotie onderzoek wil ik kijken naar patronen in stemgedrag van tweede kamerfracties. Daarvoor heb ik dus de uitslagen van "alle" stemmingen nodig. Ik ben helaas niet zo technisch: een vriend van mij, Harmen, heeft me erg geholpen bij het verkrijgen van die stemmingen. De database is nog steeds in ontwikkeling maar het ziet ernaar uit dat het een mooie, redelijk complete verzameling wordt.

Via mijn promotor, Rudy Andeweg, kwam een journalist van de Volkskrant, Jeroen Trommelen, toevallig achter het bestaan van mijn data base. Hij was uitermate geinteresseerd in de data. In het bijzonder in het stemgedrag van de PVV. Hij vroeg zich af of de PVV zich even extreem en opstandig gedroeg in de Tweede Kamer als in de media. Het stemgedrag van de PVV wijst dit uit: in 7,5% van de stemmingen die Harmen en ik hebben verzameld tussen 2006 en 2008 stemde de PVV in zijn eentje tegen de rest van de kamer. Dat is aanzienlijk vaker dan principiele oppositiepartijen als de SGP, SP of de PvdD. In vergelijking met de andere partijen staat de PVV redelijk vaak geisoleerd. Jeroen Trommelen schreef er een mooi stuk over in de Volkskrant van dit weekend, over zijn zoektocht naar een overzicht van "alle" stemmingen in de Tweede Kamer en over het "dwarse en rechtse" stemgedrag van de PVV.

Dat dit soort informatie is niet makkelijk te vinden op de site van de Tweede Kamer, of ergens anders op het internet, is natuurlijk erg zonde: zo kunnen burgers geen informatie krijgen over of ze waar krijgen voor hun stem. De PVV beloofde een krachtige oppositie tegen het establishment. Dat maken zij waar.
Maar maakt de Rita Verdonk waar dat zij niet links, niet rechts maar recht door zee is? Weet de ChristenUnie echt een Christelijk-sociale koers uit te zetten in haar stemgedrag? Zit GroenLinks qua stemgedrag in de Tweede Kamer ook in de "linkerbovenhoek"? Laat Marianne Thieme zien dat een partij die zich richt op de belangen van dieren niet links en niet rechts is? Een gewone burger kan daar eigenlijk niet achterkomen. En dat moet natuurlijk niet kunnen in een echte democratie.

Hoe zo linker bovenhoek?

Het electorale verlies van GroenLinks valt volgens veel mensen terug te brengen in onze extreme positie. In de "linkerbovenhoek" zitten nu eenmaal weinig kiezers. GroenLinks moet naar het centrum want daar zitten de kiezers. Echter dit gaat uit van een vrij ingewikkelde theorie over kiesgedrag: kiezers berekenen heel precies de afstand tussen hen en alle partijen op alle politieke vraagstukken en gaan dan stemmen voor de partij die het dichtst bij ze staat. veelste ingewikkeld voor kiezers. Ik wil hier kort een andere theorie over kiesgedrag uiteen zetten en vervolgens uitleggen hoe die ook een weinig rooskleurig toekomst beeld schetst voor de electorale toekomst van GroenLinks.

Wat als kiezers niet stemmen primair op basis van hun positie in het politieke spectrum maar vanwege hun voorkeur voor een bepaald issue. Kiezers die gaan voor het gezin kiezen voor de ChristenUnie. Kiezers die tegen de Islamisering zijn kiezen voor de PVV. Deze theorie verklaart heel goed waarom extreme partijen het goed doen: kiezers gaan voor die partij die zich het meest voor een bepaald issue in zet.

Voor GroenLinks is dit heel lastig. De partij staat namelijk wel extreem op veel issues maar op bijna alle issues is er een partij extremer.

  • Neem het thema "solidariteit": de SP is duidelijk de partij zich het meest inzet voor een eerlijke verdeling van inkomen en een sterke rol voor de overheid in de economie. GroenLinks is een goede tweede.
  • Neem het thema "open samenleving": D66 is duidelijk de partij die het ‘t meest op neemt voor een samenleving die open staat voor al haar burgers en die over de grenzen durft te kijken. GroenLinks is misschien #2, maar dit is echt het thema van D66.
  • Neem het thema "milieu": daarbij dreigt de Partij voor de Dieren GroenLinks in te halen. Deze partij heeft nog extremere ideeen dan GroenLinks over de noodzaak van een groene, duurzame en diervriendelijke samenleving.

Het probleem dat dit voor GroenLinks schetst is niet dat de partij te extreem is, maar dat ze niet extreem genoeg is. Als we aan alle kanten worden ingehaald, stemt er straks niemand op de partij die op alle thema’s het op een na meest extreem is. Om meer kiezers te trekken moet GroenLinks laten zien dat het de partij is die zich in zet voor een groene, sociale, open samenleving. Groener, linkser, opener!