Staatkundige ChristenPartij?

Nu er een vrouw op de SGP lijst mag  – mevr. L. Janse-van der Weele wordt lijsttrekker bovendien – is de laatste barrière geslecht die de vorming één bijbelgetrouwe Christelijke partij weerhield.

Een reden om te kijken naar de samenwerking en ontwikkeling van de SGP en de ChristenUnie en haar voorgangers RPF en GPV.

SGP – GPV – RPF

De belangrijkste thema’s die de SGP, RPF en GPV onderscheidden was de positie van vrouwen en de scheiding van kerk en staat.

In 1975 werd de RPF opgericht. De oprichters van de RPF voelden zich aangetrokken het rechtlijnige politieke protestantisme van de GPV en de SGP. Tot het GPV konden ze niet toetreden: de GPV stond alleen maar mensen toe die lid waren van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken. Twee dingen weerhield de RPF-leden ervan zich aan te sluiten bij het SGP. De partij stond vrouwen niet toe om politiek actief te zijn. Binnen de RPF waren de opvattingen over de rol van de vrouw veel progressiever. Bovendien had de SGP een theocratische grondslag. Ze geloofden dat het de rol van de overheid was om valse godsdienst uit te roeien. Binnen de RPF waren mensen uit allerlei Protestantse stromingen actief, die lang niet allemaal voldeden aan de Reformatorische maatlat dat de SGP hanteerde.

SGP – GPV- RPF in de jaren ’80 en ’90

Gaandeweg ontwikkelden de SGP, RPF en GPV zich in verschillende richtingen: de RPF profileerde zich als ‘supersamenwerker’. Ze streefden naar samenwerking (lokaal, provinciaal, supranationaal en extraparlementair) van bijbelgetrouwe Christenen. Eén van de duidelijkste tekenen was de lijst-in-een-schuiving van RPF-GPV-SGP op Europees niveau vanaf 1984. Zo kon het geluid van de reformatie ook gehoord worden in Brussel.

De GPV kreeg in de jaren ’80 een centrumlinks profiel. De overheid had een cultuuropdracht volgens het GPV: ze moest de mogelijkheden maken voor mensen om de Aarde te beheren en zichzelf te ontwikkelen. De SGP en de RPF waren kritisch over deze koers. Echter in 1998 in de tijd van Paars zette de RPF ook een Christelijk-sociale koers in.

De rol van vrouwen binnen het SGP veranderde ook. In 1984 legde de partij formeel vast dat vrouwen geen lid mochten worden. Daarvoor was de heldere formulering over de rol van de vrouw in het beginselprogramma voldoende geweest. Sinds 1996 werd het echter al aan vrouwen toe gestaan om buitengewoon lid te worden. Meerdere malen vormde een vrouwelijke kandidaat een wig tussen RPF en GPV enerzijds en SGP anderzijds. In 1994 was de mogelijke kandidatuur van een vrouw een reden voor de SGP om de samenwerking in Europa op te schorten. De vrouw trad terug.

Binnen de GPV werd er gaandeweg meer ontspannen gedacht over niet-Vrijgemaakten. In 1993 werd het lidmaatschap van de partij opengesteld voor hen. Dit versnelde de samenwerking tussen de drie partijen. In 2000 resulteerde dit in de ChristenUnie, waarin RPF en GPV opgingen. De SGP hield vast aan haar onafhankelijkheid. Voor de RPF en de GPV was evenwel het vrouwenstandpunt van de SGP een onoverkomelijk punt.

ChristenUnie – SGP in de 2000s

De ChristenUnie combineerde het centrumlinkse profiel van de GPV met de ontspannen openheid van de RPF. De SGP en de ChristenUnie volgde andere paden.

De ChristenUnie sloot zich gemakkelijk aan bij het Christelijk-sociale kabinet van Balkenende en Bos. De SGP voerde, zoals ze altijd hadden gedaan bij CDA-kabinetten loyaal oppositie vanuit de Kamerbankjes. In 2010 trad er een nieuw kabinet aan. Het rechtse economische en culturele profiel van het kabinet-Rutte sloot slecht aan bij de ChristenUnie. De ChristenUnie was een partij geworden die stond voor een duurzame economie, een sociale overheid en een ontspannen samenleving. Lokaal werkte ze gemakkelijk samen met partijen als GroenLinks: in Haren leverden ze bijvoorbeeld samen één wethouder. De SGP hield vast aan haar beperkte opvatting van de overheid. In deze opvatting paste het tegenhouden van niet-gereformeerde religies, zoals de Islam. Zo kon ze in de Eerste Kamer gemakkelijk steun geven aan het minderheidskabinet. Dit vormde in 2011 een breuk tussen de twee partijen die de SGP één zetel kostte.

Het vrouwenstandpunt bleef een punt van verdeeldheid tussen de SGP en de ChristenUnie. In 2009 braken de SGP en de ChristenUnie in het Europees Parlement. De Britse Conservatieve Partij vormde een fractie om zich heen van niet-extremistische eurosceptici. De SGP was vanwege het vrouwenstandpunt niet welkom bij de Tories. De ChristenUnie was meer dan welkom in deze fractie.

Ondertussen werd er in de ChristenUnie gesproken over andere groepen, zoals katholieken en homo’s. Dit waren lastige onderwerpen voor de partij. Maar de dilemma’s en compromissen (zoals het accepteren van niet-praktiserende homo’s) tonen aan de ChristenUnie nog ver af staat van progressieve partijen als GroenLinks.

ChristenUnie – SGP in 2013

In 2013 zijn ChristenUnie en SGP meer samengekomen dan in de jaren daarvoor. De vrouwelijke lijsttrekker bij de SGP is een belangrijke stap. In 2006 had de SGP al vrouwen het recht gegeven om lid te worden van de vereniging onder druk van de rechtbank. In 2013 dwong het gerechtshof de SGP om vrouwen ook het passief kiesrecht te geven: Janse is de eerste die daar gebruik van zal maken. Hiermee is één bezwaar van de ChristenUnie, RPF, GPV en de Britse Conservatieven geslecht.

Maar ook op andere onderwerpen zijn de SGP en de ChristenUnie tot elkaar gegroeid: na de verkiezingsuitslag van 2010 ging de ChristenUnie op zoek naar de oorzaken van het verlies. De verantwoordelijkheid werd –onterecht– gelegd bij de te linkse koers van de partij. Op economische onderwerpen schoof de ChristenUnie zich in het bezuinigingskamp: ze verdedigde de 3%-norm, terwijl de partij geen groot voorstander was van de euro. De partij liet nivellerende plannen als de inkomensafhankelijke zorgpremie uit haar programma vallen en benadrukte het belang van ondernemerschap. Op culturele onderwerpen benadrukte de ChristenUnie steeds meer de gevaren van de Islam.

Hiermee zijn volgens mij de grote barrières tussen SGP en ChristenUnie geslecht: het vrouwenstandpunt dat de partijen al sinds de jaren ’70 verdeelde in de jaren; maar ook de recente thema’s die SGP en de ChristenUnie verdeelden, zoals de bezuinigingen en de Islam.

Alles ziet er naar uit de SGP na de Europese verkiezingen toe mag treden tot de Europese conservatieve fractie. Ze zijn welkom bij de Tories. In mijn ogen is een conservatief-Christelijke fractie, de Staatkundige ChristenPartij, in de Tweede Kamer een kwestie van jaren.

Je kan meer lezen over de samenwerking tussen SGP, RPF en GPV bij het DNPP.

Is politicologie een linkse hobby?

Op een politicologencongres viel het met laatst op: de meeste politicologen hebben een linkse oriëntatie. Eén van de meest prominente Leidse politicologen, Ruud Koole, is ook senator voor de PvdA. Als ik voor GroenLinks advies zoek van politicologen willen ze graag meedenken. Nog een opvallend patroon: ik ken zo vier Nederlandse academische politicologen wiens partner een functie binnen GroenLinks heeft.

Is politicologie een linkse hobby? Hebben alle politicologen in de jaren ’60 een klap van de Marxistische mallemolen gekregen?

Alhoewel sociale wetenschappers specialisten zijn op het gebied van opinieonderzoek, wordt er maar weinig opinieonderzoek gedaan naar de meningen van politicologen. In een grote expertsurvey van de Ierse politicologen Benoit en Laver naar partijposities werden politicologen ondervraagd naar de sympathie die ze hebben voor bepaalde partijen.

Dat drukken we uit in een gevoelsthermometer waar 0 betekent veel sympathie en 20 betekent weinig sympathie. Als we kijken naar de Nederlandse data dan zie we het volgende: politicologen hebben de warmste gevoelens voor GroenLinks en de koudste gevoelens voor de LPF. De linkse partijen SP, GL, PvdA en D66 scoren gemiddeld beter dan de rechtse partijen.

Ook in de hele data set met politicologen uit Oost- en West-Europa, Israël, de VS, Australië, Nieuw Zeeland en Japan zien we dit patroon. Het mooie is dat dezelfde politicologen een links/rechts waarde hebben toegekend aan de partijen. De gemiddelde sympathie voor een partij die men als links bestempeld is ongeveer 1.5 punt (op een schaal van 1 tot 20) warmer dan voor een rechtse partij. Maar als we naar een scatterplot kijken zien we dat deze relatie lang niet alles verklaard. Sterker nog: maar 12% van de gemiddelde sympathiescore voor een partij is te verklaren met de gemiddelde links-rechts positie.

We kunnen ook kijken naar een aantal dimensies die samen de links-rechts dimensie vormen. We kijken hier naar drie invulling van links/rechts: links als seculier en rechts als religieus; links als een grote overheid en rechts als een kleine overheid; en links als progressief en rechts als conservatief op nieuwe culturele waarden. Helaas kunnen we voor die laatste alleen de milieudimensie gebruiken, omdat passendere schalen, bv. over migratie maar in een deel van de landen gebruikt wordt. In de landen waar allebei deze items zaten vormen ze een zeer sterke schaal.

Op deze milieu-dimensie zien we een heldere relatie: de groenere partijen zijn sympathieker volgens de politicologen dan de grijze partijen. Nou zijn er wel maar een beperkt aantal partijen dat aan de groene kant van het spectrum wordt geplaatst. Daarom wordt maar 20% van de sympathiescores hierdoor verklaard.

Op de sociaaleconomische dimensie is er praktisch gezien geen relatie: er is een zeer zwakke relatie positieve tussen economische standpunten en sympathie, maar dit verklaart slechts 1% van de sympathiescores. Als we daarentegen een onderscheid maken tussen Oost- en West dan ontstaat er interessant beeld: in de West-Europese landen is er een redelijk sterke positieve relatie (rood). Hoe meer partijen willen uitgeven in de publieke sector, hoe meer sympathie de partijen krijgen. Dit is ook wel logisch: immers rechtse partijen willen vaak meer bezuinigen op academisch onderwijs en onderzoek. In Oost-Europa (groen) is de relatie omgekeerd: hoe meer partijen een kleine overheid willen. Dit kom misschien omdat de sociaaleconomisch rechtse partijen ook de anticommunistische partijen waren. De rechtse partijen staan voor democratie en internationale openheid.  Dit model doet het overigens nog steeds niet schokkend goed (11% van de sympathiescores wordt verklaard).

Op de morele thema’s is het onderscheid het sterkst: hoe vrijzinniger een partij op sociale thema’s, hoe meer sympathie politicologen voor die partij hebben. Dit verklaart alleen al zo’n 38% van de sympathiescores.

Als we de factoren samen nemen, de sociaaleconomische, sociaalculturele, milieudimensie en het onderscheid tussen Oost en West, dan ontstaat het volgende beeld: in Oost en West Europa is de morele dimensie de belangrijkste verklaring. In beide gebieden is de milieudimensie een goede tweede. In West-Europa is er geen effect meer van de economische dimensie. Het is dus niet zo dat in West-Europa politicologen sympathie hebben voor die partijen omdat die sociaaleconomisch links, maar die de sociaaleconomisch linkse partijen zijn vaak ook vrijzinnig en groen en passen daarom bij het profiel van de politicologen. In Oost-Europa is er nog wel een effect van economie: de favoriete partijen van politicologen zijn hier economisch rechtser, zelfs als we controleren voor het feit dat deze partijen progressief en groen georiënteerd zijn.

Uit de data blijkt wel dat politicologen vaak een vrijzinnige, groene gezindheid hebben. Dit duidt op progressieve waarden, maar niet per se op een linkse oriëntatie: de positie van partijen op economische thema’s is geen verklaring in West-Europa en de relatie lijkt omgekeerd in Oost-Europa.

Uiteindelijk zegt dit natuurlijk iets over de afwijking, de bias, van de politicologengemeenschap. Er is namelijk geen sympathie voor de grote mainstreampartijen (sterker nog er lijkt een kleine negatieve relatie te zijn tussen het aantal stemmen en de gemiddelde sympathiescores). Maar ook niet voor populistische rechtse partijen. Groene partijen en andere progressieve seculiere partijen, zoals sociaaldemocraten lijken de primaire sympathie te hebben van de politicologen. Milieu is volgens veel politicologen wel een probleem terwijl immigratie en abortus dat minder zijn. De focus in het huidige politicologische onderzoek op populisme is misschien wel een uitdrukking van een echt onbegrip van de politicologen waarom mensen op een partij stemmen die zo ver van hen weg staat.

‘Helping Mom’

De kinderen naar school brengen. Rapport afschrijven. De klok tikt door. Snel het huis uit. Lunch tussendoor. Afspraak met een nieuwe klus. Avondeten halen. Sophie en Laurens van school halen en rijden naar Kinderyoga. Rapport proberen af te maken. Kinderen ophalen. Eten maken. De moderne mens heeft het druk: ZZP’er of deeltijdwerk, want je bent ook nog ouder: en dat betekent dat je chauffeur, schoonmaker, kok en secretaresse bent.

Dan heb je nauwelijks tijd om beredeneerde keuzes te maken: reclames proberen hier op in te spelen. In de intelligente Australische panelshow over reclame Gruen Transfer noemt de conservatieve reclameman Russell Howcroft dat ‘helping mom‘. Reclame probeert moeders te helpen om de juiste keuzes te maken voor hun gezin door ze te informeren over de gezonde producten voor hun kinderen. De eerste keer dat ik het hoorde vond ik het maar een rare redenering: het is een conservatieve ondernemer die manipulatieve reclames probeert goed te praten.

Maar in dat idee van ‘helping mom‘ zit wel wat iets: GroenLinks-kiezers zijn betrokken bij de maatschappij. Ze willen een groene wereld en een sociaal land, ze maken zich zorgen over het groeiende verschil tussen rijk en arm en de afbraak van de natuur. Maar hebben vaak geen tijd om daar werk van te maken. Duurzaamheid en solidariteit zijn mooie idealen maar ze zijn ook tijdrovend: niet naar de grote ketens gaan maar eerlijke kleren kopen bij een fairtradeboutique; iet de hamlampjes uit de bonus maar biologisch vlees uit de regio; niet alleen je eigen kinderen naar de beste school sturen en heen en weer te rijden van allerlei hobby’s maar ook nog tijd vinden om vrijwilligerswerk doen met kansarme kinderen.

Het idee dat hordes Nederlandse kiezers tijd hebben om zelf met mooie ideeën te komen om een groene stad en sociale samenleving te realiseren of om zelf daaraan bij te dragen door als mantelzorger ook nog het huishouden te doen bij een gehandicapte buurman of als beheerder van het park op te treden vind ik tamelijk illusoir.

GroenLinks-kiezers zijn wel vrij altruïstisch: ze hebben zelf een leuk maar druk leven. Het enige waar ze het lastig vinden om tijd voor te vinden is om echt bij te dragen aan een groene wereld en sociale land. GroenLinks-kiezers hoeven geen belastingverlaging en zelfs de ideeën van GroenLinks om als moderne gezinspartij ‘mom’ (m/v) te helpen door het gemakkelijker te maken werk en zorg voor kinderen te combineren zijn niet per se nodig.

Hoe GroenLinks ‘mom’ (m/v) wel zou kunnen helpen is door met een kleine handeling, namelijk in het stemhokje een grote bijdrage te leveren aan groene en sociale doelen. Ik denk dat je in campagnes in het oog moet houden: dat mensen het lastig vinden om naast werk en zorgtaken ook nog tijd te maken voor idealen. En dat je het eigenbelang van mensen om iets te willen bijdragen aan de wereld zo kan aanspreken.

Weg van Christendemocratische principes, op naar linkse doelen

We vergeten vaak dat onze verzorgingstaat niet de realisatie is van echte linkse idealen, maar sterk beïnvloed is door Christendemocratische principes. Het doel van de sociale zekerheid is niet herverdeling maar het is een verplichte verzekering tegen inkomensverlies, omdat je niet meer kan werken omdat je te oud of te ziek bent bijvoorbeeld.

Sterker nog, dit stelsel staat in de weg van linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten: het moedigt bedrijven aan om in Nederland geen werknemers in dienst te nemen; het vraagt een gelijke bijdrage van een onderwijzer en een bankier. En het creëert ongelijkheid tussen een werknemer en een ZZP’er die op verschillende manieren hun werk organiseren.

Het kernidee van het Christelijk-sociale denken is dat werknemers en werkgevers naast de overheid een aparte verantwoordelijkheid hebben. Niet alles moet door de staat geregeld worden. Mensen moeten zelf betalen voor zulke verzekeringen. Maar omdat mensen niet goed zelf keuzes kunnen maken moet de overheid hen wel verplichten zich te verzekeren. De kern van de sociale zekerheid is dus niet een eerlijke verdeling van arbeid en inkomen maar verplichting en verzekering

Dat klinkt als mooie principes maar ondertussen is de uitvoering van de sociale zekerheid verbureaucratiseerd en is het allang al niet meer echt een gedeeld verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. Het is een andere vorm van belastinginning geworden. Een die mensen werkloos houdt, inkomensverschillen in stand houdt en mensen die hetzelfde werk doen anders behandelt

Het verzekeringsstelsel maakt arbeid onnodig duur

Het idee achter het Christelijk-sociale verzekeringsstelsel is vrij simpel. We verzekeren ons verplicht voor ouderdom, ziekte en werkloosheid. Voor het gemak int de belastingdienst de verzekeringskosten. Het grootste deel van de lasten die mensen met een laag inkomen betalen zijn niet belastingen maar premies van volksverzekeringen.(1) De lasten voor de werknemersverzekeringen worden voor iedere werknemer, door werkgevers, maar opnieuw als percentage van het uitbetaalde loon.

De volks- en werknemersverzekeringen worden bijna geheel gefinancierd arbeidskosten. Op die manier maken we datgene wat we waardevol vinden, namelijk dat mensen kunnen werken, duur. In crisistijd moeten werkgevers mensen ontslaan, omdat arbeidskosten een groot deel van hun begroting beslaat. Arbeidsintensieve productie verschuift naar landen met lage arbeidskosten. In de zorg zien we dat menselijk contact vervangen wordt door machines. Dat is  goedkoper voor de zorginstantie maar tegelijkertijd verliezen ouderen sociale contacten.

Het legt de zwaarste lasten niet bij de sterkste schouders

Bovendien is de redenering achter het Christendemocratische verzekeringsstelsel dat omdat je je verzekert voor een ongeval of ongeluk, iedereen evenveel moet betalen. Het is een verplichte verzekeringspremie: een premie die voor iedereen gelijk is, behalve voor mensen met een laag inkomen, zij betalen wel 30% van hun inkomen aan premies. Maar mensen met een laag inkomen betalen nauwelijks belasting. Voor belastingen geldt namelijk de sterkste schouders de zwaarste lasten. Bij sociale verzekeringen geldt juist dat de bankier en de onderwijzer evenveel betalen en niet fundamenteel meer dan de schoonmaker.

Als we de socialeverzekeringspremies zouden afschaffen zou dat twee positieve gevolgen hebben:

1) We maken arbeid en met name laagbetaalde arbeid veel goedkoper. Daardoor kunnen bedrijven meer mensen in dienst nemen. Zo kunnen we de groeiende werkloosheid bij de wortel aan te pakken: de prijs van arbeid.

2) En we verdelen de lasten eerlijker. Mensen met een laag loon hoeven minder lasten af te dragen en gaan er aan het eind van de maand op vooruit. Werk gaat weer lonen.

GroenLinks heeft een uitgebreid programma van belastingvergroening, progressieve belasting en vermogensbelastingen om de achteruitgang van de overheidsfinanciën te compenseren.

Het creëert ongelijkheid tussen mensen

Als we het verouderde verzekeringsstelsel afschaffen, maken we tegelijkertijd een eind aan de rechtsongelijkheid die daarmee geïnstitutionaliseerd is.

Omdat we nu de werknemersverzekeringen laten betalen door werkgevers worden mensen die niet in loondienst zijn hiervan uitgesloten. Dat is met name een probleem als kleine zelfstandigen arbeidsongeschikt of ziek worden. Voor hen is er nauwelijks sociale bescherming. Dat was logisch omdat werknemers en werkgevers in de Christelijk-sociale visie een andere verantwoordelijkheid hadden. Maar dat is een raar onderscheid in de huidige arbeidsmarkt: we zien in veel sectoren, zoals de bouw, dat mensen die eerst in dienst waren van een bedrijf het zelfde werk bij het zelfde bedrijf kunnen doen als zelfstandige. Dat is fijn voor de werkgever omdat deze minder lasten hoeft te betalen en flexibeler kan reageren als de vraag plotseling toe- of afneemt. Maar dat is minder fijn voor de tot het ondernemerschap veroordeelde ex-werknemer. Want hij heeft minder werkzekerheid, de opdrachten kunnen opdrogen, en minder sociale zekerheid: als hij als werknemer van een dak af valt komt hij in de WIA, als hij als zelfstandige van het zelfde dank af valt, is er geen vangnet.(2)

Als we de arbeidsongeschiktheidsuitkering betalen uit de algemene middelen is het gerechtvaardigd om zowel werknemers als ondernemers hier recht op te geven. De overheid verzorgt universele bescherming tegen inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid, onafhankelijk van wat je deed om je inkomen te verdienen.

Een aparte werkloosheidsuitkering voor werknemers kan ik me wel voorstellen, want als werknemer ben je afhankelijk van je werkgever, maar een  arbeidsongeschiktheidsregeling die alleen voor werknemers geldt, is niet meer van deze tijd.

Als we afstappen van het verouderde Christendemocratische verzekeringsprincipe en dan kunnen we linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten bewerkstelligen. De Christelijk-sociale uitgangspunten leken in 1953 misschien eerlijk, maar houden anno 2013 in de praktijk ongelijkheid, armoede en werkloosheid in stand.

(1) Onder de 20.000 euro betaalt iemand 6% van zijn inkomen aan belastingen en 30% aan verplichte socialeverzekeringspremies.

(2) Natuurlijk is de aannemer wel aansprakelijk als het op zijn terrein gebeurt, maar het punt is dat de een wel toegang heeft tot de WIA en de ander niet.

 

Het gras is altijd groener aan de andere kant van het hek

Ik krijg veel vragen over de Duitse Groenen. Waarom gaat het hen zo goed? Waarom leveren die nu de premier in de traditionele, Katholieke staat als Baden-Württemberg, terwijl GroenLinks in het traditionele, Katholieke Noord-Brabant drie zetels heeft.

Het beeld leeft bij veel GroenLinksers dat de Duitse Groenen in staat zijn om rechtse kiezers aan zich te bieden. Dat er en-masse Christen-democraten en liberalen naar de De Groenen toe komen. En zo zouden de Groenen misschien wel de de tweede partij van Duitsland kunnen worden.

De feiten laten een ander beeld zien: als we kijken naar waar de Groenen hun kiezers vandaan halen dan zien we dat de SPD de belangrijkste leverancier is van De Groenen kiezers. In de figuur hiernaast zien we waar de kiezers van De Groenen vandaan kwamen bij de Bundestag verkiezingen van 2009. De Groenen haalden 870.000 stemmers bij de sociaal-democratische SPD vandaan en 50.000 bij de Christen-democratische CDU/CSU.

In Baden-Würrtemberg waar de Groenen de premier leverden omdat ze groter zijn van dan hun sociaal-democratische bondgenoot haalden De Groenen 140.000 stemmen bij de SPD vandaan en 87.000 bij de Christen-democraten. Als we kijken naar de 14 meest recente landelijke of deelstaatverkiezingen, dan zijn er maar twee verkiezingen waren waar de uitwisseling met de CDU/CSU groter dan de uitwisseling met de SPD: Thüringen en Bremen. In nog eens twee verkiezingen, in Schleswig-Holstein en Nordrhein-Westphalen winnen De Groenen licht van de Christen-Democraten om (veel) meer kiezers te verliezen aan de Sociaal-Democraten.

In alle verkiezingen gecombineerd winnen De Groenen 1.747.000 stemmen bij de SPD en 243.000 bij de CDU/CSU. Kortom: het succes van De Groenen komt met name bij sociaal-democraten vandaan.

En daar komt dat alhoewel De Groenen er niet slecht voor staan, de hype wel een beetje van de partij af is: in 2011 was de partij inderdaad groter dan de SPD in sommige peilingen, maar nu is de SPD al maanden ongeveer twee keer zo groot als De Groenen. De sociaaldemocraten halen ongeveer 25% van de stemmen en De Groenen ongeveer 13%. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat ze samen niet groter zijn dan de Christen-Democraten.

Electoraal wijken de Groenen niet sterk af van GroenLinks: deze partij wisselt met name stemmen van hun sociaal-democratische zusterpartij. En met de SPD gaat het eigenlijk al jaren niet bijzonder goed. Sinds het vertrekt van Schröder heeft de partij geen aantrekkelijke leider weten te vinden. Bovendien, veel linkse alternatieven voor de SPD zijn er niet: De Linksen, een samenwerkingsverband van voormalige Oost-Duitse communistische partij en wat SPD-dissidenten is voor veel mensen in West-Duitsland onacceptable vanwege het DDR-verleden. Daar profiteren De Groenen van.

Als u meer wilt leren over Duitse verkiezingsuitslagen, de ARD heeft een goede website met uitgebreide peilingen.

Deze column verschijnt tegelijkertijd op de website van GroenLinks.

Wat betekenen nationale peilingen voor Europese uitslagen?

Europese verkiezingen zijn heel andere verkiezingen dan nationale verkiezingen. Bij de een is er een opkomst van 80%, bij de ander is dat de helft. Voorspellen nationale peilingen uitkomsten op het Europese niveau? En welke factoren versterken of verminderen dit effect?

Wie waren de grote winnaars bij de Europese verkiezingen van 2009? Het CDA en de PVV waren de grootste. Maar in figuur 1 kunnen we zien dat in de lijn der verwachtingen lag. De zwarte balken zijn de Europese uitslagen. De grijze balken het peilingsresultaat op de verkiezingsdag of de laatste peiling daarvoor (van de Politieke Barometer) met een 95% zekerheidsinterval. Het CDA werd de grootste partij. Maar de Christen-democraten waren in de peilingen ook al de grootste. De Europese uitslag was uiteindelijk statistisch net niet te onderscheiden van de nationale peiling. Bij vijf partijen ligt het Europese resultaat significant boven of onder de laatste peiling: de Partij van de Arbeid (peilde nationaal 18% kreeg 12%), de SP (peilde 10%, kreeg 7%), D66 (peilde 8% kreeg 11%), GroenLinks (peilde 6%, kreeg 9%), de Partij voor de Dieren (peilde 2%, kreeg  4%). Let wel: dit betekent niet dat er per se een uitwisseling is tussen deze partijen. De Europese verkiezingen gaan om het naar de stembus krijgen van je achterban. ‘Seventy-five percent of success is getting turn-out’ in dit geval. GroenLinks, D66 en de Partij voor de Dieren hebben in de eerste plaats hun achterban naar de stembus gekregen en de SP en de PvdA niet.

Waarom weten sommige partijen bij Europese verkiezingen meer kiezers te trekken dan je op basis van nationale peilingen mag verwachten? Je hoort wel dat heel pro- of juist sterk anti-Europese partijen het beter doen bij Europese verkiezingen. Stemmen op ‘duidelijkheid’. Dat regeringspartijen worden afgestraft. Stemmen tegen ‘regering’. Kleine partijen het beter doen. Stemmen met het ‘hart’. En dat Christen-democraten beter hun achterban weten te mobiliseren. Stemmen vanuit ‘trouw’.

Van de laatste drie Europese verkiezingen kan ik peilingsdata vergelijken met uitslagen. Let wel: dit zijn dus maar ongeveer twee dozijn datapunten. Dat levert niet een bijzonder zekere schatting op maar we kunnen we trends bekijken.

In figuur 2 zien we de Europese uitslagen en de nationale peilingen door de data heen gaat een trendlijn. Die laat zien dat voor ieder procent bij de nationale peiling een partij 0.75 zetel in de Europese verkiezingen krijgt, maar dat er beginpercentage is van 3%: dat betekent dat grote partijen over het algemeen een iets slechtere uitslag hebben (bv. 20% in een peiling betekent 18% in de Europese verkiezingen), maar kleine partijen er over het algemeen iets beter voor staan (bv. 5% in de peiling betekent 6% in de Europese verkiezingen). Dit geeft een sterke bevestiging aan het stemmen met het hart. Kleine partijen die het in nationale peilingen afleggen vanwege strategische argumenten, doen het bij Europese verkiezingen beter.

Van een aantal partijen zien we al dat het beter doen in Europa dan je op basis van deze relatie in de peilingen mag verwachten: het CDA (1999 en 2004), De PVV, de VVD (2009), D66 (2009) en GroenLinks (1999 en 2009).

Welke patronen liggen hier achter? Over het algemeen Christen-democraten en oppositiepartijen beter bij Europese verkiezingen dan je op basis van de peilingen mag verwachten. Pro-Europese partijen scoren iets beter maar dit effect is niet constant tussen verschillende modellen en partijen.

In figuur 3 is de uitslag van de laatste peiling doorgerekend naar het Europese niveau: ik heb een naïeve berekening gemaakt op basis van het percentage en gebruik gemaakt van een model dat rekening houdt met het trouw-, oppositie- en kleine partijenvoordeel. Het fundamentele verschil is dat in het eerste model GroenLinks en de PvdD buiten het Europees Parlement vallen, maar dat in het tweede geval, GroenLinks en de PvdD beiden het een zetel krijgen ten koste van regeringspartijen PvdA en VVD. We houden hierbij geen rekening met lijstverbindingen.

Links en de Moraal IV: Een basisinkomen voor kinderen

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om de bestaande regelingen en verworven rechten te beschermen tegen bezuinigingen. Filosoferen over vrijheid is geen antwoord op de rechtse boekhoudersmentaliteit. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

Kindgebonden budget, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag, alleenstaande ouderkorting, gratis schoolboeken. Er zijn in Nederland veel regelingen die ouders helpen om te voorzien in het levensonderhoud van hun kinderen. Ik zou voorwillen stellen een aantal van deze regelingen, en in het bijzonder de overheidssubsidie voor kinderopvang, te vervangen door een basisinkomen voor kinderen.

Kinderopvang is een gevoelig punt: het kost jonge ouders ongelofelijk veel geld om hun kind onder te brengen zodat ze zelf kunnen gaan werken. Jonge ouders willen vaak graag weer terug aan het werk, maar financiële reden voorkomen dat vrouwen, want het zijn vaak de vrouwen, terug naar het werk gaan. Om de arbeidsdeelname van vrouwen te stimuleren heeft de overheid ooit besloten om samen met gezinnen en bedrijven bij te dragen aan kinderopvang. Maar dat bleek als snel een grote kostenpost. Vervolgens sneed de overheid daar weer in.
Achter dit jojo-beleid zit niet alleen een onverantwoordelijke overheid die geen rechte hand kan houden, maar ook een ideologische reden. Waar het voor progressieven evident is dat vrouwen ook als ze kinderen hebben moeten gaan werken -sterker nog zeggen progressieven, kijk naar het paradijs op Aarde Scandinavië daar worden al die kinderen gesocialiseerd in de kinderopvang, wat weer goed is voor eerlijke kansen- is het voor religieuze conservatieven niet onmiddellijk evident kinderen van staatswege te scheiden van hun ouders. Gezin, hoeksteen van de samenleving en zo. Het is fijn voor moeder en kind als zij hen kan opvangen.
Er is overduidelijk een moreel geschil tussen de progressief-feministische opvatting en de religieus-conservatieve opvatting. De een vindt dat ouders thuis moet zijn om voor hun kroost te zorgen, de ander wil dat ouders hun kinderen zo snel mogelijk overgeven aan professionals. Voor beide visies valt iets te zeggen. Door het voor ouders met jonge kinderen steeds lastiger te maken om voor hun kinderen te zorgen (denk aan de overdraagbare heffingskorting, de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met jonge kinderen) en juist bij te dragen aan kinderopvang, maakt de overheid een morele keuze: een keuze voor de werk boven zorg.
Uiteindelijk vindt een liberaal dat de overheid neutraal moet zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven. Huisvader en de carrière-vrouw zouden allebei levenspatronen moeten kunnen zijn. Beiden vereisen een investering van de overheid: een die ouders in staat stelt om zich vrij te maken van werk en een die ouders in staat stelt om kinderopvang te betalen.
De meest simpele oplossing is om kinderen onafhankelijk van de keuze van hun ouders een zak met geld te geven. Van dat geld kan de kinderopvang betaald worden, van dat geld kunnen de ouders een aantal dagen minder gaan werken, of van dat geld kan oma die voor de kinderen zorgt een grote bos bloemen gegeven worden. Dat is een moreel neutrale oplossing. Laten we deze regeling een basisinkomen voor kinderen noemen.

Klub Kobalt, de Kuur en de Kwaal

Klub Kobalt, de vernieuwingsbeweging in GroenLinks zet zich af tegen de bestaande partijen en hun verouderde organisatie. De diagnose die ze stellen is onvoldoende onderbouwd. Dat leidt tot een kuur die misschien wel erger is dan de kwaal.

De Kwaal

Kort samengevat is het probleem dat Klub Kobalt wil oplossen: “Ondanks de grote politieke betrokkenheid, zijn nog maar weinig mensen lid van een politieke partij.”

Ze onderbouwen dat als volgt:

[1] “[Het] aantal [partijleden] wordt (…) steeds minder.”

[2] “De opkomst bij verkiezingen laat ook al jaren een dalende trend zien.”

[3] “Een handjevol diehard congresgangers (…) bepaalt op partijcongressen wie de volksvertegenwoordigers zijn van hun partij en met welk programma zij het land in gaan.”

Ieder van deze drie punten is zwak onderbouwd. Ik kijk hier naar data vanaf 1989, omdat GroenLinks toen is opgericht. Is sinds de oprichting de relatie tussen kiezer en politiek zodanig veranderd dat we opnieuw moeten nadenken over het fenomeen partij?

[1] Het totale ledental van in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen is uitermate stabiel. Figuur 1 illustreert dit. Van een grote partijpolitieke exodus is geen sprake: begin jaren ’90 verloren partijen nog leden maar zeker sinds 2002 neemt het ledental van partijen zelf een beetje toe.

[2] De opkomst bij verkiezingen vertoond een zelfde opmerkelijke stabiliteit: in figuur 2 zijn de opkomst bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer, gemeenteraad, Europees Parlement en provinciale staten getoond.  Het idee van een massale politieke onthechting wordt niet geboekstaafd.

[3] De structuur van partijen is verouderd volgens Klub Kobalt. Wat juist opvallend is, als je de organisatie van politieke partijen bekijkt is de ongekende democratisering die partijen sinds 2000 hebben doorgemaakt: CDA en VVD stappen af van een afgevaardigdencongres en kozen voor een ledencongres. One man, one vote. De PvdA koos voor een hybride vorm tussen afdelingsvertegenwoordigers en leden. GroenLinks werd zo democratisch dat de samenstelling van de lijst een soort tombola is geworden. CDA, VVD, GroenLinks en PvdA organiseerden ledenraadplegingen voor het partijleiderschap. Ook de partijvoorzitter, Europese en Eerste Kamerlijsttrekker werd in veel partijen direct verkozen. Zo wordt het voor mensen interessanter om lid te worden, omdat ze direct invloed hebben. Denk maar aan het succes van de G500 die bij met name het CDA vanwege het ledencongres hun ideeën  in het programma kregen.

Kortom: het beeld dat Nederlanders massaal de partijpolitiek de rug toe keren wordt niet onderbouwd door de opkomst bij verkiezingen of het ledenaantal van partijen. De betrokkenheid van Nederlanders bij politiek lijkt juist tamelijk stabiel.

De Kuur

Het is maar zeer de vraag of de oplossing die Kobalt biedt het probleem niet meer zal verergeren in plaats van bestrijden. Kobalt kiest voor vervagen van het onderscheid tussen partijlid en sympathisant. Ze willen dat leden en sympathisanten mee kunnen beslissen over de standpunten van de partij. Dat deze sympathisanten geen binding met de partij hebben vinden ze prima: Kobalt pleit voor politieke polygamie. Stimuleer dubbellidmaatschap en accepteer dat mensen zich niet meer lang aan een partij willen verbinden maar kiezen voor specifieke activiteiten en projecten.

Zo holt Kobalt de waarde van het partijlidmaatschap uit: als je geen lid hoeft te worden om invloed uit te kunnen oefenen op de partij maar dat ook als sympathisant kan, dan is er geen reden meer om lid te worden van een partij. Dat is dus een rare oplossing, als zoals Kobalt je zorgen maakt om de ‘teruglopende’ ledenaantallen van partijen.

De Crisis

Ik leeft niet op een roze wolk. Er is een probleem in de Nederlandse politiek. Maar dat is niet de onthechte relatie tussen burger en politiek, maar tussen burgers en specifieke politieke partijen. Als we naar het ledenaantal van de klassieke grote drie partijen (CDA, VVD en PvdA) kijken dan zien we een sterke, bijna lineaire terugval. Ieder jaar verliezen deze partijen gezamenlijk ongeveer 5000 leden. In de afgelopen vierentwintig jaar zijn deze partijen ongeveer de helft van hun leden verloren.

Bij verkiezingen is eenzelfde trend zichtbaar. Bij de Europese verkiezingen van 1989 haalden deze partijen ongeveer 80% van de stemmen op. Bij de Europese verkiezingen van 2009 was dat nog maar 40%.

Er is sprake van een exodus uit de grote drie partijen. Zij zijn steeds minder staat om kiezers aan zich te binden. Voor zo ver als er een crisis in de partijdemocratie is, is dit een crisis van de bestaande partijen.

De partij die het sterkst gestegen is in de kiezersgunst en in ledenaantal is niet een partij voor moderne polygame twijfelaars, maar de op de leest van de klassieke massapartij geschoeide SP. Deze partij haalde in 1989 nog 31.989 stemmen, in 2012 was dat 909.853. Een verdertigvoudiging! Deze partij had in 1992 15.122 leden (tamelijk veel overigens voor een partij zonder zetels). Dat zijn er nu 45.815. Qua leden is de SP nu groter dan de VVD. De SP is geen partij van vrijblijvende vrijwilligheid of van politieke polygamie. De SP heeft gekozen voor het model van de massapartij: ze vereist actieve deelname en loyaliteit van haar leden. Haar Kamerleden komen voort uit de partij. Je mag niet meepraten op een ledenraadpleging als je niet gecanvast hebt. Dat blijkt een succesvolle strategie om kiezers en leden te binden.

De economie van meer, meer, meer of de economie van ervaringen.

Gisteren nam Pepijn Vloemans afscheid van Bureau de Helling, het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. Voor zijn afscheid schreef ik het volgende:

Het materialisme. Dat is het grootste problemen van onze tijd. Onze obsessie met meer, meer, meer is een teken van een beschaving die zichzelf naar de rand van de ecologische catastrofe consumeert. Bureau de Helling ging op onderzoek uit. We zoeken een materialist op en een postmaterialist en we laten hun levenspatronen doorrekenen door een milieukundige.

De materialist

Ik ontmoet Hans bij hem thuis. Hij woont in een appartement in Nieuw Vennep. Zijn huis staat vol met plastic dinosauruspoppetjes. Hij heeft er honderden, misschien wel duizenden. We lopen langs zijn collectie. Zijn kasten puilen uit. Sommigen zijn ‘mint-on-card‘, anderen zijn tamelijk beschadigd: ‘Battle damage‘. Als ik naar twee dinosauriërs wijs, ‘Velociraptors’ zegt Hans snel, en vraag waarom hij twee dezelfde heeft, schudt hij nee: ‘De eens is een repaint van de ander. Kijk deze heeft magenta klauwen en hier zijn ze fuchsia.’

Hans is overduidelijk trots op zijn collectie. Op internet zit hij op fora met verzamelaars uit heel de wereld. Op internet vertellen ze trots over wat ze hebben vergaard. ‘Ja, eigenlijk is er niets leukers dan iemand jaloers maken omdat je net één euro meer hebt geboden op eBay’. De collectie van Hans is één van de grootste en meest complete. ‘Zeker nadat ik een deel van de collectie van een Amerikaan had over gekocht. Toen hij ging samenwonen met zijn vriendin moest hij zijn verzameling weg doen.’ Ik durf hem niet te vragen wat hij dat kostte. Maar hij vertelt er monter over: ‘Een deel daarvan verkoop ik op eBay. Dan krijg je er zo 30 dollar voor.’ Hij wijst naar een plastic speelgoeddinosaurus. ‘Mint-in-box hè. Zo houd ik misschien wel meer over aan deze aankoop dan ik er origineel voor heb betaald.’

We eten een broodje pindakaas. ‘Sorry dat er niet zo veel keuze is, wil je me misschien een peer?’ Hans eet strikt vegetarisch. Hij is geen foodie, de snoep- en chipskasten zijn goed gevuld.

Iedere dag pendelt hij met de trein op en neer naar Rotterdam. Daar werkt hij in een bioscoop. Eén van de voordelen van die baan is duidelijk zichtbaar. Waar geen ruimte was voor een kast hangt een filmposter. ‘Als een film niet meer draait dan worden de posters teruggestuurd naar de distributeur.’ Het is een soort van hergebruik. Dat past hem wel: bijna al zijn dino’s zijn tweede- of derdehands. Op vakantie gaat hij nauwelijks. In zijn weekenden struint hij verzamelaarbeurzen af, op zoek naar net die ene dino die hij mist. ‘De Jurassic Park collectie heb ik bijna compleet. Ik mis er nog 10.’

Hans is overduidelijk geobsedeerd door spullen. Op mijn vraag of hij een materialist is, zegt hij: ‘Tsja, het zijn er wel veel, hè. Soms kan je je gewoon niet inhouden. Dan moet je er een hebben.’ Het moge duidelijk zijn: Hans put zijn geluk en misschien zelfs wel zijn identiteit uit spullen. Het materialisme, competitiedrang en consumentisme zit hem in de wortels. Zijn huis staat vol met prehistorisch plankton dat door Chinese fabrieken in de mal van prehistorische dieren is gegoten.

De postmaterialist

Het was lastig om met Merijn een afspraak te maken. Nu woont hij nog in Utrecht, maar over een paar dagen vliegt hij naar Mumbai. ‘Voor mijn nieuwe boek over sociaal en duurzaam ondernemen. Ik ga ook bloggen voor De Correspondent.’ Daarna gaat hij een tijdje in Parijs wonen: ‘Ik was Nederland zo zat. Hier heerst een economische sfeer. Maar Parijs. Daar gebeurt het. Daar zie je hoe mensen bezig zijn met nieuwe initiatieven.’ Ik tref hem in zijn favoriete restaurant: Van Zuylen aan de Singel in Amsterdam. Hij pakt de kaart en bestelt een broodje filet americain. Ik vraag hem of hij een foodie is: ‘Dat moet je zo zien. Nederlanders kunnen niet koken. Nederlanders zien eten als een noodzakelijk kwaad, als een brandstof. Voor mijn laatste boek heb ik een half jaar door Azië en Australië gereisd. Ik heb alles geproefd: koe, kat, kangoeroe. Maar dit blijft toch wel mijn favoriet.’ Hij smeert nog wat extra filet op zijn broodje. Het is al ruim twee centimeter. Je kan het niet aan hem zien. Merijn fietst veel en loopt hard. ‘Veel mensen fietsen tegenwoordig de Alp d’Hues. Maar ik weet: in je eentje mountainbiken door de Gobiwoestijn. Dat is pas een uithoudingsstrijd.’

Of hij materialistisch is: ‘Nee. Helemaal niet. Ik wil geen spullen verzamelen. Als Flop en ik naar Parijs gaan past alles in onze Mini Cooper: wat kleren en wat boeken. Ik ben niet op zoek naar spullen, maar naar ervaringen. Dat merk ik trouwens helemaal met mijn radiodocumentaire over de consumptiesamenlevingen: we willen geen producten meer maar experiences Ik denk dat daar een kans ligt voor een nieuwe economie.’

Ik vraag hem naar wie voor hem als schrijver zijn voorbeeld is. Het is even stil. ‘Zo moet je dat niet zien. Je baant als schrijver je eigen weg. Nietzsche noemen ze wel de filosoof met de hamer, maar volgens heeft iedere filosoof een kapmes nodig.’ Ik probeer het anders: zijn er Nederlandse schrijvers met wij hij wedijvert. Resoluut: ‘Nee daar gaat het niet om. Dat is zo’n houding van: ‘it is not enough to win, others must lose.’ Die primitieve competitiedrang daar ben ik wel bovenuit gestegen.’

Hij bestelt nog een focaccia met mozzarella en tonijn. Verontschuldigend zegt hij: ‘Ik ben wel vegetariër geweest, maar ik hield het gewoon niet uit, weet je.’ Hij speelt met zijn wijnglas. ‘Je gaat het toch missen. Ik in elk geval. En trouwens in Australië kan je dat echt niet volhouden. Ik eet eigenlijk alleen biologisch vlees.’

Merijn doet aan participant-observation. Hij zoekt het op: hij vertrekt naar Parijs. Hij doet mee: hij eet kat in Thailand. En hij probeert te ontleden wat mensen drijft als blogger voor De Correspondent. ‘De moderne mens verzamelt geen schelpen, muntjes of steentjes meer als aandenken van reizen en ontdekkingen. En zelfs ook geen foto’s. Je verzamelt ervaringen, herinneringen, verhalen. Eigenlijk gaan we daarmee terug naar de prehistorie. De tijd van jagers en verzamelaars. Daar paste ook alles in Mini Cooper. Bij wijze van spreken.’

De wetenschapper

‘Het is een rare opdracht’ zegt Sophie de Vries, de gepromoveerde milieukundige werkt aan de klimaatdoorrekeningen voor het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Normaal rekenen we hele voorstellen voor het kabinet. Maar we kunnen wel even kijken.’ We spreken haar op haar werkkamer in Bilthoven, het raam kijkt uit op een natuurgebied. Aan de muur hangt een groot wit bord met daarop formules en lijnen verbonden met pijlen.

Ik geef haar de twee lijstjes: Hans en Merijn. Man, beiden in het zelfde jaar geboren. De één met een materialistische levensstijl. De ander met een postmaterialistische levensstijl. Met een rode pen gaat ze langs de beschrijvingen: ‘Hoeveel plastic dinopoppetjes? Hoe zwaar ongeveer? En van hoever komen ze?’  Ze knikt. Achter alle posten komt een getal te staan. ‘Normaal gaat het in kiloton CO2 maar we rekenen nu even in een ander orde van grootte.’

Na een minuut of vijf zijn aan alle posten aantallen toegekend. Ze pakt een rekenmachine. ‘Ik had het al verwacht. Kijk, de helft van die dinopoppetjes van Hans zie ik als tweedehands consumptiegoederen. Dat heeft netto een negatief CO2-resultaat omdat ze anders de verbrandingsoven in zouden gaan. En als je dan kijkt: vegetarisch dieet, geen auto, geen vliegreizen. Dan kom ik op een klein CO2 saldo uit. Maar die Merijn: vleesconsumptie, autogebruik, en met name die vliegreizen, hè. Amerika, Azië, Australië. Dat hakt er toch in. Maar het grootste verschil is toch wel wat je dagelijks doet. Een aankoop is incidenteel: maar iedere dag waarop je kiest voor rijst met tofu of stamppot met worst, maak je een keuze voor het milieu. En biologisch vlees is slechter voor het klimaat, dan niet-biologisch vlees. In een megastal kunnen alle gassen worden afgevangen, maar in de vrije natuur gaat dat zo hop de atmosfeer in’

Aantekening van Sophie de Vries

Ik wijs haar nog op zijn boeken over duurzaam ondernemen. ‘Lastig, lastig. In de eerste plaats heeft zo’n boek natuurlijk een positief CO2-resultaat.’ Ik probeer bewustwordingseffecten. Op de achterkant van mijn lijstje tekent ze een lijn: ‘Kijk dit is de opwarming van het klimaat. En deze lijn …’ Ze tekent een lijn vlak boven de opgaande lijn van het klimaat ‘… is het aantal boeken over duurzaamheid. Zo op het eerste gezicht betekent extra boeken over duurzaamheid meer klimaatverandering.’

Links en de Moraal III: Onderwijs is geen markt

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om de publieke sector te beschermen tegen bezuinigingen. Filosoferen over vrijheid weert geen rechtse bezuinigingsdrift af. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

Het was een simpele tweet van een SP-aanhanger: ‘Onderwijs is geen markt’. Het was een fascinerende combinatie van stelligheid en morele verontwaardiging. De stelligheid is onterecht. Het Nederlands onderwijs, en dan in het bijzonder het hoger onderwijs is georganiseerd als een markt: een markt is het geheel aan omstandigheden waarbij in vrijheid een bepaalde dienst of goed worden uitgewisseld voor geld.

Er zijn in Nederland twintig universiteiten waar studenten collegegeld kunnen betalen om een opleiding te krijgen. Studenten kunnen zelf hun eigen universiteit kiezen. De prijsvorming is niet vrij: het collegegeld wordt vastgesteld door regering. Dat zorgt voor concurrentie op kwaliteit. Studenten kiezen die universiteiten en opleidingen die een goede reputatie hebben of goed scoren in onderzoek over onderwijskwaliteit en toekomstperspectieven. Een student betaalt niet de volledige kosten van zijn opleiding, een groot deel daarvan wordt gesubsidieerd door de overheid, maar wel op basis van studentenaantallen. Opleidingen worden gestimuleerd om veel studenten te krijgen en studenten kunnen een vrije keuze maken voor wat zij de beste opleidingen vinden. Dat is een markt, misschien geen ideaaltypische vrije markt, maar wel een markt.

Wat is het fundamentele bezwaar tegen een markt? Ik denk dat er twee centrale bezwaren zijn tegen het marktmechanisme: ten eerste is er het Marxistische bezwaar van vervreemding. Ten tweede is er het egalitaire bezwaar van ongelijke toegang. Laten we naar het eerste kijken: Marx maakte bezwaar tegen de verkoop van arbeid door werknemers aan werkgevers. Omdat het werk werd opgedeeld in taken (‘arbeidsdeling’) werd het saai en repetitief. Voor mensen zou arbeid een vorm van zelfactualisatie moeten zijn en niet menial labour waarvoor men onderbetaald wordt. Mensen moeten zelf beschikken over hun eigen productieproces, dan zijn ze niet vervreemd.

Er wordt op universiteiten veel geklaagd over hoe het onderwijs zwaar is en het verkrijgen van publicaties en onderzoeksgeld een tombola. Maar iedereen moet toegeven dat van alle mensen in Nederland medewerkers van de universiteit de grootste vrijheid genieten: tijd om zelf onderzoek te doen over datgene wat ze interessant vinden; en de ruimte om zelf hun eigen onderwijs vorm te geven. Academische vrijheid is een groot goed. Het werk aan de universiteit is niet saai en repetitief; het is niet opgedeeld in taakjes.
Maar belangrijker: in deze zin verschilt een universiteit niet van welke andere instelling in Nederland, overheid, markt of maatschappelijk. Alle kopen hun arbeid op de vrije markt. Ik kan het me ook niet anders voorstellen: zorg voor gezin en vrijwilligerswerk worden niet op een vrije markt verhandeld. Maar dat is geen reëel model voor het onderwijs. Zolang professoren en universitaire docenten academische vrijheid blijven genieten, lijkt het me overdreven te klagen over onderwijs als markt.

Het tweede bezwaar tegen de vrije markt is ongelijke toegang. Als mensen in vrijheid goederen en diensten uitwisselen ontstaat de mogelijkheid dat sommige personen meer geld krijgen dan anderen. Daarmee kunnen ze meer goederen en diensten kopen. Dat is geen bezwaar zolang de goederen of diensten niet van levensbelang zijn. Voor zorg bijvoorbeeld zou dit een bezwaar kunnen zijn: we willen niet dat de kans dat mensen overlijden aan een ziekte afhangt van hun inkomen. Evenzeer zouden we bijvoorbeeld niet kunnen willen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen. Maar dan is het argument geen levensbelang maar gelijke kansen. Onderwijs is een factor die zo sterk invloed heeft op toekomstige verdiencapaciteit dat we mensen hier gelijke toegang toe willen geven. Daarom is het goed dat het collegegeld voor iedereen gelijk is. Daardoor ontstaat er concurrentie op kwaliteit en is het voor iedereen toegankelijk. De huidige imperfecte marktwerking sluit daar prima bij aan.

U vindt dit misschien een ideaalbeeld: competitie is kwaliteit. Studenten kiezen niet op kwaliteit en massaliteit is niet hetzelfde als kwaliteit. De vraag is wat het alternatief is: als studenten niet meer kunnen kiezen naar welke universiteit ze kunnen maar dat bijvoorbeeld regionaal verdeeld wordt (‘u komt uit Alphen dan moet u naar de Universiteit Leiden’) wordt het onderwijs dan beter? Natuurlijk zijn er ook andere waarborgen van kwaliteit (visitaties, inspraak): maar als blijkt dat een school als InHolland waardeloze diploma’s geeft dan zijn studenten weg en moet die school zichzelf opnieuw uitvinden.

Kortom:

  1. het onderwijs is wel een markt;
  2. medewerkers van universiteiten zijn lastig als van hun arbeid vervreemde loonslaaf te zien;
  3. en de beheerste markt zorgt voor gelijke toegang en concurrentie op kwaliteit.