Halsema’s vrijzinnige voorstel

Ik ben nu begonnen met mijn master scriptie wijsbegeerte, die, net als mijn bachelor scriptie, zal gaan over arbeidsparticipatie. Waar mijn bachelor scriptie zich richtte op de relatie tussen arbeidsparticipatie en liberalisme, richt mijn huidige project zich op de relatie in- en exclusion en arbeidsparticipatie. Mijn huidige onderzoek inspireerde me om opnieuw terug te gaan naar mijn bachelor scriptie. Deze wou ik graag met jullie delen, bij deze een overzicht van argumentatie. De volledige versie is hier te downloaden.

In 2004 noemde Femke Halsema, politiek leider van GroenLinks, haar partij de “laatste liberale partij” van Nederland: hiermee wekte zij een stormvloed van kritiek en lof. Halsema plaatste zichzelf in een liberale traditie en wilde zo links vernieuwen. In 2005 concretiseerde ze haar ‘vrijzinnige’ koers met het manifest Vrijheid Eerlijk Delen. Hier stelde ze een aantal zeer controversiële plannen voor. De belangrijkste hiervan is het voorstel om over te gaan op een nieuw stelsel van sociale zekerheid. Dit stelsel bestaat uit een dynamische arbeidmarkt en een door overheid afgedwongen arbeidsplicht (‘participatiecontract’). Halsema breekt met het sociaal-democratische opvattingen over de verzorgingsstaat en ontwikkelt een ideaal van de verzorgingsstaat als de links-liberale emancipatiemachine.
In Vrijheid Eerlijk Delen, en in de algemenere stukken als Vrijzinnig Links en Een Linkse Lente heeft Halsema duidelijke aanwijzingen gegeven in welke hoek haar inspiratie gezocht moet worden: het hedendaagse Anglosaksische liberalisme. Ze verwijst zelf naar Isaiah Berlin. Ik meen echter dat haar pleidooi in radicaal contrast staat met het hedendaagse Anglosaksische liberalisme. Een mogelijke rechtvaardigingsgrond voor haar voorstel moet ergens anders gezocht worden, bij de radicaal linkse critici van het liberalisme.
Het voorstel om iedereen aan het werk te krijgen, staat op gespannen voet met enkele liberale uitgangspunten: zo breekt het radicaal in op de vrijheid van ieder om zijn eigen levensplan te volgen, door iedereen te dwingen arbeid daarin op te nemen. Hiermee staat Halsema in schril contrast met liberalen als Berlin die ieder gemeenschappelijk maatschappelijk ideaal van het goede leven, als paternalistisch, of zelfs gevaarlijk totalitair afdoen. Ook de sociale uitgangspunten van Rawls’ egalitarianisme stroken niet met Halsema’s plan: als wij het zouden invoeren zou de mogelijkheid om bepaalde levensdoelen na te streven aan bepaalde klassen zijn voor behouden: alleen mannen die met rijke vrouwen zijn getrouwd kunnen zich toewijden aan het vaderschap. Diegenen die met arme vrouwen  zijn getrouwd zijn gedwongen om in een creche te werken. Halsema’s nadruk op arbeid en overheidsingrijpen staat ook recht tegenover liberale begrippen als kapitaal en eigen verantwoordelijkheid.
Arbeid, participatie en overheidsingrijpen zijn echter kernideëen van de radicaal linkse traditie. De redenering van Halsema is goed te verenigen met de principes van prominente critici van het liberalisme, zoals Marx, Rousseau en Bakunin. Centraal staat bij Halsema, net als bij Rousseau, participatie. In economische zin uit dit zich, geheel in lijn met Bakunin, door. Naast participatie brengt arbeid ook nog zelfontplooiing, zoals Marx al formuleerde, om een echt mens te zijn moet je werken. De dwang waar liberalen zo bang voor zijn bestaat niet echt, immers de overheid dwingt mensen slechts te doen wat ze toch al wilden: werken en bijdragen aan de samenleving. Juist hier zit het grootste pijnpunt voor de liberalen. De relatie tussen arbeid en positieve vrijheid is heel duidelijk: door arbeid participeert men in de samenleving, wat noodzakelijk is voor echte vrijheid en ontplooit men zich zelf: arbeid maakt vrij. Halsema erkende dit zelf al, toen zij in reactie op critici haar plan als een radicaal links plan omschreef.

Twee stromen van GroenLinkse politiek

GroenLinks komt voort uit twee stromen van linkse politiek: links-Christelijke en het links-socialistische politiek.  Twee stromen waar wij steeds verder vanaf komen te staan.

De eerste stroming is links-Christelijke politiek. Sinds ongeveer 1918 is er sprake van een links-Christelijke traditie. In dat jaren kwamen er drie linkse Christelijke partijen in de Tweede Kamer. De Christelijk-Marxistische Bond van Christen-Socialisten, die een nadruk legde op de revolutionaire boodschap van het oude testament; de hervormingsgezinde Christelijk Sociale Partij, die als eerste partij in Nederland milieuvervuiling oppakte; en de gematigde Christen-Democratische Partij, die voortkwam uit de linkerflank van de ARP. In 1925 fuseerde de CSP en de CDP tot de Christelijk-Democratische Unie, die een nadruk legde op vrede en ontwapening, maar ook op socialistische economische politiek en op Christelijke sociale politiek. In 1946 fuseerde de CDU in de PvdA. In deze links-christelijke traditie is er altijd nadruk geweest op twee dingen: samenwerking tussen Christelijke en linkse politieke partijen en op post-materialistische politiek van naastenliefde en vreedzaamheid.

In de jaren ’60 en ’70 werden de PPR en de EVP opgericht: ook deze partijen legde een nadruk op samenwerking tussen Christen-democraten en sociaal-democraten. En ook deze partijen legde een nadruk op postmaterialistische thema’s als vrede, verdraagzaamheid, milieubescherming en wereldwijd eerlijk delen.

De tweede traditie is de radicaal-socialistische. Ook deze partijen kwamen voor het eerst in 1918 in de kamer: de Socialistische Partij, een revolutionaire libertair-socialistische partij en de Sociaal-Democratische Partij, een revolutionair communistische partij. Terwijl de SDP bleef bestaan en uitgroeide tot de Stalinistische CPN, werd de SP al snel opgeheven maar verschenen er nieuwe libertair-socialistische partijen: de Trotskyistische Revolutionair Socialistische Partij en de Marxistische Onafhankelijke Socialistische Partij. Na de oorlog onstond er een nieuwe progressief socialistische partij, de PSP, die haar principiele socialisme combineerde met vredes-, milieu- en emancipatiepolitiek. De CPN bleef jarenlang een materialistische partij, die de belofte van wereldrevolutie combineerde met een pleidooi voor hogere lonen en lagere prijzen. De radicaal linkse traditie wordt gekenmerkt door afzondering en isolatie van partijen die niet principieel socialistisch genoeg waren.

Deze vier partijen fuseerden in GroenLinks en namen hun eigen traditie van samenwerking en isolatie, spirituele en materialistische linkse politiek mee. Met de opkomst van Pim Fortuyn en zijn nieuwe tegenstellingen en het nieuwe vrijzinnige geluid dat Femke Halsema daar tegenover liet horen, lijkt GroenLinks nu weggevaren te zijn van deze twee tradities: het nieuwe GroenLinks is seculier en schikt fundamentalistische kerken en moskees samen onder de as van het religieuze kwaad. Het nieuwe GroenLinks is liberaal en streeft naar hervorming van de verzorgingsstaat. Hiermee staat GroenLinks steeds verder van de Christelijke en socialistische traditie waar ze vandaan komt.

De combinatie van socialistische principes met materiele verbetering wordt nu gechampioned door de SP, die steeds sterker groeit in haar splendid isolation. De lijm in ons huidige christelijk-sociale kabinet is de ChristenUnie een partij die ook sterke nadruk legt op milieu en naastenliefde.

Echter twee dingen heeft GroenLinks wel van haar voorgangers behouden: de nadruk op vrijheid van de libertair socialistische traditie en de nadruk op vrede van de Christelijk linkse traditie.

Zomer, Herfst, Lente

Welke seizoenen culturen hebben, is afhankelijk van de natuur om hun heen. De Egyptenaren hadden drie seizoenen akhet, peret en shemu. Deze cyclus was gebaseerd op het overvloeden van de Nijl. In tropische gebieden zijn er twee seizoenen: het natte en het droge seizoen gebaseerd op de monsoen. De vier seizoenen die we nu hebben zijn ook gebaseerd op de natuur: het sneeuwt tijdens de winter, bloemen komen op tijdens de lente, het is broeiend heet tijdens de zomer en in de herfst verliezen bomen hun bladeren.

Nu het niet meer sneeuwt, allerlei bloemen nu al op komen en het steeds warmer wordt aan het eind van de lente en het begin van de herfst, moeten we misschien overwegen die "winter"-maand te helemaal schappen. Gewoon bloeiende lente vanaf februari tot mei, dan warme zomer van mei tot september en dan vervolgens regenachtige herfst van september tot februari.

Onzin van polarisatie

Bos pleit voor polarisatie, daar is dan in de PvdA dan weer veel discussie over. Maar Bos heeft er weinig van begrepen. Bos is niet in de positie om politiek te polariseren en sociale polarisatie moet geen partij politiek.

Politieke polarisatie moet gebaseerd zijn op een meerderheidsstrategie. Het doel van de PvdA was om een progressieve meerderheid te vormen. Het doel was om het afkalvende Christelijke blok op te breken en uit elkaar te spelen. Er was een perspectief op een progressieve meerderheid omdat er in het Christelijke blok een boel linkse mensen zaten.
Die strategie was niet geslaagd: de PvdA haalde geen meerderheid en moest een coalitie vormen met dezelfde Christelijke partijen. Overigens Nederland kwam het dichtst bij een linkse meerderheid in heel anderen tijden 78 zetels linkse zetels (PvdA, D66, GL, SP en RPF). Tijden van politieke consensus en compromissen.
Er is nu geen perspectief op een linkse meerderheid. Als je de peiling ziet en de politieke trends sinds 2002 is de kans op een rechts-conservatieve meerderheid veel groter. Post-Fortuynistisch rechts breekt de traditionele alliantie van linkse arbeiders in de oude wijken en de progressieve intellectuelen van de grachtengordel op. Het is niet "wij" links die moeten polariseren, we moeten juist op zoek naar wat links en progressief kan binden!

Okay, politieke polarisatie lijkt me niet de weg voor de PvdA. Een sociale polarisatie strategie om de emancipatie van Moslims te ondersteunen, net als de emancipatie van vrouwen, homo’s en arbeiders. Dat is de grootste onzin ooit: de sociale polarisatie van de jaren ’70 was niet gebaseerd op partij politiek, maar op groepen van vrouwen en homo’s zelf, die zelf de sociale strijd aan gingen om zichzelf te emanciperen. De witte mannen van de PvdA kunnen geen moslim vrouwen emanciperen door polarisatie. Alleen als moslim vrouwen zelf, met hun eigen vaders en broers het conflict opzoeken over hun eigen positie. De PvdA wil polariseren over de Islam in Nederland om hen zo te emanciperen met een verwijzing naar de homo en vrouwenbeweging. Maar zij polariseerden zelf over hun eigen positie.

Die progressieve sociaal-liberaal Bos wil terug kijken naar betere tijden voor links om daar inspiratie te halen voor zijn huidige politieke strategie. Waarom haalt hij dan geen inspiratie uit de jaren ’90: een bloeitijd voor progressieve en linkse politiek gebaseerd op politieke consensus en individuele emancipatie.

Wie moet er president van Amerika worden?

Over een paar weken staat vast wie de presidentskandidaten zijn van de enige twee partijen die er toe doen in de VS, en over een paar maanden kiezen de Amerikanen van die twee hun leider voor de volgende vier jaar.  Wie is de ideale kandidaat? Wie zou er leider van de vrije wereld moeten worden? Een man of een vrouw? Een zwarte, een hispanic of een blanke? De dynamische jonge of de ervaren oude kandidaat? Een Christen, een Jood of een Moslim?
Kijk: de ideale kandidaat heeft de moed van Martin Luther King, de rhetorische talenten van Winston Churchill, het rechtvaardigheidsgevoel van Moeder Teresa, de politieke opvattingen van Amartya Sen, de vasthoudendheid van Aung San Suu Kyi, de wijsheid van de Dalai Lama, de intelligentie van John Nash en het inzicht Bertrand Russell. Deze perfecte persoon bestaat helaas niet en dat is ook het probleem van de vraag.
De Amerikanen zullen zonder meer een intelligente, moedige, rhetorisch begaafde president kiezen maar deze zal niet perfect zijn. In de laatste acht jaar hebben de Amerikanen twee keer laten zien dat ze een incompetente boven een competente kandidaat verkiezen. Alle kandidaten die nu nog kans hebben, hebben hun eigen problemen: Obama is eigenwijs, Clinton kan niet tegen haar verlies en McCain wisselt te makkelijk van mening. De vraag is niet wie het beste president van de Verenigde Staten kan worden, maar hoe we de taken en verantwoordelijkheden van president zo organiseren dat als deze persoon incompetent is hij of zij het land en de wereld niet naar de afgrond brengt. Hoe je de overheid zo inricht dat niet één persoon alle macht heeft, maar de macht in handen is van velen. De eeuwenoude Amerikaanse grondwet legt een zeer grote macht in de handen van één persoon. Een te grote macht als je het mij vraagt: waarom zou een man of vrouw het recht hebben om iedere wet af te keuren, alle straffen kwijt te schelden, 15,000 ministers, ambtenaren en rechters te benoemen en daarnaast leiding te geven aan de machtigste overheid, het grootste leger en het meest invloedrijke buitenlandse beleid op aarde? En waarom zou diegene voor vier jaar niet te stoppen zijn bij het uitvoeren van deze verantwoordelijkheden?
Andere landen hebben op een andere manieren vorm gegeven aan hun machtige ambten: scheiding tussen een regeringsleider en een staatshoofd, het verantwoordelijk maken van de uitvoerende macht aan het parlement, collegiaal bestuur zodat de regeringsleider op gelijke voet staat met zijn kabinet, regeringen die samen gesteld zijn uit verschillende partijen of het beperken van de macht van de nationale overheid door deze te binden aan het internationaal recht. Allerlei manieren om ervoor te zorgen dat de keuze voor één persoon het lot van het land niet voor vier jaar vastlegt.
Ik weet niet precies hoe je vorm zou moeten geven aan de verantwoordelijkheden van de Amerikaanse president, en dat zou ook niet kunnen in zo weinig woorden, ik weet alleen zeker dat dit de juiste vraag is om te stellen, de vraag naar politieke instituties en de verdeling van macht, en niet de vraag naar personen.

Radicale democratie of beperking van de macht

GroenLinkers zijn radicale democraten, die eigenlijk streven naar een basisdemocratie, waarin iedereen inspraak heeft. Anarchisten zijn het eigenlijk die staan voor directe democratie overal: in de economie, op school, de overheid. Democratie zou dan betekenen dat wij samen zelf meester zijn van ons lot.

Ik zie zelf niets in zo’n soort definitie van democratie. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat iedereen voortdurend deel zal nemen aan politieke besluitvorming. Daar heeft niemand tijd voor en niemand zin in. Je moet je politieke systeem niet inrichten op een ireeel ideaal beeld van de mens. If men were angels there would be no need for government anyway. Als mensen dan plotseling menselijk blijken, stort je hele systeem in: als je politieke systeem inricht op de verwachting dat iedereen participeert, maar slechts een klein deel die hards komt opdagen, dan leg je een boel ongecontroleerde macht in de handen van weinig mensen. Net wat je wilde voorkomen door radicale democraat te worden.

Zowel radicale democraten, als authoritaire leiders leggen ongecontroleerde macht in de handen van velen, dan wel weinigen. Het probleem is volgens mij niet dat macht in de handen van een groep is of van de anderen, maar dat macht ongecontroleerd is. Je zult je politieke stelsel dus zo moeten inrichten dat je macht controleert en verdeelt: geen ongecontroleerde macht voor presidenten of voor radicaal democratische raden, maar juist toezicht en controle. Dus je versterkt het vermogen van het parlement (en dat van andere colleges van staat) om het kabinet te controleren. Je geeft rechters het recht om besluiten van de overheid, die ingaan tegen constitutionele principes, ongeldig te maken. Je schaft het koningshuis af omdat de macht van het koningshuis door niemand te controleren is, omdat het met geheimen is omwikkeld. Je creeert een sterke verticale separation of powers. Maar ook krachtige lagere overheden kunnen met name in een federaal stelsel, de macht van de centrale overheid controleren.

Verkiezingen hebben vanuit dit perspectief ook niet het doel om de overheidsmacht te legitimeren of om de overheid een politieke opdracht te geven, maar om de macht te beperken: het legt een temporele beperking op macht van de overheid, als je om die vier jaar niet herkozen kan worden.

Individu en Collectief in Vrijheid Eerlijk Delen

Vanmiddag kwam ons panel weer samen. De vergadering richtte zich met name op de sociale crisis, waar over nog te weinig debat was. Er waren die panelleden stelden dat er een thema was dat sinds Vrijheid Eerlijk Delen de partij had verdeelt: individu vs. collectief. Halsema en Van Gent zouden individualisten zijn en Platvoet en andere critici dus collectivisten.

Ik begrijp dit echt niet: je kan vrijheid eerlijk delen op veel manieren kenschetsen maar niet als  individualistisch. De kern van vrijheid eerlijk delen is dat mensen moeten participeren aan het arbeidsproces. Als je zelf na een half jaar geen werk heb gevonden moet je een baan aan nemen van de overheid voor het minimumloon.

Laten we individualistisch definieren als: het mensen zelf in staat stellen om te bepalen hoe zij vorm willen geven aan hun eigen leven. En laten we collectivistisch definieren als: het stellen van een bepaald ideeen van het goede leven, namelijk een leven dat in dienst is van de gemeenschap, boven andere ideeen van het goede leven en het ten doel van de overheid stellen dat idee van het goede leven aan haar burgers op te leggen.

Is Vrijheid Eerlijk Delen individualistisch? Anders gesteld is Vrijheid Eerlijk Delen neutraal ten opzichte van alle ideeen van het goede leven? Stelt zij iedereen in staat om zelf vorm te geven aan hun eigen leven? Nee, Vrijheid Eerlijk Delen sluit bepaalde concepties van het goede leven uit: een leven zonder een baan wordt onmogelijk gemaakt. Denk aan Christelijke vrouwen die moeder willen zijn voor hun kinderen, omdat zij dat beschouwen als hun Godgegeven opdracht. Deze visie op het goede leven wordt door Vrijheid Eerlijk Delen uitgesloten. Alle noties van het goede leven waar werken een deel van is, zijn mogelijk onder Vrijheid Eerlijk Delen, alle noties van het goede leven waar werken geen deel van is, zijn uitgesloten. Vrijheid Eerlijk Delen is dus niet individualistisch.

Het lijkt er veel meer op dat Vrijheid Eerlijk Delen collectivistisch is: een bepaald idee van het goede leven (een arbeidszaam leven) wordt aan iedereen opgelegd door de overheid. De redenen daarvoor zijn veelvoudig: het zou je echt vrij maken, door je te dwingen op een bepaalde manier te leven; het houdt de verzorgingsstaat betaalbaar voor ons allemaal; maar belangrijker nog: als je werkt zet je je in voor de gemeenschap. Alleen als je je inzet voor de gemeenschap ben je een goede burger. Vrijheid Eerlijk Delen creeert een boel banen in de collectieve sector, waar mensen zich inzetten voor het algemeen belang. Vrijheid Eerlijk Delen heeft beide aspecten van het collectivisme: je dwingt mensen een bepaald idee van het goede leven op en dat goede leven is een leven in dienst van het collectief.

Het debat over Vrijheid Eerlijk Delen ging niet over individu vs. collectief, maar de discussie richtte zich op eeen kwestie: verdedigen we de huidige verzorgingsstaat die zekerheid biedt voor een grote groep mensen, of vernieuwen we de verzorgingsstaat en bouwen we bepaalde aspecten van dynamiek in (ontslagrechtsversoepeling) om zo uitgesloten groepen (vrouwen, migranten, arbeidsongeschikten) de voordelen van de verzorgingsstaat te bieden. Dat is, als je het mij vraagt geen principiele vraag, maar een vraag over beleid.

Tussen Vrede, Hypocrisie en Realisme

In het discussie stuk  "De Idealen van GroenLinks" worden er geen woorden besteed aan het GroenLinkse streven naar vrede. Er wordt gesproken over de voorwaarde voor militaire interventie. Het achterliggende streven naar een vreedzame wereld, komt op de achtergrond.

Als je kijkt naar (historisch) minder vreedzame partijen, zoals de Nederlandse PvdA, de Duitse SPD, de Europese PES en de Amerikaanse Democraten, speelt het streven naar vrede een grotere rol in hun beginselverklaringen: deze centrum-linkse partijen streven naar een vreedzame wereld, maar sluiten militair ingrijpen niet uit. Ze wijzen ook allemaal pacifisme af: They would fight for peace.

De groene politieke beweging en een partij als GroenLinks in het bijzonder met haar wortels in de vredesbeweging, staat veel ambiguer ten opzichte van een streven naar vrede. Een grondslage discussie over het streven naar vrede zou tot een strijd tussen principiele pacifisten en interventionisten kunnen
leiden. Dat is natuurlijk onzin. Sinds ongeveer 1963 was de zelfs de Pacifistisch Socialistische Partij niet meer pacifistisch. Zij maakte het (voor mij verwerpelijke) onderscheid tussen onderdrukkend en bevrijdend geweld. De anti-kolonialistische bewegingen die zich richten op de bevrijding van hun volkeren van het juk van het Europees imperialisme mochten wel geweld gebruiken de Europeanen niet. Vanaf de jaren ’80 begint de partij te spreken in termen van minimalisering van geweld bij militair ingrijpen. In de jaren ’90 is het oud-PSP’er Leonie Sipkes die pleit voor het gebruik van geweld om mensenrechten te beschermen. De PSP was niet naief pacifistisch. Echter die reputatie had ze wel en die heeft GroenLinks overgeerfd. Een erfenis die ervoor zorgt dat vrede een beladen woord is geworden.

Kijk de sociaal-democraten zijn hypocriet: zij streven naar vrede maar steunen de aankoop van gevechtsvliegtuigen en militaire interventies. De Groenen dreigen steeds realistischer te worden en hun idealen te verliezen: we stonden militaire interventie toe in bv. Kosovo en moeten dus ruizige onzin als vrede en non-violence late vallen. Als sociaal-democraten spreken over vrede zijn zij visionair en idealistisch, als wij, als bleke pacifistenkliek, spreken over vrede zijn wij naief en kortzichtig.

Tussen hoofd en hart

Een tijdje geleden sprak met een vriendin van mij over haar keuze tussen Obama en Clinton. Zij zei dat ze met haar hart voor Obama (de man van hoop en van idealen) was en met haar hoofd voor Clinton (de vrouw van ervaring en beleid).

Ik realiseerde me laatst dat het voor mij andersom is: met mijn hoofd ben ik voor Obama. Hij kan waarschijnlijk beter de Republikeinen verslaan en zijn verkiezing zou voorkomen dat twee dynastieen 24 jaar de macht hebben in de Verenigde Staten. De politicoloog en filosoof in mij zegt: President Obama is goed voor de democratie
Mijn hart gaat uit naar Clinton, een sterke vrouw. De jaren ’90 waren een tijd van vooruitgang en  welvaart. Een mooie tijd voor iedereen. Daarnaast heeft ze zo lang naast haar man gestaan en voor haar idealen, dat ze verdiend om president te worden. Als mens zeg ik: President Clinton is een goede herinnering.

De Socialistische Partij: Voor ons allemaal

Achter in de februari editie van de NU – krant voor een beter Nederland stond een lijstje met alle 25 SP kamerleden. Ieder kamerlid had achter zijn naam een kenschets van haar/zijn politieke doel. Ik heb ze hier even overgenomen. Mijn commentaar heb ik in groen toegevoegd

Jan Marijnissen – voor iedereen (Jan M. is er voor iedereen dus ook voor mij!)
Agnes Kant – Voor zieken & zorgers (het belangen conflict tussen zieken en zorgers wordt hier schijnbaar niet waar genomen: maar hogere lonen voor zorgers, zijn hogere premies voor zieken)
Harry van Bommel – voor de wereldburger (opvallend genoeg dus niet voor de onderdrukten en armen in de rest van de wereld, maar voor mensen die zich daar zorgen om maken!)
Sadat Karabulut – voor mensen in nood (als ik jullie krant goed lees zijn we dat weer allemaal, quick thinking Sadat)
Jan de Wit – voor recht voor iedereen (als we de lijn correct doorvoeren: voor criminelen en hun slachtoffers)
Krista van Velzen – voor dierenvrienden (zelfde als Harry, niet voor de dieren zelf, maar Krista komt op voor dierenbeschermers)
Ewout Irrgang – voor (een) eerlijke economie (maar ja een zin met meer dan vijf letter grepen komt niet aan bij het gemiddeld SP-lid)
Ronald van Raak – voor onze politie (let wel: niet voor veiligheid voor iedereen, maar voor de politie)
Emile Roemer – voor mobiel Nederland (de SP bedoelt hier: "voor de auto-rijders")
Renske Leijten – voor strijdbare jeugd (Renske concurreert met Marianne, Farshad, Ron, Nathalie en Jasper om de youth-vote, Renske neemt het op voor Tofik DIbi laten we zeggen)
Paul Ulenbelt – voor alle werkers (ik denk dat Paul eerst werknemers wou, maar dat had te veel lettergrepen, toen kwam hij met arbeiders en dat was te socialistisch. Werkers dus.)
Fons Luijben – voor onze ouderen (let wel: niet voor ouderen, maar voor onze ouderen. Fons wil niet de stemmen van ouderen, maar van hen die zich zorgen maken over hun (groot)ouders)
Sharon Gesthuizen – voor eerlijke ondernemers (het belangen conflict tussen arbeid (Paul) en kapitaal (Sharon) wordt hier wel gezien. Maar de SP neemt het alleen op voor eerlijke ondernemers. Blijkbaar dus niet alleen voor eerlijke werkers. Dus ook frauderende werknemers vinden ruimte in de partij)
Jasper van Dijk – voor studenten & docenten (zie Agnes: niet alles wat goed is voor de een, is goed voor de ander)
Ron Abel – voor schoolkinderen (Ron die kunnen nog niet stemmen: je had voor "onze" schoolkinderen moeten doen)
Paulus Jansen – voor betaalbaar wonen (Paulus bedoelde eigenlijk "voor huurders", maar de SP wou niet alle mensen met koopwoningen uitsluiten)
Nathalie de Rooij – voor beroepsonderwijs (ik had meer gezien in: voor stagiairs voor stage-plaatsen of voor leer/werk-plekken)
Hans van Leeuwen – voor het creatieve geluid (duidelijk een backbencher zonder eigen portefeuille, wordt op fractie vergaderingen uitgenodigd voor zijn groovy sax)
Arda Gerkens – voor muzikanten en ICT-ers (Arda neemt het tijdens de fractie vergadering regelmatig voor Hans op zullen we maar zeggen)
Remi Poppe – voor onze leefomgeving (waarom niet voor natuurvrienden, net als Harry en Krista?)
Henk van Gerven – de huisarts in de kamer (Agnes neemt het voor Henk op, die zelf geen portefeuille heeft)
Paul Lempens – voor het sociale werk (Paul en Sadet beheren samen een portefeuille zoals van Agnes of Jasper. niet een politiek zwaargewicht dus)
Marianne Langkamp – voor alle kinderen (concurreert met Ron om onze kiddo’s)
Hugo Polderman – voor boeren en buitenlui ("en buitenlui?" Hugo was hip in de jaren ’20)
Farshad Bashir – Jongste Tweede Kamerlid ooit (mooi toch, zo jong, zo egoistisch Farshad neemt het lekker voor zich zelf op)

Drie opmerkingen over dit lijstje:
De SP is "voor". De partij is niet tegen misstanden in de zorg, oorlog, machtsmisbruik, misstanden in het onderwijs, marktwerking, vervuiling, huisjesmelkers, files, dierenmishandeling, kindermishandeling, criminaliteit , passieve jeugd etc. De SP is van ver gekomen.
Bijna alle SP kamerleden (behalve Ewout, Hans, Henk en Farshad) zijn verantwoordelijk voor de belangen van gewone mensen zoals jij en ik. Dat spreekt de man op de straat aan. Maar: dan moeten sommige kamerleden zoals Harry en Krista zich in rare bochten wringen: Krista is voor hogere vrijwilligersvergoedingen bij de dierenambulance en Harry voor een speciale poli in het ziekenhuis voor Amnesty-vrijwilligers met RSI. De tendens is duidelijk: de SP neemt het op voor onze belangen. Nou vind ik persoonlijk dat het met onze belangen wel goed zit en dat wij in het rijke westen het op moeten nemen voor onderdrukten en armen in andere werelddelen, voor toekomstige generaties en voor diegenen zonder stem: dieren, asielzoekers en kinderen.
De SP neemt het ook voor iedereen op: werknemer en werkgever, boer en dierenvriend, zieke en zorger, kinderen en ouderen. De SP is dus een partij van belangenbehartigers, maar niet een die belangenconflicten ziet. Je zou kunnen stellen dat de SP dus een derde weg positie in neemt en probeert tegenstellingen tussen mensen weg te nemen. Het waren niet de revolutionaire bewegingen van links in de jaren ’20 die zulke opvattingen hadden. Het socialisme is de vertaling van een klassenstrijd, een belangenstrijd, in de politiek. De tegenstelling tussen de belangen van arbeider en ondernemer liggen in de kern van het socialisme. Het waren de revolutionaire bewegingen  van rechts (het fascisme) en de behoudende bewegingen van rechts (het sociaal katholieke denken) die meenden dat het de rol van de sterke staat was om deze belangenconflicten te voorkomen. Overigens ik noem de SP geen fascistische beweging. Ook New Labour pretendeert de belangentegenstelling te kunnen overbruggen, maar New Labour is ook niet socialistisch meer.

Je zou dus kunnen stellen dat de SP een uitermate electoraal-tactische partij is die vroeger een "tegengeluid" was en nu een partij is die het "voor iedereen op neemt". Een partij voor jou en voor mij dus. En hiermee is de partij haar socialistische profiel verloren. Een socialist kan het niet voor iedereen op nemen. Het socialisme is een klassebeweging, die het opneemt voor het proletariaat. Laten we de S in SP maar weg laten en het voortaan de Partij noemen.