Stelling 4: kleine partijen kunnen een groot effect hebben

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de vierde: een open brief aan Marianne Thieme.

Stelling 4: “De Partij voor de Dieren is een krachtige ondersteuning van de stelling die vaak toegeschreven wordt aan Margaret Mead: “Never doubt that a small group of thoughtful, committed people can change the world.””

Beste Marianne Thieme,

Voor uw partij, de Partij voor de Dieren, heb Ik een bijzonder grote bewondering, zowel als politicoloog als als partijgebonden kiezersonderzoeker. Toen uw partij zes jaar geleden in de Tweede Kamer kwam deed u dat op een verkiezingsprogramma dat sterk verschilde van de bestaande verkiezingsprogramma’s door haar exceptionele focus op landbouw en dierenwelzijn. In uw Kamerwerk toonde u en uw collega’s ook een bijzondere focus op landbouw. U eindigt iedere bijdrage met de woorden “tevens ben ik van mening dat de bio-industrie afgeschaft moet worden.” Door de grote aandacht die u besteedt aan landbouw heeft u dit onderwerp op de agenda gezet. De Partij voor de Dieren is, zeker gezien haar beperkte grootte, de meest succesvolle nieuwe partij in de Nederlandse geschiedenis.
In mijn proefschrift heb ik onderzocht waarom de PvdD zo succesvol is. Het mechanisme dat ik daarachter heb gevonden, is dat partijen controle willen houden over de definitie van het conflict over landbouw. Als de PvdD moties gaat indienen over landbouw dan moeten andere partijen wel volgen omdat ze anders alleen maar tegen moties van de PvdD kunnen stemmen. Zo kan zelfs een kleine partij de agenda beïnvloeden. Daarmee is de PvdD een krachtige ondersteuning van de stelling die vaak wordt toegeschreven aan Margaret Mead: een kleine groep van bedachtzame en toegewijde mensen kan de wereld veranderen.

Als partijgebonden kiezersonderzoeker heb ik grote bewondering voor uw partij. Zelfs als we tijdens de verkiezingstijd regelmatig speldenprikjes aan elkaar hebben uitgedeeld: u citeerde een twitterdebat met mij tijdens een discussie over het Lenteakkoord; uw partij publiceerde een lange lijst met tendentieuze uitspraken over de mijne; dus vervolgens heb ik on-line ieder van de uitspraken weerlegd. Politieke partijen kunnen het beste herkend worden door kiezers als ze sterk focussen op een bepaald thema: D66 focust op onderwijs, de PVV op migratie en de PvdD, dus, op dierenwelzijn. Zo zijn partijen herkenbaar voor kiezers. Veel partijen vinden het lastig om focus te kiezen. Eén van de verklaringen voor het slechte resultaat van de PvdA in 2006 is dat ze zich niet op een centraal thema konden richten: onderwijs, zorg, eerlijk delen of veiligheid.

Daarom verbaast het laatste programma van de PvdD mij wel: dat programma focust niet dierenwelzijn maar besteedt veel aandacht aan gezond voedsel, schone energie en mooie natuur. Hiermee komt de PvdD met een groen en sociaal programma dicht bij de PvdA, D66, GroenLinks, de CU en de SP. De Partij voor de Dieren heeft haar radicale, niet-antropocentrische programma naar de achtergrond geschoven. De verhouding tussen dieren en mensen is in dit programma stevig verschoven richting mensen. Het programma stelt “mensenrechten zijn erom te worden nagestreefd” maar heeft het niet over dierenrechten. Het is een teken aan de wand van een veranderende focus. Het radicale dierenrechtenprogramma, is ingeruild voor een breed groen en sociaal programma met oog voor mens, milieu en dier.

Uw partij lijkt haar unieke karakter op te geven. En dat vind ik een groot gemis voor de Nederlandse politiek.

Vriendelijke groet,

Simon Otjes

Stelling 3: nieuwe partijen versterken de links/rechts-tegenstelling

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de derde: over de aard van de links/rechts-tegenstelling.

Stelling 3: “De deelname van nieuwe partijen aan het parlementaire spel versterkt eerder de links/rechts-tegenstelling dan dat dit nieuwe tegenstellingen creëert”

De felste discussie met mijn promotoren betrof deze stelling. Mijn co-promotor heeft namelijk het tegenovergestelde gevonden voor de electorale arena. Sommige nieuwe partijen introduceren volgens hem nieuwe tegenstellingen. Ik vond dit patroon in mijn eigen onderzoek in het parlement niet. Nieuwe partijen versterken eerder bestaande tegenstellingen.

Hiervoor zijn twee oorzaken: de onderwerpen die nieuwe benadrukken zijn bijvoorbeeld migratie (CD, LPF, PVV), landbouw (PvdD), defensie (EVP) en arbeidsmarkt (SP).  Het conflict op deze onderwerpen volgt de links/rechts-tegenstellingen. De PvdD vindt haar bondgenoten volgens haar eigen zeggen aan de linkerkant van de Kamer; de PVV vond in 2006 de Generaal Pardon meerderheid tegenover zich. Als je meer aandacht besteedt aan deze onderwerpen wordt de links./rechts-tegenstelling over het algemeen sterker. Ten tweede, worden veel nieuwe partijen opgenomen in linkse en rechtse bondgenootschappen: de LPF in het rechtse kabinet-Balkenende, D66 en PPR in het linkse Progressief Akkoord, DS’70 in het rechtse kabinet-De Jong. De tegenstelling over democratisering stond haaks op de links/rechts-tegenstelling voor 1967 (PvdA/VVD tegen ARP/CHU/KVP). In de jaren ’70 volgde stemmingen over democratisering het algemene patroon (PvdA-KVP-ARP-CHU-VVD). Dit komt mede omdat D66 was toegetreden tot het Progressief Akkoord en zo democratisering onderdeel was geworden van de links/rechts-tegenstelling.

Wat uiteindelijk de felle discussie met mijn co-promotor onderlag, was een verschil in inzicht in wat de links/rechts-tegenstelling inhoudt. Mijn co-promotor ziet de links/rechts-tegenstelling als een sociaaleconomische tegenstellingen. Andere onderwerpen modelleert hij als haaks op de die tegenstelling. Voor mij heeft de links/rechts-tegenstelling geen intrinsieke betekenis, maar het gaat om de volgorde van partijen: als we zien dat op veel onderwerpen PVV en VVD aan een zijde staan en SP en GroenLinks aan de andere zijde, dan vormen deze onderwerpen samen de links/rechts-tegenstelling. Mijn onderzoek naar parlementair stemgedrag laat zien dat deze tegenstelling zo sterk is dat zij allerlei onderwerpen als migratie, landbouw en defensie, in zich kan integreren, zelfs als deze geen ‘intrinsiek ‘ onderdeel zijn van de sociaaleconomische links/rechts-tegenstelling; en de links/rechts-tegenstelling is zo sterk dat ze ook juist onderwerpen  die nieuwe partijen op de agenda zetten, in zich kan integreren.

Peter Mair stelde dat het politieke conflict niet zo zeer ging tussen de bestaande partijen op de bestaande conflictslijnen, maar tussen nieuwe en bestaande partijen over de definitie van het politieke conflict. De bestaande linkse en rechtse bestaande partijen hebben baat bij de links/rechts-tegenstelling. Een nieuwe groene partij wil misschien juist een conflict zoeken tussen groene en grijze partijen. Ik denk dat hij daarin gelijk had, maar dat de bestaande partijen en de bestaande links/rechts-tegenstelling zeer sterk zijn gebleken.

Oktober opdracht 2012

Net als vorig jaar had ik een Oktober opdracht. Het samenstellen van een aantal CDs voor mijn vader. Nu is het goed om aan te tekenen dat mijn vader een zwak heeft voor country muziek, dus heb ik hem Sigh no more van Britse blue grass kwartet Mumford & Sons gegeven en de CD van Barnyard Tea, een blue grass trio uit de Hollandse klei. Ik heb nog twee CDs zelf samengesteld: een CD van recente combinaties van klassieke en moderne invloeden, en een lofzang op het onconventionele leven.

Classical Progress

# Naam Artiest Album Jaar
1 7/8 The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
2 Goat Rodeo Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011
3 Mushroom Clould The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
4 Isolated System Muse The Second Law 2012
5 Attaboy Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011
6 The Ballad The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
7 Game of Thrones Jason Yang – 2011
8 Hill Justice Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011
9 While I Was Away The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
10 Less is Moi Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011
11 Survival Muse The Second Law 2012
12 The Void The Kyteman Orchestra The Kyteman Orchestra 2012
13 Quarter Chicken Dark Ma, Duncan, Meyer & Thile The Goat Rodeo Sessions 2011

Dit album bestaat uit nummers die klassieke en progressieve muziek combineren. Vier nummers zijn afkomstig van The Kyteman Orchestra van de Nederlandse hip-hop musicus Kyteman. Vier nummers komen van The Goat Rodeo Sessions een samenwerking van de klassieke cellist Yo-Yo Ma met drie Amerikaanse blue grass musici. Twee nummers komen van de nieuwste CD The Second Law van Muse. Een nummer komt van youtube en is een cover van de intromuziek van de populaire serie Game of Thrones.

 

Unconventional

# Naam Artiest Album Jaar
1 From St. Kilda to Fitzroy Amanda Palmer Theatre is Evil 2012
2 Welcome to Mystery Plain White T’s Wonders of the Younger 2010
3 Wig in a Box Hedwig Hedwig and the Angry Inch 2001
4 Sweet Transvestite Rocky Horror Picture Show Rocky Horror Picture Show 1975
5 Trout Heart Replica Amanda Palmer Theatre is Evil 2012
5 Midnight Radio Hedwig Hedwig and the Angry Inch 2001
6 Blood for Poppies Garbage Not Your Kind of People 2012
7 A Grand Theft Intermission Amanda Palmer Theatre is Evil 2012
8 Touch-a-Touch-Me Glee Cast Rocky Horror Glee Show 2010
9 Born this Way Lady Gaga Born this Way 2011
10 Mens durf te leven Wende Chante! 2008
11 Ukele Anthem Amanda Palmer Theatre is Evil 2012

Dit album is een ode aan het niet-conventionele leven. Drie nummers komen van de CD Theatre is Evil van de eigenzinnige Amanda Palmer. Daarnaast komen enkele nummers uit de campy rock musicals Hedwig and the Angry Inch en de Rocky Horror Picture Show.. Na de “Grand Theft Intermission” volgen Lady Gaga en een cover van de Rocky Horror Picture Show door de Amerikaanse feel-good televisieserie Glee. Beide maken van het onconventionele een hapklaar commercieel product. De toegift bestaat uit de klassieke lofzang op het vrije leven “Mens durf te leven” door Wende en het hilarische “Ukele Anthem” van Amanda Palmer.

Waar wonen de overgebleven GroenLinks-kiezers?

Waar werd het meest op GroenLinks gestemd bij de afgelopen verkiezingen? Een electoraal-geografische analyse.

Electorale geografie

In 2010 haalde GroenLinks meer dan 600.000 stemmen, in 2012 was dat net meer dan 200.000 stemmen. Is er een verschil tussen de kiezers die blijven en de kiezers die zijn vertrokken? Hier kijken we naar de spreiding van GroenLinks kiezers over Nederland: in welke gebieden wonen GroenLinks-stemmers? Waar verliest GroenLinks meer en waar minder? En met welke kiezersgroepen overlapt GroenLinks?

Electorale geografie is een ingewikkeld vakgebied: we kunnen zien in welke gemeenten partijen sterk staan en sterk blijven staan. Dit hoeven echter niet dezelfde kiezers te zijn: het is mogelijk dat alle kiezers van partij wisselen met hun buurman, dan blijft de uitslag hetzelfde, blijft de partij sterk in dezelfde gebieden maar is 100% van de kiezers gewisseld. Bovendien, als we vinden dat in zeg gemeenten met veel D66-kiezers mensen ook veel GroenLinks stemmen, hoeft niet te betekenen dat deze electoraten overlappen. Het kan, zeg, mogelijk zijn dat alle mannen D66 stemmen en alle vrouwen D66. Toch kunnen we zo inzicht krijgen in welke kiezers GroenLinks stemmen.

Concentratie

In 2010 konden we vaststellen dat GroenLinks 50% van haar stemmen ophaalde in 38 van de 416 Nederlandse gemeenten. GroenLinks kiezers zijn bijzonder geconcentreerd. Dit zijn onder anderen vier grootste gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) en universiteitssteden als Groningen, Leiden en Maastricht. In 2012 kreeg GroenLinks 50% van haar stemmen in slechts 30 gemeenten. De kiezers van GroenLinks die nog over zijn, zijn sterker geconcentreerd dan het electoraat uit 2010. De gemeenten die nu niet meer in de top staan, zijn Randstad slaapsteden als Zoetermeer, maar ook grote provincieplaatsen als Emmen.

Het GroenLinks electoraat is dus sterker geconcentreerd. Dit betekent dat GroenLinks meer zou verliezen in de gebieden waar ze al niet sterk was; en minder in de gebieden waar ze sterker stond. We kunnen deze hypothesen toetsen: wat is de relatie tussen de steun voor GroenLinks in 2010 en het relatieve verlies van GroenLinks in 2012? We zien dat hier een relatie tussen is. Deze relatie is niet bijzonder sterk, maar in Utrecht is het relatieve verlies minder groot dan in plaatsen waar GroenLinks heel zwak stond als Bunschoten.

Geconcentreerd en progressief

Wat kunnen we zeggen over de gemeenten waar GroenLinks sterk scoort: zijn deze meer links-liberaal of klassiek-socialistisch georiënteerd? Hiervoor gebruiken we een ruimtelijk model van stemgedrag: Gemeenten waar hetzelfde gestemd wordt, clusteren en partijen die in dezelfde gemeenten stemmen krijgen, clusteren. Er ontstaat dan een driehoek: in de eerste plaats zijn de SGP en CU sterk in een aantal kleinere gemeenten, daarnaast zien we een onderscheid tussen de grote steden waar een aantal progressieve partijen als GroenLinks, D66, de PvdD en de PvdA sterk staan, een een aantal kleinere provincieplaatsen waar conservatieve CDA, de VVD, de PVV en 50+ sterk staan. De SP neemt een middenpartij in tussen het progressieve blok en het conservatieve blok. GroenLinks staat extreem aan de progressieve kant van het model. Dit bevestigt dat GroenLinks geconcentreerd is een beperkt aantal gemeenten waar progressief gestemd wordt.

Komen deze patronen ook terug in de voorkeursstemmen? Is er samenhang tussen stemgedrag en regio? Wij kijken hiervoor naar de stemmen in de twintig kieskringen. Veel van de kandidaten scoren inderdaad goed in een bepaalde kieskring. In laatste figuur zijn een aantal patronen weergegeven. We zien hier dat er drie gebieden clusteren: in het Noorden krijgen bepaalde (namelijk noordelijke kandidaten) meer stemmen. In het Zuiden (en dan met name in Limburg) krijgen andere kandidaten meer stemmen. De rest van de kieskringen clustert samen. Met name Amsterdam en Rotterdam vallen hier op: in het Westen scoren de rest van de kandidaten goed. Overigens is deze analyse gecorrigeerd omdat er een gebied is waar één kandidaat bijzonder goed scoort: de Zeeuwse kandidaat in Zeeland. Echter Zeeland legt voor GroenLinks weinig gewicht in de schaal.

Kortom

Het GroenLinks-electoraat is sterk geconcentreerd in de grote steden van Nederland, zowel in de Randstad, als in grote provincieplaatsen buiten de Randstad. Dit zijn plaatsen waar GroenLinks ook eerder al sterk stond. Ook de PvdA, D66 en de PvdD scoren sterk in deze gemeenten. Bij de voorkeursstemmen zien we echter een veel sterker onderscheid tussen de Randstad, het Noorden en het Zuiden die in de andere patronen in het stemgedrag niet evident zijn.

GroenLinks is geen Randstadpartij. GroenLinks staat sterk in de Randstad, maar ook in universiteitssteden in het zuiden en het noorden van Nederland. Het is verstandig hier rekening mee te houden in verkiezingstijd. Verkiezingscampagnes ‘op de grond’ gaan over het mobiliseren van de eigen kiezer en het overtuigen van twijfelaars. De GroenLinks-kiezer is sterk geconcentreerd. In 30 gemeentes halen we nu 50% van de stemmen. Het is goed dat er kandidaten op de lijst staan die niet in Den Haag, Amsterdam of Utrecht wonen. Zoek dus gericht naar regiokandidaten die aansluiten bij gemeenten en gebieden waar je sterk staat. Kiezers in het noorden en het zuiden willen immers graag een kandidaat uit de omgeving. Een lijstduwer uit Groningen stad of Den Bosch – gebieden waar GroenLinks sterk staat – past dus beter dan een lijstduwer uit Zeeland.

Stelling 2: Bestaande partijen zijn conservatief

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tweede: wat te doen met onbevredigende resultaten.

Stelling 2: “In de electorale arena zijn politieke partijen conservatieve organisaties die alleen reageren op nieuwe partijen als ze verkiezingen hebben verloren.”

Een van de minst bevredigende uitkomst van mijn onderzoek was dat ik voor verkiezingsprogramma’s geen of nauwelijks een effect heb kunnen vinden voor nieuwe partijen. Het lijkt erop dat bestaande partijen nieuwe partijen grotendeels negeren. Ze focussen op hun eigen thema’s. Onder beperkte voorwaarden kunnen nieuwe partijen een effect hebben op bestaande partijen in de electorale arena. Alleen als we kijken naar anticipatie in plaats van reactie. En vervolgens kijken naar partijen die de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Alleen dan ontstaat er een effect van nieuwe partijen. Dat wil zeggen nieuwe partijen hebben alleen een effect in de verkiezingen waarin ze waarin ze in de Tweede Kamer komen en alleen op partijen die de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Het idee is dat het verliezen van verkiezingen een wake-up call is voor bestaande partijen die vervolgens meer letten op de politieke omgeving.

Dat nieuwe partijen alleen effect zouden hebben op programma’s in de verkiezingen dat ze in de Kamer komen, zet wel vraagtekens bij het effect. Want immers het kan zo zijn dat zowel de bestaande partij die de verkiezingen heeft verloren en dat succesvolle nieuwe partijen allebei bij het schrijven van hun programma onafhankelijk vaan elkaar dezelfde maatschappelijke onderstroom hebben geraakt?

Dat laat zien dat waar zover het nieuwe partijen betreft bestaande partijen in de electorale arena bijzonder non-responsief zijn. Bestaande partijen focussen op hun eigen thema’s, bij verkiezingen laten zich niet van de wijs brengen door nieuwe partijen. Een onbevredigend resultaat, maar een niet te min een resultaat.

1994 en 2012

Al bij het bekijken van de GroenLinks-lijst voor de Tweede Kamerverkiezingen viel me een ding op: de opvallende gelijkenissen en banden met de GroenLinks-lijst uit 1994. Maar tijdens de campagne dringen nog meer analogieën zich op.

Twee referenda
Laten we beginnen met het lijsttrekkersreferendum. Dat was er in 1994 en 2012. In 1994 werd Ina Brouwer gekozen. Ze vormde een koppel met Mohammed Rabbae. Ze won van het koppel Paul Rosenmoller/Leonie Sipkes. In 2012 betrof het referendum de keuze Sap of Dibi.
Sap en Brouwer haalden de slechtste en de een-na-slechtste verkiezingsuitslag in de geschiedenis van GroenLinks en verlieten allebei na deze uitslag de politiek.
Het meest interessante in mijn ogen is de relatie tussen Brouwer en Sap. In 1993 kwam Brouwer in contact kwam met een jonge promovenda, die aan de Universiteit van Amsterdam werkte aan een proefschrift over de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen: Jolande Sap. Ze ontmoette elkaar op een conferentie die Sap had georganiseerd over feministische economie. Brouwer betrok Sap bij de doorrekening van het verkiezingsprogramma van GroenLinks. In 1994 verliet Brouwer de politiek en kwam te werken als directeur emancipatiezaken bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In 1996 kwam Jolande Sap ook te werken bij dat ministerie. Onder anderen als projectleider van het meerjarenbeleidsplan Emancipatie.

Op plek twee stond 1994 Rabbae, de woordvoerder van een generatie Nederlands-Marokkaanse arbeidsmigranten. Hij was de running mate van Brouwer. In 2012 is Dibi de tegenstrever van Sap. Hij is het gezicht van jonge generatie Nederlandse-Marokkanen. Het congres zette hem op plek #10. In beide gevallen deden deze twee Nederlands-Marokkaanse politici onhandige uitspraken die hun partij op achterstand stelden.

Bam! Daar is Bram!
Op plek twee stond in 2012 Bram van Ojik. Van Ojik stond namelijk in 1994 ook al op de lijst. Hij was toen nummer 7 en campagneleider. Hij verloor de verkiezingen en kwam zo net niet de Kamer in. Hij was namelijk al sinds 1993 lid. Van Ojik was afkomstig uit de groene PPR. In 1989 stond hij bekend als een pleitbezorger van het basisinkomen en werd hij woordvoerder landbouw; in 2012 na een periode als ambassadeur en topambtenaar bij BZ, heeft hij ook nog een buitenlandprofiel. Groen, sociaal en internationaal. Een all-round GroenLinkser. In 2012 stond de campagneleider ook op de lijst, Jesse Klaver. En in de diepte moment van de verkiezingsnacht zag het ernaar uit dat ook hij niet in de Tweede Kamer zou komen. Een lijstverbinding zorgde echter voor een restzetel voor Klaver.

Vakbond
Als linkse partij, heeft GroenLinks natuurlijk kandidaten met banden met de vakbeweging prominent op de lijst. Op plek 3 stond in 1994 de jonge charismatische vakbondsvoorzitter Paul Rosenmöller, die voor zijn tweede termijn ging. In 2012 gaat oud-CNV-jongerenvoorzitter Jesse Klaver (#4) op voor een tweede termijn. Op plek 8 stond in 1994 Ineke van Gent, op veel manieren is Linda Voortman (#5) haar opvolger: een Gronings sociaal gezicht met wortels in de FNV, een grote persoonlijke betrokkenheid en wortels in de partij.

Groen
Plek drie is in 2012 voor Liesbeth van Tongeren, de groene topkandidaat. Ook in 1994 was er een heldere groene kandidaat op vijf Marijke Vos. Van Tongeren heeft wortels in GreenPeace, Vos in MilieuDefensie (waar Van Ojik ook voorzitter van was). Maar Van Tongeren heeft (afhankelijk van hoe je telt) elf collega’s op de lijst met een groen profiel: waaronder vijf in de top tien naast Van Tongeren zijn er Grashofff, Van den Berge en De Jonge van Ellemeet. In 1994 waren er misschien twee kandidaten met een groen profiel, terwijl de lijst in 2012 veel groener is.

Eco-liberaal of eco-socialistisch
Voor de verkiezingen van 1994 was er binnen GroenLinks een debat opgekomen tussen zogenaamde eco-liberalen en eco-socialisten. De eco-liberalen waren meer gericht op samenwerking met D66, waren meer marktgeoriënteerd en waren vaak afkomstig uit de PPR. De eco-socialisten waren meer gericht op samenwerking met de SP, waren meer staatsgeoriënteerd en waren vaak afkomstig uit de PSP. De eerste groep noemden we sinds 2005 voorstanders van de middenkoers van Halsema, terwijl de tweede groep zichzelf Kritisch GroenLinks noemde.

Gratis water of geen XTC
De campagne van 1994 stond bekend als de slechtste campagne die GroenLinks heeft gevoerd. Onduidelijkheid over het tweehoofdige leiderschap van de partij droegen hieraan bij maar zeker ook een aantal incidenten zoals een door GroenLinks georganiseerd house feest. 3000 jongeren feesten tot diep in de nacht op kosten van GroenLinks. Volgens partijbestuurder Van Poelgeest zou hier geen XTC genomen worden. Natuurlijk vonden journalisten vonden dat wel. Tijdens de campagne van 2012 was er na enige media-aandacht voor het voorstel voor GroenLinks om gratis kraanwater te schenken in de media een heksenjacht naar flesjes water bij GroenLinks. In het bijzonder in het campagnecentrum waar net als in 1994 groepen jonge GroenLinksers nachten wakker bleven. Na de campagne van 1994 werd er geëvalueerd: de conclusies waren dat de interne strijd binnen GroenLinks over het lijsttrekkerschap grote onduidelijkheid over het leiderschap had geschapen. Daarnaast waren de verschillen met D66 niet voldoende duidelijk geworden.

Toekomstbeeld
De commissie-Van Dijk zal haar eigen conclusies trekken uit de uitslag. Maar de uitslag van 1994 laat zien dat een slechte uitslag niet het bestaansrecht van de partij hoeft aan te tasten. In het Paarse kabinet voerden PvdA en VVD een ongekend rechts bezuinigingsbeleid met weinig oog voor groen. GroenLinks voerde daar onder de charismatische Rosenmöller herkenbare oppositie tegen. Herkenbaar groen en sociaal, haalde GroenLinks vier jaar later de beste uitslagen uit haar geschiedenis: GroenLinks verdubbelde in 1998 het aantal Tweede Kamerzetels, won bij de gemeenteraadsverkiezingen, haalde ongekend goede uitslagen in de Europese en Provinciale Statenverkiezingen.

De Nieuwkomer Nadoen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Hieronder de volledige Nederlandstalige samenvatting.

Nieuwe politieke partijen hebben mogelijk een bijzondere rol in de politiek. Ze zouden invloed kunnen hebben op hoeveel aandacht bestaande politieke partijen besteden aan thema’s en de posities die ze innemen op thema’s. Sommige nieuwe partijen, zoals de dierenwelzijnspartij Partij voor de Dieren en de ouderenpartij Unie 55+ stelden dit doel expliciet voor zichzelf: ze gaven in interviews en programma’s aan dat ze niet verwachten dat ze meteen een grote kiezersschare zullen krijgen, maar dat ze door hun aanwezigheid bestaande partijen willen dwingen om meer aandacht te besteden aan hun thema’s of hun standpunten over te nemen. Andere partijen tonen grotere ambities. Zo wilde D66 het bestaande politieke stelsel opblazen. Nieuwe partijen kunnen op allerlei manieren indirect invloed uitoefenen op de bestaande partijen en het partijensysteem. Ze kunnen nieuwe onderwerpen op de agenda zetten, bestaande partijen dwingen om hun posities te veranderen, of de structuur van het partijensysteem veranderen. Dit onderzoek richt zich op deze indirecte effecten van nieuwe partijen.

Natuurlijk zijn er ook partijen die nog grotere verwachtingen hebben. Pim Fortuyn, de leider van de Lijst Pim Fortuyn zei ooit: “Ik word de volgende premier. Let maar op!”[1] Door toe te treden tot de regering kunnen nieuwe partijen direct invloed uitoefenen op beleid. Er zijn echter goede redenen van uit de politicologische theorie om een onderzoek te richten op het indirecte effect van nieuwe politieke partijen. Een aantal voorname politicologen, zoals Downs, Daalder, Lijphart en Mair hebben voorgesteld dat nieuwe politieke partijen indirect effect kunnen hebben op het partijensysteem. Downs, bijvoorbeeld, stelde dat nieuwe partijen gevormd kunnen worden met het expliciete doel om de bestaande partijen te dwingen hun posities aan te passen. Hun hypothesen zijn echter nooit uitgebreid onderzocht. Dat is het doel van dit onderzoek.

Politieke partijen zijn conservatieve organisaties, die niet snel geneigd zijn om hun politieke posities te veranderen, behalve als ze zich daartoe voelen gedwongen vanuit electorale overwegingen. Iedere zetel die een nieuwe partij wint, is afkomstig van een bestaande partij. Dus zelfs als nieuwe partijen kleine oppositiepartijen blijven, kunnen ze invloed uit oefenen op de beleidsposities van bestaande partijen, en daarmee op het overheidsbeleid. Zo kunnen nieuwe partij invloedrijke actoren zijn – zij het indirect door hun invloed op bestaande partijen.

Maar nieuwe partijen kunnen niet alleen invloed uitoefenen door stemmen te winnen van bestaande partijen. In het parlement kunnen andere mechanismen een rol spelen. De besluitvorming in het parlement volgt vaak vaste paden: de aard van het politieke conflict staat vast, de conflictslijnen zijn getrokken, daarom staan de meerderheden ook al vast en dus ook de uitkomsten van besluitvorming. De geïnstitutionaliseerde, gestructureerde besluitvorming in het parlement kan nieuwe politieke partijen marginaliseren. Het is echter ook mogelijk dat nieuwe partijen deze mechanisme uitbuiten en een grote invloed kunnen hebben op besluitvorming. Nieuwe politieke partijen kunnen een externe schok zijn die de geïnstitutionaliseerde parlementaire besluitvorming ontregelen. Zo kunnen ze nieuwe onderwerpen op de parlementaire agenda zetten en de aard van het politieke conflict veranderen.

Volgens Mair hebben nieuwe partijen een bijzondere rol in politieke competitie. Mair dat de politieke competitie tussen nieuwe en bestaande partijen even belangrijk is als de competitie tussen bestaande partijen. Bestaande partijen hebben er belang bij om de bestaande conflictslijnen in stand te houden: de bestaande linkse en rechtse partijen ontlenen hun posities in het partijenstelsel en hun legitimiteit aan deze conflictslijn. Nieuwe partijen hebben er belang bij om nieuwe conflictslijnen te introduceren en daarmee het politieke conflict te herdefiniëren. Dit betekent echter ook dat bestaande partijen er een bijzonder belang bij hebben om nieuwe partijen op te nemen in politieke bondgenootschappen. Mair en Bale stellen dat de coöptatie van nieuwe partijen in linkse of rechtse politieke allianties de bestaande links-rechts-dimensie versterken. Hierdoor zou het aantal dimensies in het politieke systeem zelfs kunnen verminderen.

Nieuwe politieke partijen kunnen dus politieke verandering teweeg brengen. Het onderzoek in dit veld is beperkt, zo stelde Harmel. Sindsdien zijn er een aantal studies naar het effect van nieuwe partijen geweest. Norris noemt de case-study van Harmel and Svåsand het meest systematische onderzoek. Er zijn een aantal studies gepubliceerd daarna maar deze richten zich op specifieke nieuwe partijen of specifieke partijfamilies.[2] Dit onderzoek is uniek omdat het zich richt op alle nieuwe partijen, die een parlement binnen treden.

Dit onderzoek probeert een antwoord te geven op de vraag in welke mate en onder welke voorwaarden nieuwe partijen invloed uitoefenen op bestaande partijen en partijsystemen. Dit onderzoek kijkt naar alle reacties van bestaande partijen, zowel in termen van aandacht voor onderwerpen als de positie op die onderwerpen. Het richt zich zowel op de parlementaire arena, als op de electorale arena. Ten slotte, kijkt het zowel naar het effect van nieuwe partijen op bestaande partijen en op het partijenstelsel.

Dit onderzoek richt zich op de reacties van alle bestaande partijen op alle nieuwe partijen in één land, Nederland, sinds 1946. De reden om een enkel land te onderzoeken is dat op deze manier eigenschappen van het politieke stelsel die invloed kunnen hebben op de mate nieuwe partijen invloed kunnen hebben op bestaande partijen, constant worden gehouden. Omdat Nederland zo’n open politieke systeem heeft, zeker in termen van het kiesstelsel is er een groot aantal nieuwe en bestaande partijen om te onderzoeken. Nieuwe partijen zijn in dit onderzoek gedefinieerd als organisaties die verkozen vertegenwoordigers in het parlement hebben voor de eerste keer en niet gevormd zijn als een transformatie van een bestaande partij of als een fusie van twee bestaande partijen. Dit onderzoek richt zich op de invloed van negentien nieuwe partijen op gemiddeld negen bestaande partijen. De uitkomsten van dit onderzoek hebben ook betekenis buiten de grenzen van Nederland. Nederland is geselecteerd als een meest waarschijnlijke casus om effecten te zien van nieuwe partijen. Met het grote aantal en zeer diverse aanbod van nieuwe partijen is het waarschijnlijk dat als nieuwe partijen invloed hebben op bestaande partijen, men dat hier kan zien. Als er geen effect van nieuwe partijen wordt waargenomen in Nederland, dan is het onwaarschijnlijk dat dit buiten Nederland wel gevonden kan worden.

De belangrijkste uitkomst van dit onderzoek is dat er een groot verschil is tussen de parlementaire en de electorale arena. Terwijl in de parlementaire arena de binnenkomst van een nieuwe partij over het algemeen leidt tot een reactie van de bestaande partijen, is dit minder duidelijk voor de electorale arena. Waar het gaat om aandacht voor onderwerpen kan er een directe vergelijking gemaakt worden tussen beide arena’s. In de parlementaire arena leidt de aanwezigheid van een nieuwe partij tot een verandering van de aandacht voor het onderwerp van die partij. In de electorale arena gaat dit niet op: er kan wel voor sommige nieuwe partijen een effect gevonden worden voor sommige bestaande partijen. Het verschil in de reacties tussen deze twee arena’s heeft te maken met de aard van deze twee arena’s. In de parlementaire arena is er een parlementaire agenda waar bestaande partijen zich aan moeten houden, terwijl in de electorale arena bestaande partijen er belang bij hebben om zich te richten op hun eigen onderwerpen.

De aard van de politieke arena heeft effect op de manier waarop bestaande partijen reageren op nieuwe partijen. De parlementaire agenda is een bijzonder politiek construct: aan de ene kant, geven politieke partijen zelf vorm aan de parlamentaire agenda door hun eigen initiatieven. Aan de andere kant beperkt de parlementaire agenda waar nieuwe partijen over kunnen spreken. Door de parlementaire agenda te veranderen, kunnen nieuwe partijen de activiteiten van individuele partijen beïnvloeden. Door bijvoorbeeld zelf actief te zijn op het eigen onderwerp, kunnen nieuwe partijen de definitie van het politieke conflict beïnvloeden. Om controle te houden over de definitie van het conflict op dat onderwerp, moeten bestaande partijen zelf actief worden op dat onderwerpen. Door zich zelf los te maken van de parlementaire agenda kunnen nieuwe partijen de parlementaire agenda beïnvloeden.

In de parlementaire arena hebben de eigenschappen van nieuwe partijen een effect hebben op de reacties van bestaande partijen: sterker georganiseerde nieuwe partijen, nieuwe partij die meer zetels hebben gehaald en nieuwe partijen die meer aandacht besteden aan hun eigen onderwerpen, veroorzaken meer reacties dan nieuwe partijen die slechter zijn georganiseerd, kleiner zijn en minder aandacht besteden aan hun eigen onderwerpen. Ook kan er een onderscheid gemaakt worden tussen mobiliserende en uitdagende nieuwe partijen. Mobiliserende nieuwe partijen proberen een nieuw onderwerp op de agenda te brengen, terwijl uitdagende nieuwe partijen een bestaande partij uitdagen op zijn eigen onderwerp. Dit onderzoek laat zien dat mobiliserende nieuwe partijen inderdaad nieuwe onderwerpen op de agenda zetten: er is meer aandacht voor die onderwerpen en er wordt vaker verdeeld overgestemd over deze onderwerpen. Voor uitdagende partijen is er geen verandering in aandacht zichtbaar. Noch is het zo dat de partijen die ze uitdagen van positie veranderen. Wel is het zo dat grote partijen aan de overkant van het politieke spectrum een extremere positie innemen. Dit kan begrepen worden vanuit het strategisch perspectief van Meguid: deze grote partijen proberen de uitgedaagde partij in het nauw te brengen door het conflict aan te gaan met diens uitdager.

Waar het gaat om de posities van bestaande partijen op vraagstukken, zien we dat de binnenkomst een nieuwe partij in de parlementaire arena samenhangt met de polarisatie van eerder nog niet-gepolariseerde vraagstukken en het versterken van het politieke conflict op dat onderwerp. Nieuwe partijen creëren geen nieuwe conflicten, maar brengen nieuw leven in bestaande conflicten.

Er is geen bewijs dat de aanwezigheid van nieuwe partijen per se ertoe doet voor de aandacht die nieuwe partijen besteden aan onderwerpen in hun verkiezingsprogramma’s na hun binnenkomst. Voor zo ver we betekenisvolle patronen vinden, lijken bestaande partijen nieuwe partijen sterker te anticiperen, dan dat ze op nieuwe partijen reageren na hun binnenkomst. Zowel voor aandacht als voor posities geldt dat er meer betekenisvolle relaties gevonden zijn voor anticiperend gedrag dan voor reactief gedrag. Bij het schrijven van verkiezingsprogramma’s zijn nieuwe partijen niet zo zeer bezig met het winnen van de laatste slag, maar -onder specifieke voorwaarden- zijn nieuw partijen zeer bewust van het conflict dat ze die verkiezingen aan zullen gaan. Bestaande politieke partijen zijn conservatieve organisaties die alleen op hun omgeving reageren als ze verkiezingen hebben verloren: Als bestaande partijen de verkiezingen hebben verloren hebben ze een reden om op hun omgeving te reageren. Het meest consistente patroon dat is gevonden in de electorale arena is dat nieuwe partijen het sterkst reageren en anticiperen op nieuwe partijen, als ze de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Dit geldt zowel voor aandacht als voor positie.

Het effect van nieuwe partijen op het partijsysteem is onderzocht in het parlement, waar op het niveau van de individuele partij de sterkste reacties zijn waargenomen. Als nieuwe partijen effect zouden hebben op de conflictslijnen dan is het hier. Voor zo ver als veranderingen van conflictslijnen teruggebracht kunnen worden naar nieuwe partijen, duidt de data erop dat nieuwe partijen geassocieerd worden met het verminderen van de dimensionaliteit van partijsystemen. Dit is in tegenstelling met de verwachtingen die op basis van het werk van Mair, Schattschneider en Pellikaan et al. geformuleerd zijn. Dit kan verklaard worden door twee mechanismen: op de onderwerpen die nieuwe partijen introduceren, volgen partijposities de links-rechts-dimensie; en omdat nieuwe partijen worden gecoöpteerd in linkse of rechtse bondgenootschappen wordt de links-rechts-dimensie versterkt. Dit laatste is eerder voorgesteld door Mair en Bale: de integratie van nieuwe partijen in linkse en rechtse allianties versterkt de bimodale competitie. Dat de bestaande politieke partijen zo succesvol zijn geweest in het uitschakelen van nieuwe politieke partijen, versterkt het belang van het conflict dat Mair heeft beschreven: in het conflict tussen zij die een belang hebben bij het in stand houden van de bestaande conflictslijn, en zij die de bestaande conflictslijn willen vervangen door een nieuwe conflictslijn, heeft de eerste groep vrij consistent gewonnen.

Dit onderzoek toetst de bestaande theorieën over het effect van nieuwe partijen en de ambities die nieuwe partijen zelf hebben uitgesproken in een enkele casus. De uitkomsten van het onderzoek moeten daarom voorzichtig geïnterpreteerd worden worden: specifieke nieuwe partijen hebben effect op specifeke bestaande partijen. Over het algemeen, is het effect van nieuwe partijen afhankelijk van de politieke arena. Het is de vraag of de resultaten van dit onderzoek relevantie hebben buiten de grenzen van de Nederlandse casus. Nederland is geselecteerd als een meest waarschijnlijk casus. Als nieuwe partijen effect hebben, dan is het hier. Positieve resultaten betekenen niet dat de mechanismen en patronen die gevonden zijn noodzakelijkerwijs in andere landen voorkomen. In meer gesloten systemen, kunnen er nog steeds mechanismen zijn die ervoor zorgen dat bestaande partijen geen rekening hoeven te houden met nieuwe partijen. De negatieve resultaten van dit onderzoek zijn daarom des te betekenisvoller: als zelfs in Nederland, met een open kiestelsel de aanwezigheid van nieuwe partijen in de electorale arena niet leidt tot reacties van bestaande partijen, is het niet waarschijnlijk dat dit in andere landen wel zo is. Noch is het waarschijnlijk dat de binnenkomst van nieuwe partijen in deze systemen zal leiden tot nieuwe conflictslijnen. Ook hier zullen de nieuwe conflictslijnen zwak blijven of geïntegreerd worden in de bestaande links-rechts-tegenstelling. Het is de vraag of Nederland een meest waarschijnlijke casus is: door de openheid van het politieke systeem kunnen bestaande partijen geïmmuniseerd zijn voor nieuwe partijen. Terwijl in andere systemen de binnenkomst van een nieuwe partij een schok voor het systeem is, hoort het in Nederland bij een verkiezing dat in de marge van het systeem een nieuwe partij ontstaat. Bestaande partijen kijken daar niet meer van op. Alleen als nieuwe partijen door hun eigen activiteit de parlementaire agenda beïnvloeden, dan moeten bestaande partijen wel reageren. Daarnaast kan de openheid van de kabinetsformatie, waar een aantal nieuwe partijen al snel bij betrokken raakten, het vermogen van nieuwe partijen om in het parlement nieuwe conflictslijnen te introduceren ernstig belemmeren. Dit onderzoek in dit ene land vormt geen finale ontkrachting van de Schattschneider-Mair thesis, maar het vormt wel een ondersteuning van de Mair-Bale thesis.



[1] Pels, D. (2009) Mei 6 “Pim Leeft! Zeven jaar na de moord op Pim Fortuyn” De Groene Amsterdammer

[2] Er is mij maar een onderzoek bekend dat naar nieuwe partijen in het algemeen kijkt. Het onderzoek van Huibregts (2006).

Stelling 1: Als je de agenda wil bepalen, moet je haar niet volgen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de eerste: een open brief aan Henk Krol.

Stelling 1: “Het is voor veel nieuwe partijen lastig om zich aan de parlementaire agenda te onttrekken. En toch moet je deze agenda niet volgen, als je deze wil bepalen.”

Beste Henk Krol,

Laat ik allereerst de mogelijkheid nemen om u, zij het wat laat, te feliciteren met de uitslag van uw partij, 50Plus, bij de Tweede Kamerverkiezingen.

Nieuwe partijen als de uwe komen vaak met grote ambities naar Den Haag: de Politieke Unie 55+ schreef in 1994 “Natuurlijk zal de Unie, alhoewel er reeds circa 3.5 miljoen potentiële kiezers van vijfenvijfitg jaar en ouder zijn geen meerderheid in de Tweede Kamer verkrijgen (…). Toch kan haar invloed groot zijn. Elke zetelwinst zal ten koste gaan van andere partijen. Door de afgedwongen wijziging van de opstelling van de bestaande partijen en door eigen inbrengen zullen de doelstelling van de Politieke Unie 55+ kunnen worden verwezenlijkt.” In mijn proefschrift kijk ik naar het vermogen van nieuwe partijen om aandacht voor thema’s in de Tweede Kamer te beïnvloeden. U noemt zelf naar de Partij voor de Dieren als voorbeeld. Ik denk dat u dat terecht doet: deze partij is een van de meest succesvolle nieuwe partij geweest als we kijken naar haar effect op de bestaande partijen.

Waarom is de PvdD zo succesvol geweest? Er is hier één belangrijke oorzaak voor: focus. Geen partij in de Tweede Kamer is zo sterk gefocust geweest op één onderwerp, in haar geval landbouw. 69% van haar eerste verkiezingsprogramma ging over landbouw, 36% van haar parlementaire speeches en 68% van haar moties. Daardoor heeft zij de toon gezet van het debat over landbouw. De zeer grote aandacht voor landbouwthema’s leidde zichtbaar tot wrevel bij andere partijen: D66-Kamerlid Boris van der Ham verliet de vergadering en riep “Dit heeft zo geen zin.” toen de PvdD tientallen moties over dierenwelzijn indiende. Maar niets is minder waar: ook D66 heeft meer aandacht besteed aan landbouw en dierenwelzijn sinds de PvdD zo opereert in de Tweede Kamer. Andere partijen moesten wel mee doen met de PvdD, wilden zij de grip over  het debat niet verliezen. Ik zie in mijn eigen onderzoek dat nieuwe partijen zelfs als ze klein zijn, een grote invloed kunnen hebben op de parlementaire agenda, ten minste als ze sterk gefocust zijn op hun eigen onderwerp. Mijn eerste advies is dus focus op uw eigen onderwerp: ouderen. Neem tijdens de financiële beschouwingen de volle tijd om te praten over pensioenen. U zult, gezien uw achtergrond, graag willen bijdragen aan bijvoorbeeld een debat over homo-emancipatie. Mijn advies doe dat niet: het is voor veel nieuwe partijen lastig om zich aan de parlementaire agenda te onttrekken. En toch moet je deze agenda niet volgen, als je deze wil bepalen.

Het tweede advies is: geen ruzie. Nieuwe partijen die ruziemaken hebben minder effect op bestaande partijen. Dat is waar de eerste generatie ouderenpartijen aan onder is gegaan. Er is naast grootte, focus en interne organisatie, een vierde oorzaak voor het succes van nieuwe partijen. Als nieuwe partijen een onderwerp aansnijden dat nog niet gepolitiseerd is, bereiken ze veel meer dan als ze een onderwerp aansnijden dat al op de politieke agenda staat. Hierin staat uw nieuwe partij op achterstand. Uw partij is binnengekomen op het verzet tegen de verhoging van de AOW-leeftijd en de onzekerheid over de pensioenen. Dit onderwerp is al sterk gepolitiseerd, met de PVV en de SP die de kant van ouderen gekozen hebben. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat uw partij de aandacht voor pensioenen zal vergroten, immers deze onderwerpen zijn al sterk gepolitiseerd.

Intern eenheid en sterke focus. De belangrijkste factoren voor succes voor een kleine partij in de Kamer. Dat kan ik u zeker aanraden. Ik wens u veel succes met uw werk in de Tweede Kamer,

Vriendelijke groet,

Simon Otjes