Meer Overheid, Meer Vrijheid.

Het klinkt als een mooi axioma: “meer overheid, minder vrijheid”. Ieder ingrijpen van de overheid beperkt de individuele vrijheid van mensen. Ieder regel die afgeschaft wordt, betekent dat we vrijer worden. Of zoals D66’er Pieter Rietman stelde op DeJaap: “minder ambtenaren betekent minder regeltjes en dus meer vrijheid.”

De vrijheid van de moordenaar en de vrijheid van het slachtoffer

Vrijheid is een goed, een groot goed. Hoe meer hoe beter dus. Maar is iedere regel een gevaar voor de vrijheid? Er zijn een boel regels die de vrijheid beschermen Het verbod op moorden, volgens mij vrij oncontroversieel, bijvoorbeeld, beperkt de vrijheid van de moordenaar, maar beschermt de vrijheid van zijn potentiële slachtoffers. Uit dit verbod spreekt een belangrijk principe: sommige vrijheden hebben prioriteit boven andere vrijheden. Het recht op leven heeft prioriteit boven het recht op vrije beroepskeuze (voor zover moordenaar een beroep is).
Dit voorbeeld klinkt misschien absurd, maar een groot deel van het overheidsingrijpen is volgens mij rechtvaardig omdat het op deze manier fundamentele vrijheden beschermt. Een overheid die regels oplegt aan de vervuiling die bedrijven produceren, kan dat doen om dat het recht op een gifvrij leven van de burgers belangrijker is dan het recht op vrije ondernemingsgewijze productie van ondernemers.
Het is onvermijdelijk dat regels vrijheden beperken, maar regels zijn volgens mij voor liberalen rechtvaardig waar die vrijheden die minder prioriteit hebben beperkt worden ten bate van fundamentele vrijheden. Kwesties zoals het verbod op rituele slacht, zijn zo lastig omdat daar fundamentele vrijheden met elkaar botsen (het recht op een lijdensvrij leven van een dier en de godsdienstvrijheid van de gelovige).

Bestedingsvrijheid

Maar dat is eigenlijk niet wat Rietman bedoelt. Hij stelt even verder op welke vrijheid hij het belangrijkst vindt: “inkomstenbelasting verder omlaag zodat er ook meer bestedingsvrijheid voor consumenten ontstaat.” Zijn ideaal is duidelijk: “Lachende mensen (…) met heel veel eigen geld in hun eigen zakken.”
Volgens mij is het rechtvaardig om belasting te betalen (en daarmee de bestedingsvrijheid te beperken) als we daarmee ambtenaren, zoals politieagenten, rechters, brandweermensen en militairen, kunnen betalen die onze fundamentele vrijheden beschermen. Minder belasting betekent volgens mij dus niet automatisch meer vrijheid. Als Rietman hier nog steeds wel van overtuigd is, verwijs ik hem vriendelijk naar landen als Somalië waar er geen centrale overheid is en het volgens mij met de vrijheden van mensen (om te leven vrij van geweld) een stuk slechter gesteld is.
Volgens mij als je deze lijn consequent doortrekt, is er een derde grond om belastingen en overheidsingrijpen te rechtvaardigen. Als we bepaalde fundamentele vrijheden prioriteren boven bestedingsvrijheid, moet je je volgens mij ook afvragen of alle bestedingsvrijheden gelijk zijn. De euro waarmee een weeskind in de derde wereld een dag in zijn levensonderhoud kan voorzien, heeft volgens mij prioriteit boven de euro die bijdraagt aan de Jaguar van iemand in het Westen. Volgens mij is het rechtvaardig om belasting te gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen in hun levensoverhoud kunnen voorzien: zowel op wereldschaal als in Nederland. Het recht om hongervrij te gaan slapen heeft volgens mij prioriteit boven het recht om Jaguarbehoefte-gestild te gaan slapen. Je kan je afvragen of inkomensoverdrachten de meest efficiënte manier zijn om duurzaam armoede te bestrijden. Onderwijs is misschien een betere manier om daarvoor te zorgen. Volgens mij is het dus rechtvaardig als de rijke volwassenen meebetalen aan het onderwijs van arme kinderen, omdat je er daarmee voor zorgt dat zij een veel grotere kans hebben om zelf te kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud in de toekomst.

Vrijheid en overheid

Kortom: minder regels betekent volgens mij niet meer vrijheid. Onze vrijheid als consumenten om gifvrij te leven wordt beschermd door de vrijheid van ondernemers om gif te dumpen te beperken. Minder ambtenaren betekent volgens mij niet meer vrijheid. Politieagenten en brandweermannen beschermen onze vrijheid door deze regels op te handhaven. Minder belasting betekent tenslotte ook niet per definitie meer vrijheid. Herverdeling van inkomen en kansen betekent volgens mij meer vrijheid, omdat bevrijding van armoede zwaarder telt dan extra bestedingsvrijheid aan de top.

Eigen weg. Alleen betreden met toestemming.

David Cameron stelt het voor in het Verenigd Koninkrijk: de wegen privatiseren. In Nederland zien we het als het zoveelste gotspe van de knetterrechtse Britse regering. Maar ik zie er wel brood in.

Ik reis bijna iedere dag met de trein. De NS is geprivatiseerd. Ik betaal iedere dag met plezier aan de monopolist en erger me af en toe dat ik geen alternatief heb voor vertraagde stoptrein die op enkel spoor stil staat voor Bodegraven. Ik verbaas me over de files die naast me stil staan. De wegen zijn namelijk niet in private handen. Dat is een publiek goed.

Overheidsfalen
Files zijn een typisch geval van overheidsfalen. Alle burgers betalen nu mee aan de wegen. Mensen met een auto betalen extra mee vanuit de motorrijtuigenbelasting. Maar die maakt geen verschil tussen een forens die iedere dag 100 kilometer heen en weer reist en een oma die alleen op zondag 5 kilometer naar haar kleinkind rijdt. Er is geen relatie tussen het gebruik en wat mensen betalen voor de wegen. Daarom rijdt iedereen op het zelfde moment over de wegen heen, namelijk wanneer ze naar hun werk moeten of daar van af komen. Omdat iedereen op hetzelfde moment wil rijden, staat iedereen stil.

Politici leggen wegen aan. Dat doen ze niet op basis van bedrijfskundige argumenten maar op basis van politiek-electorale argumenten. Mensen staan stil in de file en denken dat dat komt omdat er te weinig weg is. Ze willen dat politici meer wegen aan leggen. Rechtse partijen doen wat het volk wil: dit kabinet bezuinigt op alles wat los en vast zit, maar voor een extra autoweg is altijd geld. Nieuwe autowegen moeten we vanuit Den Haag over heel Nederland uitvouwen, op kosten van de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler, zodat een deel van de Nederlanders daar over heen kunnen racen, zonder de echte kosten te betalen.

Het echte probleem is niet dat er te weinig wegen zijn, maar dat iedereen er op het zelfde moment overheen wil. Als we mensen laten betalen voor gebruik, dan zullen mensen gespreider gaan rijden.

Rekening rijden
Ik zie u denken. Laten betalen door gebruik noemen we ‘rekening rijden’. Dit maakt gebruik van het profijtbeginsel. Als er veel vraag is naar een wegstrek op een bepaald moment, laat de overheid de prijs van het gebruik toenemen. En zo kunnen we autoverkeer meer over de dag te spreiden.

Er zijn een aantal serieuze bezwaren tegen de Tineke ‘Tolpoort’-achtige constructie van het rekening rijden. In de eerste plaats, gaat rekening rijden ervanuit dat we vanuit Den Haag het weggebruik van heel Nederland kunnen plannen. Dat is het type Sovjet-Russiche maakbaarheidsdenken dat in de wereld niet meer gezien is sinds de val van de muur. Een private marktpartij zal veel responsiever zijn naar zijn consumenten.

Ten tweede, is er het 1984-argument. Er komt een centrale database die bijhoudt waar iedereen is geweest. Als we deze informatie laten bijhouden door private organisaties voor bepaalde strekken, dan valt dit argument weg: ze weten namelijk dan niet alles.

Daarmee hing het plan samen om in iedere auto een kastje neer te zetten. Maar als je een wegstrek privatiseert kan je gewoon aan beide kanten tolpoorten neerzetten. Dat hebben ze in Frankrijk ook. En dat is een land waarna we naar toe op vakantie gaan omdat het zo mooi is.

Dus rekeningrijden en privatiseren lopen grotendeels gelijk op: we creëren een monopolist die een bepaalde weg mag exploiteren. De tol zal naar gebruik en naar moment gedifferentieerd worden Hiermee kan het onderhoud van de weg betaald worden en zo nodig kunnen nieuwe projecten gefinancierd worden. Dat kan een staatsbedrijf doen of een private onderneming

Plankgaspopulisten
Maar er is een groot voordeel aan privatisering. Nu laten we politici beslissingen nemen over wegaanleg. Dat doen ze op basis van politiek-electorale reden, niet op basis van bedrijfskundige overwegingen. Dus leggen de plankgaspopulisten wegen aan, niet omdat ze echt nodig zijn als mensen de juiste prijs zouden betalen voor de wegen, maar omdat ze weten dat dat goed scoort onder kiezers. Meer auto wegen zou het antwoord zijn op de files. Rechts toont hier een naïviteit die we alleen maar kennen uit Communistisch Rusland. Als we ‘gratis’ een product aanbieden, dan zullen mensen daar verantwoordelijk gebruik van maken, en als ze dat niet doen, moeten we meer van het product aanbieden. Alsof je zegt: alle gezondheidszorg is gratis, en als mensen dan en-masse onnodige zorgkosten maken, dan is de oplossing dat we meer zorg aanbieden, niet dat we mensen zelf laten betalen voor hun zorgkosten.

Als we kiezen voor privatisering, zal een bedrijf brood moeten zien in een bepaalde alternatieve verbinding of wegverbreding. Ik denk dat als we mensen de echte prijs laten betalen, er minder auto wordt gereden. En als de beslissing om wegen aan te leggen op een bedrijfskundige logica wordt gebaseerd zullen er minder wegen worden aangelegd, omdat vraag zal afnemen.

De reden dat we moeten kiezen voor privatisering en niet voor rekeningrijden, is dat rekeningrijden maar een deel van het probleem oplost. Er zal minder gereden worden en het autorijden zal meer over tijd gespreid worden. Maar de beslissingen om wegen aan te leggen ligt dan nog steeds bij politici. Die kunnen volgens rechts met van alles niet vertrouwen: de zorg moet bijvoorbeeld zo snel mogelijk geprivatiseerd worden. Ik vertrouw rechtse politici niet met wegen. Die moeten zo snel mogelijk geprivatiseerd worden. Private wegen, een plus voor het milieu en voor ons landschap zou ik zeggen.

725 and counting

725 blogs heb ik geschreven in de laatste vijf jaar. Dat is wel heel veel. Wat is de centrale boodschap? Wat zijn de beste stukjes? Ik schrijf over vier (aan elkaar gerelateerde) onderwerpen: GroenLinks, Nederlandse politiek, politieke filosofie en politieke fictie. In mijn ogen heb ik daar wel een consistente lijn in: vanwege mijn eigenzinnige links-liberale politieke filosofie voel ik me verbonden met de progressief-linkse partij GroenLinks die een bijzondere plek in het politieke landschap heeft. De vijf artikelen met een (*) worden bijzonder aangeraden.

1. GroenLinks
GroenLinks is gevormd als een fusie van de links-socialistische dissidentenpartij PSP, de proto-groene PPR, de communistische emancipatiepartij CPN en de progressief-Christelijke EVP. GroenLinks lijkt ideologisch sterk op de PPR, maar heeft veel oud-PSP’ers in zijn gelederen, heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als de Deense PSP en heeft een vergelijkbare partijcultuur als de PSP. Van de CPN is weinig zichtbaar. De naam GroenLinks was een compromis tussen de PPR-leden die een vernieuwende groene beweging wilden vormen en de PSP-leden die machtsblok links van de PvdA wilde vormen. Het groene profiel van GroenLinks was deels een strategische zet (* – luister ook naar dit debat op radio 1). Het progressieve profiel dat GroenLinks zich in de laatste jaren heeft aangemeten staat in spanning en in lijn met de vrijzinnig-Christelijke en links-socialistische traditie waar GroenLinks uit voorkomt. Het progressieve profiel van GroenLinks is deels gekomen door een veranderende politieke realiteit, maar is ook aangemeten om GroenLinks een geloofwaardige coalitiepartner te maken. De opvallendste draai: GroenLinks was de grootste tegenstander van Paars maar nu de partij van Paars+.

De discussies binnen GroenLinks gaan vaak over samenwerking met andere linkse partijen, terwijl andere partijen niet noodzakelijkerwijs met GroenLinks willen. GroenLinks is een van de weinige groene partijen in Europa die nog niet heeft geregeerd. En hoewel, GroenLinks nog nooit aan de macht geweest is, zijn de schandalen van de laatste jaren, schandalen van de macht. GroenLinks moet niet gaan regeren met CDA, VVD en D66 of toch wel?

GroenLinks wordt soms verweten een moraliserende elitepartij te zijn, dat lijkt me niet het geval: GroenLinks is een radicale systeempartij (*). Ik heb het GroenLinks-prisma ontwikkeld om na te denken over de positionering van GroenLinks op verschillende onderwerpen: democratie, kunst, sport en veiligheid. GroenLinks moet haar Kamerleden balanceren tussen groene Europarlementariers, tolerante Senatoren en linkse Tweede Kamerleden.

GroenLinks moet zich niet richten op het electorale midden. GroenLinks is uitgesproken sociaal, tolerant en groen, maar op ieder van die onderwerpen niet de meest uitgesproken partij. GroenLinks moet zich als groene partij profileren en niet als tolerante partij. GroenLinks moet meer oog hebben voor de dagelijkse problemen van gewone mensen.

In de politiek worden, de cruciale beslissingen genomen door de mensen achter de schermen en daar lijkt politiek verdacht veel op het echte leven.

2. Politiek
Het Nederlandse politieke landschap is aan verandering onderhevig: wat ooit links was, is nu rechts en vice versa. Maar die analyse is misschien iets te simplistisch: er ontstaat een nieuwe tegenstelling over economische en Europese onderwerpen tussen progressief en populistisch, terwijl de links/rechts tegenstelling steeds meer gaat over culturele onderwerpen (naast economische en ecologische) (*). En juist progressieven moeten kiezen tussen links en rechts. Dat populisme is niet nieuw: zowel de sociaal-democraten als Christen-democraten hebben hun wortels als populistische bewegingen

3. Politieke filosofie
Centraal in mijn politieke filosofie staat het socratische idee van aporeia. De erkenning dat we fundamentele kennis missen. Ik noem mijn filosofie daarom ook wel epistemisch liberalisme: omdat we het niet eens zijn wat het goede leven is, moeten we kiezen voor een neutrale overheid (*); omdat er inkomen is dat niemand verdiend heeft, moeten we kiezen voor verdelende rechtvaardigheid (*); en omdat we het niet eens zijn over wat rechtvaardig is, moeten we kiezen voor een democratische overheid. Dat idee van aporeia moet ik wel iets nuanceren als ik geloof in mijn eigen ethische normen.

Op culturele thema’s ben ik uitermate liberaal: juist omdat godsdienst meer is dan een mening, hecht ik aan godsdienstvrijheid en daarom ben ik bijvoorbeeld voor het verbod op ritueel slachten, maar juist tegen een verbod op het rijden door rouwstoeten. Als liberaal ben ik skeptisch over een idee als de ‘ontspannen samenleving‘, omdat dit utilisitsch en niet liberaal isPaternalistisch optreden van de overheid is alleen maar gerechtvaardigd om individuele vrijheid te vergroten. Zo zijn herkenbare homoseksuele rolmodellen goed voor homo-emancipatie. We moeten oppassen voor diegenen die ons met kleine stootjes de juist kant op willen sturen, want wie bepaalt waar heen we gestuurd worden? Ook op sociaal-economische onderwerpen, moet neutraliteit uit het uitgangspunt zijn.

Ik beschouw mijzelf als heel links, maar ik ben daarom tegen het minimumloon, tegen het aanpakken van topinkomens en tegen kunstsubsidie (daarover heb ik niet altijd even subtiel geschreven). Ik ben voor privatisering van de publieke omroep, van het onderwijs (dat moet overigens gericht worden op individuele ontplooing) en van de zorg. Al die (links-)liberale verhalen ten spijt, betekent dat niet dat ik me niet ook verbonden voel met het socialisme. Want uiteindelijk zijn socialisten consequente liberalen.

Ook milieubeleid is uiteindelijk liberaal gerechtvaardigd, dat geldt zeker voor dierenrechten. Overheidsingrijpen is voor milieubescherming wel noodzakelijk, daarbij zou ik kernenergie niet uitsluiten.

Ik heb de laatste tijd ook geschreven over veiligheid: ik vind straffen vanwege vergelding barbaars en zie meer in herstelrecht en in grotere openbaarheid van het strafproces. Als liberaal ben ik een groot voorstander van liberale democratie en dus tegen radicale democratie (en dat zou GroenLinks ook moeten zijn).

Het is filosofisch toch het leukste om een verhaal van iemand anders uit te pellen en de interne contradicties weer te geven: neem Dick Pels over het basisinkomen of Rutger Claassen over de consumptiemaatschappij. FIlosofisch gezien heb ik niets met Nietzsche, die wel hecht aan vrijheid, maar niet aan gelijkheid en met mensen die vinden dat je alles correct moet spellen.

4. Politieke fictie
Ik vind politieke fictie fascinerend. Ik onderscheid hierbij drie genres: science fiction, wat een mogelijkheid geeft tot social science fiction het uitwerken van politieke utopieen. Mooi gedaan in Star Trek: Deep Space Nine. Politiek drama, wat de mogelijkheid geeft om politiek achter de schermen te laten zien. The West Wing kwam wel heel dicht bij de werkelijkheid. En alternative history: een kleine stap had de geschiedenis van GroenLinks een heel andere kant op kunnen sturen.

En als we het dan toch over fictie hebben, minder politiek, maar niet minder geniaal, Wes Anderson: “When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself

Het einde van de autoriteit

De fouten van klimaatwetenschappers bij het IPCC worden breed uitgemeten in de Tweede Kamer. Progressieve politici worden bij GeenStijl voor gek gezet. Als een rechter iemand vrij spreekt vanwege vormfouten volgen dikke koppen in de Telegraaf. Rechts valt steeds vaker autoriteiten aan, omdat deze te links zouden zijn.

Nog geen veertig jaar geleden was het andersom: toen was het links die met veel enthousiasme begon te zagen aan de poten van traditionele rechtse autoriteiten, zoals de kerk, het koningshuis, het leger. Tot midden jaren ’60 stonden de leraar en de arts  in het dorp op de sokkel. Het land werd bestuurd door staatslieden, geadviseerd door professoren, bisschoppen en vakbondsleiders. De jaren ’70 vormden anti-autoritaire revolutie. Een nieuwe generatie geloofde niet meer in de autoriteit van de oude instituties. Nu zien we die periode als een van bevrijding en emancipatie: ze vormde het einde van knellende verbanden. Vrouwen hoefden niet meer naar de dominee te luisteren, maar mochten zelf beslissen over hun eigen lichaam.

In de jaren ’00 ontstond een nieuwe anti-autoritaire revolte, in de vorm van het populisme. Veel van de anti-autoritaire progressieven hadden zelf de lange mars door de instituties gemaakt en waren nu autoriteiten in their own right geworden. Rechts-populisten vielen deze nieuwe autoriteiten aan: in de politiek, bij de publieke omroep en in de rechterlijke macht. Maar ook andere maatschappelijke autoriteiten kwamen onder aanval: de wetenschap in het bijzonder.

Het is een wonderlijke ontwikkeling: in de jaren ’50 waren alle autoriteiten nog onbetwijfeld. Links wilde af van de autoriteiten die in de weg stonden van hun visie op een eerlijker en vrijer land. En nu trekt populistisch rechts de laatste linkse autoriteiten van hun sokkel. Welke autoriteit blijft erover?

Het is voor weldenkende linkse mensen schokkend om te zien hoe rechts de autoriteit van onze argumenten in twijfel trekt: het is wetenschappelijk bewezen dat het klimaat verandert omdat we teveel koolstofdioxide produceren. Nederland wordt veiliger en harder straffen heeft geen zin: law & order politiek slaat dus nergens op. Het is frusterend dat zulke feiten er niet meer te doen, omdat rechts steeds minder in feitelijke politiek gelooft.

Maar bedenk eens hoe het is geweest voor een predikant om te zien dat zijn kerk leegliep omdat niemand meer in zijn argumenten geloofde. Abortus en euthanasie zijn overal geaccepteerd, terwijl dat recht tegen het vijfde gebod in gaat. Natuurlijk, ik vind het als linkse atheist veel minder erg dat mensen niet meer in God geloven, dan dat ze niet in de wetenschap geloven, maar helaas dat is de maatschappelijke realiteit.

Het is onderdeel van de vrije samenleving die in de jaren ’70 werd gevormd, dat er aan autoriteit getwijfeld kan worden. Als links het recht wil om aan rechtse autoriteiten te twijfelen, zal ze moeten accepteren dat rechts aan haar autoriteiten zal twijfelen. Het heeft geen zin om terug te verlangen naar een tijd waar professoren en rechters nog als onbetwijfelbare autoriteiten golden: er zijn eeuwenlang autoriteiten geweest die geloofden dat homoseksualiteit fout was en vrouwen inferieur. Dat linkse autoriteiten niet meer worden vertrouwd is, in mijn ogen, de prijs die we betalen om ervoor te zorgen dat rechtse autoriteiten ook niet meer klakkeloos worden geloofd.

Utilisten, liberalen en dieren

De basis van dierenrechten is, filosofisch gezien, precair. Traditionele politieke theorieën zijn niet goed in staat om zulke rechten te verdedigen. In het boekje Een waardig bestaan schetst Martha Nussbaum een potentiële oplossing: haar eigen op capaciteitengerichte politiek-filosofische theorie.

Dierenrechten als een filosofisch probleem

Veel mensen hebben de intuïtie dat je niet wreed mag zijn tegen dieren. Stierenvechten voelt als een barbaarse praktijk, waar we zo snel mogelijk vanaf zouden moeten. Maar wat is de politiek-filosofische basis van dierenrechten? De traditionele liberale politieke theorieën bieden geen ruimte voor dierenrechten. Deze streven naar een zo groot mogelijke individuele vrijheid voor rationele burgers. Liberale theorieën zien maar een relevante groep rechtssubjecten: rationele mensen. Liberalen willen mensen in staat stellen om zelf hun eigen ideeën van het goede leven in de praktijk te brengen. Dieren kunnen niet als vrij en rationeel vorm geven aan het eigen leven.

Utilisen lijken dieren gemakkelijk op te kunnen nemen in hun theorieën. Prominente utilisten als Singer hebben zeer veel gedaan om dierenrechten filosofisch te funderen. Utilisten hebben niet veel met rechten, maar destemeer met welzijn. Een recht is voor een utilist niet veel meer dan de erkenning dat het welzijn van een partij ‘telt’. Utilisten willen het totale geluk zo groot mogelijk maken. Dieren kunnen pijn en geluk voelen. Hun geluk en pijn kunnen dus ook mee tellen. Dat klinkt allemaal mooi, maar utilisme leidt vaak tot onintuïtieve conclusies. Ik heb hier al eerder over geschreven. De meest typische utilistische paradox is een happiness monster, een wezen dat zeer gelukkig wordt van het lijden van andere wezens. Zolang zijn geluk maar groot genoeg is, kan dat ieder lijden als irrelevant klein ter zijde worden geschoven: de Westerse consument gedraagt zich vaak als een happiness monster: als ik maar heel gelukkig wordt van het eten van hamburger, dan telt het ongeluk van het dier niet. Dat lijkt me een zeer zwakke verdediging van dierenrechten.

Capaciteitenbenadering als een oplossing

De derde traditionele stroming in de filosofie naast het op Kant geïnspireerde liberalisme en het utilisme is de deugdenethiek van Aristoteles. Aristoteles stelt matiging centraal: deugdzaamheid is vermogen om het midden te vinden. Tussen de extremen van lafheid en roekeloosheid, ligt moed. Ik heb altijd gedacht dat je in deze theorie nooit dierenrechten kan verdedigen. Matiging is een zeer zwakke politieke categorie: men kan hier nooit universele, voor iedereen geldende rechten mee rechtvaardigen. Dierenliefde is een deugd, maar de deugd van dierenliefde ligt tussen squeamishness en wreedheid. Of iemand meer dierenliefde moet tonen, hangt af van de vraag of hij van nature geneigd is naar wreedheid of juist naar squeamishness tegen dieren. Ik ben van nature squeamish: ik kan slecht lijden, bloed of pijn zien. Aristoteles zou mij zeggen: “Man up! Wurg eens een kat met je blote handen, want je helt te verder door naar zachtheid.”

Martha Nussbaum gaat echter een stap verder in haar analyse: ze stelt dat niet matiging de belangrijkste categorie voor Aristoteles is, maar ‘eudaimonia‘, wat ze vertaalt naar het Engelse functioning. Een functioning is een waardevolle menselijke activiteit of toestand. We ontplooien ons door onze functionings te realiseren. Nussbaum wil dat mensen zich kunnen ontplooien. Dit betekent volgens haar dat de overheid de voorwaarden moet scheppen voor om zich mensen in bepaalde activiteiten te ontplooien. Ze noemt deze voorwaarden capaciteiten.

Nussbaum slaat een balans tussen liberalisme en utilisme: haar theorie is liberaal omdat ze probeert de capaciteiten van mensen te vergroten, niet hun daadwerkelijke functionings. Het niet-liberale element van haar theorie is dat Nussbaum een lijst heeft vast gesteld van functionings waardevolle menselijke activiteiten of toestanden die voor ieder mens beschikbaar zouden moeten zijn: in deze lijst staan onder andere gezondheid, leven, denken, emotie, spel, betrokkenheid bij andere mensen en controle over je eigen omgeving. Haar theorie is utilistisch in de zin dat ze streeft naar een bepaalde vorm van geluk, namelijk het geluk dat we ervaren door ons te ontplooien. Echter, haar theorie is niet utilistisch omdat ze niet probeert het geluk zo groot mogelijk te maken, maar probeert om mensen in staat te stellen om zelf hun functioning te kiezen.

Nu kunnen we deze theorie van capaciteiten ook toepassen op dieren. Ook dieren zijn immers in staat om goed te functioneren: in klassieke lijstjes van dierenrechten zoals de “vijf vrijheden” komen deze elementen voor. Dieren moeten vrij moeten zijn van honger, pijn, ziekte en stress, maar bovendien moeten dieren hun natuurlijk gedrag kunnen vertonen samen met soortgenoten. We zien hier eigenlijk twee groepen claims: ten eerste moeten dieren gezond zijn en ten tweede moeten ze zich op een soort eigen manier kunnen ontplooien. In dat tweede zien we duidelijk een notie van functioning. Een konijn functioneert het best als konijn als het typisch konijnengedrag mag vertonen: graven, herkauwen, rondhupsen.

Capaciteiten kritisch tegen het licht

De capaciteitenbenadering heeft een aantal beperkingen, zeker waar het gaat om het dierenrijk. Het goed functioneren van dieren kan nog wel eens tegengesteld zijn aan elkaar. Een kat kan zich het best ontplooien door de jacht. Dat is echt soort-eigen gedrag van de kat. Op het moment dat hij een muisje vangt, is het echter snel afgelopen met het goed functioneren van het muisje.1 Nussbaum heeft hier wel een antwoord op: dieren kunnen soort eigen gedrag vertonen zonder andere dieren schade te doen. Een kat kan jagen op een led-lampje en een tijger in een dierenpark kan goed zijn katachtige jachtinstincten uitleven op een bal. Ik vraag me af of een kat die jaagt op bal evengoed functioneert als een kat die jaagt op een prooidier. Het een lijkt toch een slechte kopie van het ander.

Maar er is een groter bezwaar: volgens mij is het niet de verantwoordelijkheid van mensen om voor dieren in het wild te zorgen. Het lijkt me zeker niet de bedoeling dat we alle roofdieren uitmoorden ten bate van de prooidieren. Niet alleen omdat we niet weten wat er zal gebeuren, maar bovendien omdat dat onze verantwoordelijkheid niet is. Dit is een typisch probleem van utilisten, waar ook de capaciteitenbenadering onder lijdt. Deze theorieën maken geen onderscheid tussen wat wel de verantwoordelijkheid van de overheid is en wat niet. Het lijden van dieren dat wordt veroorzaakt door menselijk handelen is inderdaad een politiek probleem, het lijden dat in de natuur ontstaat door menselijk-niet-handelen is onderdeel van de natuur.

De benadering van Nussbaum is welkome bijdrage aan het debat over dierenwelzijn, maar is volgens mij nog steeds onvoldoende sterk om de verplichtingen van mensen tegenover dieren te rechtvaardigen.

GroenLinks: radicale systeempartij

Een willekeurige zin van een beginselprogramma van een Nederlandse politieke partij is “Vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, duurzaamheid en solidariteit. Dat zijn de idealen van ….” Van welke partij is dit programma: D66? De VVD? Het CDA? GroenLinks?

De zin komt uit het PvdA-programma uit 2005, maar het had naadloos bij ieder ander van deze partijen gepast. Het roept de vraag op: Zijn de idealen van Nederlandse politieke partijen wel van elkaar te onderscheiden? Hebben GroenLinksers andere waarden dan PvdA’ers of VVD’ers?

Radicale anti-systeempartijen

Natuurlijk zijn er verschillen tussen de beginselprogramma’s van bepaalde politieke partijen: de Partij voor de Dieren, de ChristenUnie en de SGP, de SP en de PVV bieden ieder op hun eigen manier een fundamentele kritiek op de moderne samenleving. Dit zijn stuk voor stuk radicale anti-systeempartijen. En in hun beginselprogramma’s is dat ook goed zichtbaar:

  • De Partij voor de Dieren stelt dat onze antropocentrische samenleving het welzijn van dieren opoffert voor het welzijn van mensen. Dit is een fundamentele kritiek op onze maatschappij die in zijn geheel is gericht op verzekeren van rechten en kansen voor mensen.
  • De PVV levert een fundamentele kritiek op een heel scala van bestaande instituten: de parlementaire politiek die niet meer luistert naar de stem van de gewone Nederlander; de Europese Unie die Nederlanders het recht ontzegt om over eigen aangelegenheden te beslissen; de multiculturele samenleving die Nederland haar eigenheid ontneemt.
  • Ook de SP heeft een fundamentele kritiek en wel op het kapitalisme. Zeker haar beginselprogramma van 1999 bevat diep-socialistische cultuurkritiek: de samenleving dreigt een neo-liberale ‘brutopia’ te worden waar het kapitalisme “normloos en ongeremd” de menselijke waardigheid verkwanselt.1
  • De SGP bekritiseert de hedendaagse samenleving omdat deze van Gods pad is afgeweken. In haar houding ten opzichte van vrouwen en homo’s kan je het radicalisme van de SGP het beste zien. Terwijl homo- en vrouwenrechten door bijna iedere Nederlander onderschreven worden, wijst de SGP deze, verwijzend naar Bijbelteksten, af.
  • Het beginselprogramma van de ChristenUnie kenmerkt zich ook door een zelfde beroep op God en bevat een groot aantal verwijzingen naar Bijbelse teksten.2

De andere partijen, CDA, VVD, D66, GL en PvdA onderschrijven allemaal een sociaalliberaal programma. Als we de kritiek van de PvdD, PVV, SP en SGP analyseren, zie we ook wat dat sociaalliberale programma inhoudt: het stelt, in tegenstelling tot de PvdD, mensen centraal. Er is een brede consensus in Nederland dat de overheid primair de ontplooiing van mensen mogelijk moet maken. Het gaat, in tegenstelling tot de PVV en de SGP, uit van het constitutionele principe van gelijkberechtiging: onafhankelijk van hun geslacht of seksuele voorkeur kunnen burgers rekenen op dezelfde vrijheden. Hetzelfde geldt voor het geloof: christen, moslim of atheïst kunnen rekenen op dezelfde vrijheden. In tegenstelling tot de SP balanceert het programma markt, staat en maatschappelijk initiatief, in plaats van alle nadruk bij de staat te leggen. Het sociaalliberale programma plaatst Nederland midden in de wereld, terwijl de PvdD, PVV, de SP, CU en de SGP allemaal euroskeptisch zijn. Het Europese project is een project van de systeempartijen.

Sociaalliberale systeempartijen

Maar is er dan geen verschil tussen het gedachtegeoed van de vijf sociaalliberale partijen? Van GroenLinks tot VVD lijken deze partijen een breed sociaalliberaal programma te onderschrijven:

  • individuele vrijheid van mensen staat voorop;
  • voor deze vrijheid is wel een overheid nodig die de ontwikkelingskansen van mensen verzekert door goed onderwijs en een vangnet voor hen die het niet redden, in de vorm van de sociale zekerheid maar ook een tolerante en solidaire samenleving nodig;
  • er is een balans tussen de overheid, de vrije markt en ruimte voor maatschappelijk initiatief;
  • het huidige democratische constitutionele stelsel, balans tussen parlement en kabinet, scheiding van kerk en staat, burgerlijke en sociale rechten, wordt onderschreven;
  • Nederland staat open voor de wereld en werkt samen in Europa;
  • en de belangen van toekomstige generaties worden meegenomen in sociaal-economische afwegingen.

Fundamentele verschillen in mensbeeld zijn er niet tussen deze partijen: al deze partijen leggen een nadruk op het individu, maar wel een individu dat participeert in een samenleving, in het gezin, op de werkvloer, in verenigingen en in de democratie. Natuurlijk zijn er nuanceverschillen en verschillen in nadruk tussen politieke partijen, bijvoorbeeld: in de balans tussen overheid, markt en maatschappij hebben PvdA, VVD en het CDA ieder hun eigen voorkeur. De PvdA verdedigt de sociale zekerheid, het CDA legt de nadruk op het maatschappelijk initiatief en de VVD op de vrije markt.

Socialists are liberals who really mean it

Maar waar staat GroenLinks? Is haar programma inwisselbaar voor dat van de PvdA of D66? Misschien in woorden wel. Al deze partijen delen woorden als vrijheid, solidariteit en duurzaamheid. Maar in de uitwerking van het programma worden de verschillen wel degelijk duidelijk: dit brede sociaalliberale programma is voor GroenLinks een opdracht voor verregaande herverdeling, voor principiële rechtsstatelijkheid, voor een fundamentele vergroening en voor radicale internationalisering.

Socialists are liberals who really mean it. Vrijheid is meer dan alleen het recht om zelf te kiezen. We moeten mensen ook de middelen en de mogelijkheden geven om regie te nemen over het eigen leven. CDA, VVD, GroenLinks, D66 en de PvdA delen het idee dat mensen in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven. Maar alleen GroenLinks verwoordt consequent dat als mensen niet in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen, de overheid hen moet ondersteunen om verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven. ‘Socialisme ter wille van het individualisme’, noemde Jacques de Kadt dat.

Of neem de rechtsstatelijke houding van GroenLinks. Als we echt geloven in onze constitutionele orde, de principes en rechten die zijn vastgelegd in onze Grondwet, dan moeten we deze niet opgeven als we onder druk komen te staan van terreur. Een principe hebben betekent aan iets vast houden, juist als dat niet makkelijk is. Vrijheid van meningsuiting geldt niet alleen voor mensen waar we het mee eens zijn. Dit betekent juist ook dat een radicale imam een abjecte orthodoxe versie van de islam mag uit dragen. Het gemak waarmee de VVD en het CDA burgerrechten wegwuiven vanwege terrorismebestrijding is geen teken van een verschil in prioriteiten (burgerrechten of veiligheid), maar van het feit dat deze partijen hun eigen waarden gewoon niet begrijpen. Sterker nog, als je echt gelooft in onze constitutionele orde, dan moeten we die tanden geven door rechters de mogelijkheid te geven om wetten af te wijzen omdat ze in strijd zijn met constitutionele principes. Alleen dan neem je de Grondwet echt serieus.

Het GroenLinks-programma is natuurlijk bijzonder radicaal waar het het milieu en klimaat betreft. Maar dit is niet meer dan een consequente uitvoering van het beginsel van duurzaamheid dat alle partijen delen. En zelfs dat is nauwelijks als een beginsel op zich te zien. Duurzaamheid betekent niet meer en niet minder dat je je eigen ideaal van een maatschappij waar mensen zich kunnen ontplooien zo serieus neemt dat je wilt dat die maatschappij er ook voor onze kinderen nog zal zijn. Duurzaamheid is geen ideaal op zich, maar slechts een consequente houding ten opzichte van je idealen. Maar dat heeft wel radicale implicaties: willen we onze samenleving die welvaart, kansen en werk relatief rechtvaardig verdeelt behouden, dan moeten we onze economie fundamenteel vergroenen.

GroenLinks wordt gekenmerkt door een internationale houding: met een open blik naar de wereld kiest GroenLinks voor Europese samenwerking en voor de ontwikkeling van andere landen. Internationalisme behoort tot de vezels van het sociaalliberale programma. De Nederlandse grondwet onderschrijft het principe van een internationale rechtsorde. De gevestigde liberale, sociaaldemocratische en Christendemocratische partijfamilies stonden allemaal aan de wieg van Europese samenwerking. De internationale houding van GroenLinks is niets anders dan een consequente houding: de grote crises van dit moment, de klimaatcrisis en de economische crisis, vereisen een internationaal antwoord. We kunnen deze problemen niet in ons eentje aan. We moeten internationaal samenwerken om onze samenleving te verduurzamen en onze idealen in de praktijk te brengen. De natiestaat voldoet niet meer om dat sociaalliberale programma uit te voeren. En zelfs waar het ontwikkelingssamenwerking betreft, is de achterliggende houding niet meer en niet minder een van consequent zijn: als je gelooft dat iedere burger beschermd moet zijn tegen geweld en recht heeft op een fatsoenlijk bestaan, dan moet je erkennen dat er geen rationele grondslag is om deze principes te beperken tot de nationale staat. Als je gelooft in dat vrije individu, waarom heeft Jan uit Urk dan wel recht op individuele vrijheid, maar Jan uit Timboektoe niet?

Radicale systeempartij

Het hele GroenLinks-programma, groen, sociaal, internationaal en vrijzinnig, is niets meer en niets minder dan een consequente uitvoering van wat al die andere systeempartijen vinden. Een groot deel van de Nederlandse politiek onderschrijft een breed sociaalliberaal programma, dat oog heeft voor de toekomst en over de grenzen kijkt. GroenLinks een radicale partij, maar niet een radicale anti-systeempartij zoals PVV, PvdD, SGP en SP. GroenLinks geeft radicaal consequent uitvoering aan het breed gedeelde sociaalliberale programma: GroenLinks is een radicale systeempartij.

noten

1 Overigens is de SP in de laatste jaren sociaaldemocratischer geworden en heeft ze een groot deel van haar fundamentele kritiek laten varen, ze past daarmee beter in de sociaalliberale consensus.

2 Echter, recent probeert de CU haar gedachtegoed te verwoorden in woorden als “duurzaamheid, vrijheid en dienstbaarheid” die inwisselbaar lijken voor de waarden van de VVD, het CDA of GroenLinks. Ook deze partij sluit steeds meer aan bij de sociaaliberale consensus.

Climate control in het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Een van de minst bevredigende onderdelen van de Het Huis van de Vrijheid is de analyse van klimaatpolitiek. Claassen stelt dat we zouden kunnen denken dat we op basis van het schadebeginsel ecologische grenzen kunnen stellen aan economische ontwikkeling. Als we grondstoffen uitputten dat ontzeggen vrijheden aan toekomstige generaties.

Maar welke aanspraak maken toekomstige generaties op ons? Onze kinderen maken overduidelijk aanspraak op ons: zij zijn er en hebben recht op een evenredig deel van de natuurlijke grondstoffen. Maar hoe zit het met de generaties daarna: stel je twee scenario’s voor: in het eerste scenario leeft de mens duurzaam voor tien generaties en dan komt door een meteoriet een einde aan het leven op aarde. In het tweede scenario leeft de mens onduurzaam voor vijf generaties en dan komt de mensheid om door haar eigen vervuiling.

De vraag is of het leven van die extra vijf generaties menselijke inspanning waard is, als menselijk leven toch tot einde komt. De vraag is of we als mensheid kort en gelukkig moeten leven, of langer en minder gelukkig. Voor individuen laten liberalen die keuze aan mensen zelf, maar hoe zit dat het met de mensheid? Voor utilisten is de berekening simpel: volgens het principe van het meeste geluk, moeten gewoon kijken of het verlies aan welzijn door verminderde consumptie opweegt voor de groei van mensen. Het is een empirische vraag hoe die berekening uitvalt. Liberalen hebben echter geen voorkeur voor zoveel mogelijk menselijk leven.

Het fundamentele probleem is dat de vijf ongeboren generaties geen aanspraak maken op ons. Als je echt zou geloven dat  nog-niet geboren leven van ons kan eisen dat we hen moeten laten leven, dan betekent dat iedere vrouw zoveel mogelijk kinderen moet krijgen. Zij hebben als individu geen morele status.

Wat Claassen voorstelt is dat als we de toekomstige generatie niet zien als een groep individuen we dit probleem kunnen ontlopen. Een tweede is dat we de waarde van het bestaan van de toekomstige generatie als groep kunnen instrumentaliseren. Wat wij doen heeft alleen zin omdat er een volgende generatie is die het zal erven. Als we de volgende generatie de mogelijkheid ontzeggen om dingen te doen die blijvend zijn ontzeggen we hun zin in hun leven. Dat is een niet-liberale theorie van waarde, die dingen alleen waardevol vind als ze blijvend zijn. De gemeenschap van mensen heeft waarde op zich.

Hier stokt Claassen: hij besluit er is geen liberale grond om duurzaam te zijn, daarvoor moeten we een andere theorie van waarden hebben, dan wel gebaseerd op het voortbestaan van de mensheid, dan wel op het bestaan van individuele mensen.

Ik kan me een grondslag bedenken van een andere theorie van waarden: deze gaat uit van morele verantwoordelijkheid. Het is een Kantiaans principe dat iedereen zo moet handelen dat het principe van zijn handeling een universele wet is. Iedereen moet zo kunnen handelen als jij doet. Als je overweegt te liegen, dan moet je bedenken hoe de wereld eruit zou zijn als iedereen zou liegen. Dan heeft praten geen zin meer omdat je zeker weet dat mensen niet de waarheid spreken. Communicatie wordt dan zinloos. Je kan in analogie hiermee voorstellen dat iedereen duurzaam moet leven, want als alle generaties zo onduurzaam zouden hebben geleefd dan zou mijn generatie er niet zijn geweest. Kortom er is voor Kantianen een moreel imperatief om duurzaam te leven.

Voor gemeenschapsgezinden, utilisten en deontologische Kantianen is er een moreel imperatief om als individu duurzaam te leven. Er is echter vanuit liberaal perspectief geen politiek imperatief om als samenleving duurzaam te zijn. Het fascinerende is dat het klimaatvraagstuk als geen ander collectieve actie vereist: het handelen van mensen om duurzamer te leven heeft alleen zin als we het samen doen. Om ervoor te zorgen dat iedereen duurzamer leeft, moet de overheid iedereen daartoe verplichten.

Allemaal mooie theorie. We kunnen duurzaamheid niet verplichten tot de zesde tot tiende generatie. De problemen met het klimaat zijn veel groter dan de vraag of de zesde generaties nog kan leven, maar de vraag of onze kinderen in een zelfde rijkdom kunnen leven als wij. Dat dwingt nu tot het maken van keuzes voordat het klimaat onveranderdelijk is beschadigd voordat zij groot worden. De vraag die onder Claassen’s analyse ligt, is of we we meer moeten doen voor die zesde generatie. Maar volgens mij is die vraag verkeerd: we moeten al ongelofelijk veel doen door de tweede generatie en daar profiteert de zesde ook van. De volgende generatie zal voor een zelfde keuze komen te staan, of ze voor hun kinderen genoeg willen overlaten. En die vrijheid moeten we hen in essentie ook laten. Voor die vrijheid moeten wij ook voor inleveren.

Links, Rechts en Het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Het Is filosofisch een fascinerend boek: boek bestaat uit vier delen. In het eerste deel werkt Claassen het idee van liberalisme uit. Hij laat zien dat liberalen uiteindelijk allemaal een ideaal van autonomie delen, maar dat zij zijn verdeeld over linkse en rechtse liberalen. In de overige drie delen werkt hij onderwerpen uit vanuit liberaal perspectief die zich niet per se verhouden tot die links/rechts tegenstelling: de rol van de overheid in het beperken vrijheid vanwege schade (aan jezelf of anderen), de rol van de overheid in de economie en vraagstukken rond identiteit immigratie en integratie.

Links en Rechts als Filosofische Begrippen

Claassen stelt dat liberalen allemaal een ideaal van autonomie delen (mensen moeten zelf vorm kunnen geven aan hun eigen leven). Ze zijn echter verdeeld over een ander vraagstuk. Rechtse liberale filosofen geloven sterk in individuele verantwoordelijkheid. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen succes en voor hun eigen falen. Linkse liberalen denken dat talenten ongelijk verdeeld zijn: het inkomen dat ik verdien wordt gedeeltelijk bepaald door mijn intelligentie. Dat is aangeboren. Daar ben ik verantwoordelijk voor en heb ik dus geen recht op. Maar het tegenovergestelde geldt ook: als ik misdaden pleeg, ben ik daar in rechts liberaal perspectief zelf verantwoordelijk voor en moet ik dus de straf dragen. Volgens linkse liberalen ben ik geneigd misdaden te plegen door dingen waar ik zelf niet verantwoordelijk voor ben (slechte jeugd). En dus ben ik daar niet verantwoordelijk voor. Rechts staat voor individuele verantwoordelijkheid voor goede en slechte keuzes, links staat voor collectieve verantwoordelijkheid, omdat niet alles onze eigen keuze is. De andere onderwerpen vallen volgens Claassen daarbuiten: vraagstukken van nationale identiteit, economische groei en paternalisme vallen volgens hem buiten de links/rechts tegenstelling.

Links en Rechts als Politicologische Begrippen

Dit is in politicologisch opzicht een curieuze opinie. We weten dat links en rechts niet altijd hetzelfde betekent hebben: in Nederland betekende links en rechts aan het eind van de negentiende eeuw seculier en religieus. Links was seculier en rechts was religieus. Claassen heeft wel oog voor deze tegenstelling maar noemt dit filosofieën die een autonomie-ideaal centraal stellen (mensen moeten zelf keuzes maken en de overheid moet zo neutraal mogelijk zijn) en filosofieën die een welzijnideaal centraal stellen (de overheid weet wat het goede leven is en moet dit uitdragen). Sinds de Tweede Wereldoorlog betekent links in de eerste plaats voorstander van overheidsingrijpen in de economie en rechts de overheid grijpt niet in. Dit volgt de tegenstelling die Claassen links en rechts noemt. Vanaf de jaren ’70 komt daar de discussie over economische groei bij. Rechts kiest steeds voor economische groei en links voor andere maatschappelijke waarden zoals een ecologische balans en een balans tussen werk en zorg. Na 2002 komen tegenstelling rond immigratie, integratie en identiteit prominent op de politieke agenda. Links betekent hier erkent een multiculturele realiteit en rechts streeft naar een monoculturele samenleving. Links en rechts zijn dus in voortdurende ontwikkeling. Claassen stelt een links/rechts-tegenstelling centraal die in het huidige publieke debat steeds minder prominent wordt: als we kijken naar de posities van kiezers dan is hun positie op culturele vraagstukken steeds belangrijker voor hun positie op de links/rechts-as dan hun positie op economische vraagstukken.

Het interessante is dat als we kijken naar de meningen van kiezers al deze links-rechts assen niet samen vallen: de meeste kiezers zijn voor herverdeling (‘links’) maar ook voor een sterke overheid die optreedt tegen criminaliteit (‘rechts’). Volgens de filosoof Claassen zijn kiezers hier dan niet consequent op zijn. Links en rechts zijn in zijn analyse zulke heldere begrippen, als dit niet de lijnen van competitie zijn hebben kiezers dat schijnbaar verkeerd begrepen.

Ik denk niet dat dit terecht is. Als we het perspectief een klein beetje kantelen dan wordt het volgens mij duidelijk dat je best voor overheid kan zijn die hard optreedt tegen criminaliteit en armoede. Je kan de overheid zien als het schild van de zwakkeren, tegenover de sterkeren. Als een oud omaatje bestolen wordt op straat door een potige crimineel, dan lijkt het mij duidelijk wie de zwakkere en wie de sterkere partij is. Criminelen kiezen vaak de zwaksten in de maatschappij uit: het is gemakkelijker om te stelen van een vrouw of een bejaarde dan van een man en een jongeren. Als je als centrale principe neemt: de overheid moet de zwakkeren beschermen, dan moet de overheid optreden tegen criminelen om zo de slachtoffers te beschermen. Maar laten we nu eens kijken naar de arbeidsmarkt: wie is hier de zwakke en sterke partij? In de arbeidsmarkt zijn er verhoudingsgewijs veel minder bedrijven die om arbeid vragen, dan dat er aanbieders van arbeid zijn. De enkele grote bedrijven hebben ten opzichte van velen werkzoekende een monopoliepositie. Daarnaast hebben zij een hele afdelingspersoneelszaken die arbeidscontracten opstelt en loonschalen bepaalt. Een werkzoekende heeft niet de specialistische kennis om de nuances van het arbeidscontract te begrijpen. De overheid moet als schild van de zwakkeren optreden om de werkzoekende te beschermen tegen de mogelijke uitbuiting door de werkgever. De overheid moet er dus voor zorgen dat lonen eerlijk zijn en contracten niet alleen begrijpelijk zijn maar ook gebonden aan arbeidswetgeving die er voor zorgt dat een werkzoekende zich geen zorgen hoeft te maken over uitbuiting: het is altijd min-of-meer eerlijk geregeld. En als schild van de zwakkeren kan de overheid ook meer belasting vragen van de sterkste om zo regelingen in stand te houden waar zwakkeren voordeel van hebben: een klassiek sociaal-democratisch principe is de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.

In dit perspectief is overheidsingrijpen in de markt ten opzichte van bedrijven en in de samenleving ten opzichte van criminelen gerechtvaardigd omdat er een zwakkere partij en is een sterkere partij. De overheid moet als schild van de zwakkeren het opnemen voor de zwakkere partij. Het kan dus best consistent zijn om ‘rechts’ te staan om veiligheid en ‘links’ op sociaal-economische onderwerpen.

Links en rechts zijn flexibele begrippen die over tijd en tussen groepen sterk kunnen verschillen in betekenis. Voor filosofen zijn dit soort termen in gewikkeld. Ze proberen ze te vangen in definities, maar als wetenschapper weet ik maar al te goed dat de politieke werkelijkheid veel complexer is dan de definities van de filosoof toe laten.

Wie wordt er toegelaten in het Huis van de Vrijheid?

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Filosofen laten graag groepen mensen die op eilanden stranden. Dat geeft altijd een prachtig moment om een nieuwe samenleving in kaart te brengen, zonder gevestigde belangen en oude instituties.

Claassen geeft een mooi voorbeeld in Het Huis van de Vrijheid om te laten zien waarom arbeidsmigratie onrechtvaardig is. Een schip breekt op zee in tweeën en de twee helften komen op de verschillende kanten van een eiland aan. In de ene helft van het schip zaten met name de matrozen. Deze mensen weten van aanpakken. Deze sterke mensen stichten al snel een goed werkende samenleving. Op de andere helft van het schip zaten de meeste passagiers: rijke mensen die niet weten wat hard werken is. Zij weten veel minder goed het beste uit het eiland te halen. Als de twee groepen elkaar na vijf jaar op het midden van het eiland ontmoeten (het is een groot eiland), is het duidelijk waar het beter toeven is: de matrozen die weten wat hard werken is zijn er veel beter aan toe dan de passagiers die niet weten wat hardwerken is. De matrozen die nog tussen de passagiers zaten willen naar de andere helft van het eiland toe: daar zien ze veel meer perspectief. Claassen is hier tegen: dat zou de economie van de arme helft alleen maar verzwakken. Zo laat Claassen zien waarom een liberaal (of eigenlijk een“liberal nationalist”) tegen grote arbeidsmigratie is: dat levert een braindrain op in arme landen.

Ik vind dit een uitermate verhelderend voorbeeld: want volgens mij is het heel duidelijk wat er moet gebeuren. Een van de links-liberale principes die Claassen onderschrijft is dat onverdiende verschillen inkomen eerlijk gedeeld moeten worden. Als ik geboren ben met het vermogen om hard te rennen, en iemand anders is vanaf zijn geboorte gehandicapt, dan moet ik een gedeelte van mijn prijzengeld dat ik verdiend heb met rennen delen met de ander: het is dom geluk dat ik geboren ben met rennersgenen en een ander gehandicapt geboren is.

Dit geldt ook voor de twee gestrande groepen: als er aan een kant door dom geluk alle mensen zitten die door no fault of their own, het meeste uit het eiland kunnen halen, dan moeten zij hun welvaart delen met de andere mensen die door no fault of their own minder uit het eiland kunnen halen. Politiek gesteld: de vraag van (on)rechtvaardigheid van arbeidsmigratie valt in het niet bij de vraag van de (on)rechtvaardigheid van mondiale inkomensverschillen. Ik werk hard, maar toch heb ik een groot deel van mijn rijkdom te danken aan het bestaan van allerlei instituties hier in Nederland waarvoor ik niets heb hoeven doen. Het is niet genoeg dat ik belasting betaal om deze instituties in stand te houden. Dat deze instituties goed functioneren, is toch grotendeels een erfenis van 200 jaar democratisch zelfbestuur in Nederland.  In andere landen is er armoede omdat de instituties daar ontbreken die hier in Nederland voor mijn rijkdom zorgen. Er zijn onverdiende verschillen in inkomens. Wij hebben dus geen recht op een groot deel van onze rijkdom en zouden dat eerlijk moeten delen.

Claassen gelooft minder in zulk liberaal kosmopolitisme, omdat er geen internationale staat is waar burgers loyaal aan zijn. Alleen als zo’n staat met loyale burgers bestaat kan er inkomen verdeeld worden. Een gevoel van lotsverbondenheid en zelfs gemeenschapszin is een noodzakelijke voorwaarde voor solidariteit. Dit is de basis van liberaal nationalisme: een overheid met loyale burgers is noodzakelijk voor liberalisme en we kennen alleen een nationale staten waar dat zo is.

De vraag die Claassen onbeantwoord laat is hoe we om moeten gaan met de verschillen in inkomen die daar het gevolg van zijn. Claassen schrijft daar niet over, maar ik denk dat zijn links-liberale principes het lastig maken om niets aan die onrechtvaardigheid te doen. Nationale staten zijn noodzakelijk om mensen voor onverdiende verschillen in inkomen te compenseren, maar nationale staten zorgen voor onverdiende verschillen in inkomen. In die zin is volgens mij liberaal nationalisme zeer problematisch.

Het Eeuwige Tekort van het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

In 2005 schreef Rutger een ander opvallend filosofisch werk: Het Eeuwige Tekort, waarin het begrip ‘schaarste’ centraal stond. Is Het Eeuwige Tekort consistent met de politieke visie die Claassen uitwerkt in Het Huis van de Vrijheid?

De Oude Claassen: Het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid is in de kern een liberaal boek. Claassen noemt zich in dit boek liberaal, alhoewel hij opmerkt dat dat in het Nederland maatschappelijk debat meer verwarring oproept dan oplost. Liberalisme betekent voor Claassen het streven naar een zo groot mogelijke autonomie voor mensen dat betekent dat mensen zo vrij mogelijk moeten zijn om zelf te beslissen over hun eigen leven, maar dat Claassen erkent dat vrij zijn ook gepaard is met het hebben van bepaalde vermogens: baby’s zijn niet autonoom, want die zijn niet instaat om doelen voor zich te stellen of de gevolgen van hun handelen in te schatten. Autonomie-als-ideaal omvat zowel de vrijheid zelf te kiezen als de plicht van de gemeenschap om zorg te dragen dat iedereen de vermogens heeft om te kiezen. Overheidsingrijpen is in principe alleen gelegitimeerd als die autonomie vergroot.

In het boek onderzoekt Claassen in allerlei maatschappelijke casussen hoe dit autonomie-ideaal in elkaar steekt. Zo bespreekt hij ook de topinkomens in het bedrijfsleven. Claassen stelt voor dat topinkomens positionele goederen zijn: de waarde van een topinkomen zit niet zo zeer in het bedrag, maar destemeer in of het meer of minder is dan het inkomen van de buurman. Zo ontstaat er een wedloop tussen topmanagers die allemaal meer willen verdienen dan de andere manager: om zo een duurdere auto en een duurder huis te kopen. Dit zijn consumptiemiddelen die ook weer met name waarde hebben in wedijver.

Volgens oude Claassen mag de overheid niet ingrijpen: er is geen sprake van schade aan autonomie. Mensen kiezen er zelf voor om mee te doen in de ratrace. We doen elkaar geen schade aan door een duurdere auto dan de ander te kopen. Als de ander zich daardoor gekleineerd voelt en ook een duurdere auto wil kopen is dat zijn eigen verantwoordelijkheid. Zolang er geen aanwijsbare schade voor autonomie door wedijver tussen topmanagers komt is er voor Claassen geen reden om in te grijpen. Sociale grenzen aan de groei zijn geen geldige reden voor Claassen om in te grijpen. De overheid is neutraal ten opzichte van de inkomensstijgingen van individuen.

Claassen merkt op dat als iemand oog heeft voor een oneerlijke verdeling van talenten dat hij dan misschien topmanagers wil belasten voor hun grote talenten waar hun grote inkomens mee verdient zijn.* Ook als bonussen de verkeerde prikkels geven dan moet de overheid ingrijpen: als ze risicovol ondernemen boven economische duurzaamheid stellen. Hier gebeurt volgens Claassen nog te weinig aan in de markt. Bij de overheid slaat men volgens hem door: door de balkenendenorm biedt de overheid te lage lonen aan topmanagers en we weten allemaal if you pay peanuts you get monkeys. De oude Claassen is in de analyse van topinkomens een klassieke liberaal: de overheid moet autonomie beschermen en niet meer doen.

De Jonge Claassen: Het Eeuwige Tekort

Het Eeuwige Tekort is juist kritisch over liberale filosofieën. Het boek gaat over de vraag hoe we met schaarsten om moeten gaan. Liberale filosofen erkennen dat er schaarste aan natuurlijke hulpbronnen is. Voor liberale filosofen is schaarste echter een natuurlijke toestand en ligt de verantwoordelijkheid voor dat er schaarste bestaat niet bij de mens. Dit noodzaakt ons om de maatschappij te organiseren op basis van principes van rechtvaardigheid. Het belangrijkste liberale verdelingsprincipe is de markt. In de markt ontstaat volgens economen door concurrentie om schaarse middelen de meest efficiënte verdeling. Deze concurrentie is volgens liberalen een positieve kracht: de motor voor economische en technologisce ontwikkeling. Iedereen heeft daar uiteindelijk voordeel van. Afgunst en jaloezie zijn voor liberalen daarmee uiteindelijk positieve krachten. Liberalen stellen de voldoening van behoefte centraal. De aard van de behoeften maakt hen weinig uit. Claassen noemt dit een “kritiekloze verheerlijking van behoeftebevrediging”.

Jonge Claassen staat in Het Eeuwnig Tekort veel kritischer tegenover schaarste dan de liberalen. Hij stelt zichzelf voor als een pluralist. Hij is kritisch over de centrale rol die concurrentie inneemt op alle plekken in de hedendaagse maatschappij: in de wetenschap, de politiek en de televisie. Concurrentie over schaarse grondstoffen leidt in zijn ogen alleen maar tot uitputting van het sociale, psychische en natuurlijke kapitaal: stress, sociale verharding en vervuiling. In plaats daarvan zou niet alles door de lens van competitie gezien moeten worden: een pluraliteit van maatschappelijke sferen met eigen verdelingsmechanismen (niet alleen de markt) zou in stand gehouden moeten worden. Het is een doorn in het oog van de jonge Claassen dat het huidige sociaaleconomische stelsel dat arbeid en consumptie centraal stelt andere waardevolle menselijke activiteiten (“tijdrovende, affectieve relaties” in de liefdeloze filosofentaal, wat wij tijd voor geliefden, gezin en vrienden zouden noemen) naar de zijkant schuift. We zouden maatschappelijke sferen moeten creëren waarin schaarste en afgunst geen centrale rol spelen. De logica van de economie maakt van mensen sociale autisten die zich monomaan richten op de maximalisatie van de winst, en daarvoor alle morele en maatschappelijke normen die ze kunnen overtreden, zullen overtreden. Dit is uiteindelijk een gevaar voor de economie zelf. Claassen wil de cultuur van de schaarste overwinnen door te breken met het dominante winst- en groeidenken. Dit is de jonge, linkse cultuurcriticus Claassen: kritisch over de cultuur van de schaarste die alles economiseert en geen ruimte laat voor andere waardevolle menselijke activiteiten.

Jong en Oud

De jonge en de oude Claassen lijken diametraal tegenovergesteld. De jonge Claassen kiest voor een keiharde kritiek op de cultuur van de schaarste waarvan het lof door liberalen wordt bezongen. Liberalisme is niets meer dan de kritiekloze verheerlijking van behoeftebevrediging die door afgunst in stand wordt gehouden en ons geestelijk uitput. De oude Claassen, zelf een liberaal, vindt dat een keuze voor mensen zelf: als jij het je aantrekt dat je buurman een grote Porsche heeft, en daarom nog harder wil werken en meer wil gaan verdienen dan ben je daar zelf verantwoordelijk voor. Dat is geen schade van autonomie. Dus de overheid hoeft niet in te grijpen.

De obsessie met economische groei is voor de jonge Claassen een doorn in het oog en voor de oude Claassen individuele keuze, waar de overheid neutraal tegenover moet staan. Interessant vind ik ook dat waar de jonge Claassen pleitte voor schaarstevrije sferen, de oudere Claassen waarschuwt voor het doorslaan van de overheid richting matiging van topinkomens. Dat zou niet goed zijn voor het type managers dat we binnen halen bij de overheid, want schijnbaar is loon alles wat zou moeten tellen bij public service.

Toch ligt het beeld wat genuanceerder: de jonge en de oude Claassen hebben beide oog voor de maatschappelijke gevolgen van de nadruk op economische groei. Als er maatschappelijke schade ontstaat door de nadruk op schaarste en concurrentie dan moet de overheid ingrijpen. Als monomane autisten de wet gaan overschrijden is er een probleem, ook als de bonusstructuur de managers vervreemdt van de werkvloer.

Cultuurfilosofie versus Politieke Filosofie

Uiteindelijk ligt er echter een fundamenteel filosofisch onderscheid tussen de twee Claassens: filosofisch putten de jonge en de oude Claassen uit andere tradities. De jonge Claassen oriënteert zich op continentale cultuurkritische denkers als Arendt, de oude Claassen is veel Anglosaksischer en analytischer, en zijn filosofen als Sen zijn grote voorbeeld. Voor de oude Claassen is er een fundamenteel onderscheid tussen wat moreel onwenselijk is en politiek onrechtvaardig: Claassen vindt dat de overheid geen oordeel moet hebben of meer willen verdienen omdat je buurman een grotere auto heeft goed of slecht is. Dat moeten mensen zelf uitzoeken. Dat betekent niet dat de oude Claassen zelf geen mening heeft over auto’s en afgunst, maar hij vindt dat individuele meningen geen rol hebben in de politiek. De overheid moet zo neutraal mogelijk zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven. Wat de oude Claassen vindt als politiek filosoof en wat de oude Claassen vindt als moreel filosoof hoeven niet hetzelfde te zijn. De jongere cultuurkritische Claassen zal het hier niet mee eens zijn. Het voornaamste argument aan de hand van deze critici is dat we als overheid wel neutraal kunnen proberen te zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven maar dat er door het sociaaleconomische stelsel er een ideaal (dat van competitie) dwingend aan ons op gelegd wordt. Het marktdenken wordt steeds dominanter in de vorming van onze karakters en de marktlogica wordt langzaam aan alle sociale sferen opgelegd. Dit komt het meest sprekend tot uiting in het voorstel van de oude Claassen om de topinkomens bij de overheid niet te veel uit te pas te laten lopen met de markt. We kunnen ons alleen tegen deze erosie van onze cultuur verzetten door ons collectief te organiseren. Het morele laissez-faire van Claassen houdt een cultuur van stress en uitputting in stand die we alleen kunnen doorbreken door overheidsingrijpen.

* Ik vind dit om twee redenen een tamelijk schokkende omschrijving: als iemand gevoelig is voor argumenten dat als talenten oneerlijk verdeeld zijn, er dan een ongelijke verdeling van middelen kan ontstaan, dan kan hij de topinkomens nog wel eens willen belasten. Iedereen zou gevoelig moeten zijn voor een oneerlijke verdeling van talent. Dat is geen kwestie van smaak.

Ten tweede, is Claassen schijnbaar onder de indruk dat de inkomens van topmanagers in verhouding staat met de door hen geleverde arbeid. Maar als ik weer cijfers uit de Verenigde Staten hoor, massa-ontslagen, economische malaise en wel een stijging van de topinkomens, dan vraag ik me serieus af of topinkomens wel in verhouding staat geleverde arbeid. Is de arbeidsmarkt aan de top wel een perfect functionerende markt? Topinkomens worden niet bepaalt in een markt waar er heel veel aanbieders zijn en heel veel vragers en mensen anoniem opereren. Het grootste bezwaar is dat er geen sprake is van een anomiteit, maar dat topinkomens worden goedgekeurd in een old boys-netwerk, waar iedereen elkaar kent. Je kan je serieus afvragen of daar sprake is van gezonde marktwerking.